Verbondenheid in de hulpverlening
De huidige maatschappelijke context die gekenmerkt wordt door tendensen zoals versnelling, digitalisering en besparingen, zet de relatie tussen cliënt en hulpverlener onder druk. Cliënten en hulpverleners krijgen steeds minder tijd om een duurzame samenwerkingsrelatie, die verankerd is in verbondenheid, uit te bouwen.
Toch vormt juist de samenwerkingsrelatie het meest wezenlijke in de ondersteuning van mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties. Elke hulpverlener is hiervan overtuigd en zoekt naar een manier waarop hij de relatie met de cliënt binnen deze context kan vormgeven.
In deze publicatie geven docenten en studenten op een bevlogen manier hun ervaringen en praktijkinzichten over verbondenheid weer en de manier waarop ze versterkt kan worden. Theoretische raamwerken en praktijkervaringen worden met elkaar gelieerd, wat resulteert in een palet van verschillende visies en persoonlijke praktijkervaringen. Dit inspireert hulpverleners in spe, maar ook wie al jarenlang actief in het werkveld staat.
Chris De Rijdt, Mark Heremans, Yvan Houtteman, Karel Schoonjans, Iris Storme, Els Thibau, Inge Van Erum, Vera Van Hove en Peter Walleghem zijn allen verbonden aan de Faculteit Mens en Welzijn van de Hogeschool Gent.
Verbondenheid in de hulpverlening
De huidige maatschappelijke context die gekenmerkt wordt door tendensen zoals versnelling, digitalisering en besparingen, zet de relatie tussen cliënt en hulpverlener onder druk. Cliënten en hulpverleners krijgen steeds minder tijd om een duurzame samenwerkingsrelatie, die verankerd is in verbondenheid, uit te bouwen.
Toch vormt juist de samenwerkingsrelatie het meest wezenlijke in de ondersteuning van mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties. Elke hulpverlener is hiervan overtuigd en zoekt naar een manier waarop hij de relatie met de cliënt binnen deze context kan vormgeven.
In deze publicatie geven docenten en studenten op een bevlogen manier hun ervaringen en praktijkinzichten over verbondenheid weer en de manier waarop ze versterkt kan worden. Theoretische raamwerken en praktijkervaringen worden met elkaar gelieerd, wat resulteert in een palet van verschillende visies en persoonlijke praktijkervaringen. Dit inspireert hulpverleners in spe, maar ook wie al jarenlang actief in het werkveld staat.
Chris De Rijdt, Mark Heremans, Yvan Houtteman, Karel Schoonjans, Iris Storme, Els Thibau, Inge Van Erum, Vera Van Hove en Peter Walleghem zijn allen verbonden aan de Faculteit Mens en Welzijn van de Hogeschool Gent.
Euthanasie bij psychisch lijden. Het hellend vlak dat overslaat? (Fracarita-reeks, nr. 9)
Vier auteurs buigen zich over de vraag hoe het verder moet met de euthanasie bij psychisch lijden. Ze doen het uit medische, filosofische en gelovige hoek en proberen vanuit deze invalshoeken de vraag te beantwoorden wat mensen met psychisch lijden brengt om de euthanasievraag te stellen. Dat het om een complex gegeven gaat, is duidelijk. Dat het dikwijls om een pijnlijke, uitzichtloze situatie gaat, is eveneens een feit. Maar is het toepassen van euthanasie het ultieme antwoord op de noodkreet die deze mensen uiten? Of zijn er alternatieven waarbij men wel degelijk de vraag ernstig neemt zonder het leven weg te nemen? Want euthanasie blijft toch steeds het meest radicale en onomkeerbare wat men kan doen bij een mens: zijn leven zelf afnemen.
Het essay kwam er vanuit een bekommernis bij de auteurs, die zien dat er steeds meer en vlugger gegrepen wordt naar euthanasie als antwoord, waarbij ze zich de vraag stelden of een handeling, die voorheen een strafbare act was maar nu onder bepaalde voorwaarden werd gelegaliseerd, verder zal evolueren als een van de mogelijke behandelingen bij psychisch lijden. Ook hier luidt de vraag in welke mate de absolute zelfbeschikking en de absolute vrijheid het aan het winnen zijn op de absolute beschermwaardigheid van de mens, van ieder mens, ook van de mens die psychisch zwaar lijdt. We zitten hier duidelijk op een hellend vlak, en blijkbaar is dat nu aan het overslaan.
Br. dr. René Stockman, momenteel generale overste van de
Broeders van Liefde, is doctor in de maatschappelijke gezondheidszorg.
Dr. Marc Calmeyn, psychiater en psychoanalyticus, werkt
in het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw in Sint-
Michiels Brugge en heeft een privépraktijk in Loppem, genaamd
‘Lelieveld’.
Dr. Marc Eneman is psychiater en bovendien geneesheerdirecteur
van het Universitair Psychiatrisch Centrum Sint-
Kamillus in Bierbeek.
Prof. dr. Herman De Dijn is filosoof en emeritus hoogleraar
aan het Hoger Instituut van Wijsbegeerte. Voorheen
was hij vicerector van de Katholieke Universiteit Leuven.
Euthanasie bij psychisch lijden. Het hellend vlak dat overslaat? (Fracarita-reeks, nr. 9)
Vier auteurs buigen zich over de vraag hoe het verder moet met de euthanasie bij psychisch lijden. Ze doen het uit medische, filosofische en gelovige hoek en proberen vanuit deze invalshoeken de vraag te beantwoorden wat mensen met psychisch lijden brengt om de euthanasievraag te stellen. Dat het om een complex gegeven gaat, is duidelijk. Dat het dikwijls om een pijnlijke, uitzichtloze situatie gaat, is eveneens een feit. Maar is het toepassen van euthanasie het ultieme antwoord op de noodkreet die deze mensen uiten? Of zijn er alternatieven waarbij men wel degelijk de vraag ernstig neemt zonder het leven weg te nemen? Want euthanasie blijft toch steeds het meest radicale en onomkeerbare wat men kan doen bij een mens: zijn leven zelf afnemen.
Het essay kwam er vanuit een bekommernis bij de auteurs, die zien dat er steeds meer en vlugger gegrepen wordt naar euthanasie als antwoord, waarbij ze zich de vraag stelden of een handeling, die voorheen een strafbare act was maar nu onder bepaalde voorwaarden werd gelegaliseerd, verder zal evolueren als een van de mogelijke behandelingen bij psychisch lijden. Ook hier luidt de vraag in welke mate de absolute zelfbeschikking en de absolute vrijheid het aan het winnen zijn op de absolute beschermwaardigheid van de mens, van ieder mens, ook van de mens die psychisch zwaar lijdt. We zitten hier duidelijk op een hellend vlak, en blijkbaar is dat nu aan het overslaan.
Br. dr. René Stockman, momenteel generale overste van de
Broeders van Liefde, is doctor in de maatschappelijke gezondheidszorg.
Dr. Marc Calmeyn, psychiater en psychoanalyticus, werkt
in het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw in Sint-
Michiels Brugge en heeft een privépraktijk in Loppem, genaamd
‘Lelieveld’.
Dr. Marc Eneman is psychiater en bovendien geneesheerdirecteur
van het Universitair Psychiatrisch Centrum Sint-
Kamillus in Bierbeek.
Prof. dr. Herman De Dijn is filosoof en emeritus hoogleraar
aan het Hoger Instituut van Wijsbegeerte. Voorheen
was hij vicerector van de Katholieke Universiteit Leuven.
Investeren in een leerzorgcentrum. Tien goede redenen.
Vanuit een ernstige bekommernis omtrent de nadelige gevolgen van de kloof tussen theorie en praktijk, tussen onderwijs en werkveld, en op basis van good practices, is het leerzorgcentrum ontwikkeld als geïntegreerd concept voor zorginnovatie en onderwijsinnovatie. Met een doorgedreven samenwerking tussen docenten en studenten enerzijds en zorgverleners en managers van zorgvoorzieningen anderzijds, wordt een omgeving gecreëerd waar duurzaam leren voor studenten en zorgverleners mogelijk wordt.
De implementatie van een leerzorgcentrum heeft zijn kostprijs. Zowel voor de zorgvoorziening als voor de opleiding betekent dit dat geïnvesteerd wordt in extra inzet van personeel. Zo is de lector verpleegkunde parttime verbonden aan de zorgeenheid als leerzorgspecialist; dit is een personeelsinzet boven de reguliere bezetting. Deze extra investering is te verantwoorden gezien de winst die op de diverse terreinen wordt gemaakt: zowel voor de stage van de student als voor de kwaliteit van zorg op de zorgeenheid. Ook op vlak van recruitment voor de zorgvoorziening en voor de clinical credibility van de betrokken lectoren valt er winst te boeken. Een belangrijke hefboom voor verdere implementatie is het kunnen aantonen van de return on investment. Deze ROI wordt beschreven in dit boek.
Frieda Corstjens is bachelor in de verpleegkunde met een aanvullende masteropleiding
in de verpleegkunde. Zij is lector verpleegkunde aan de hogeschool
UC Leuven-Limburg en coördinator van de leerzorgcentra.
Jo Gommers, bachelor ziekenhuis- en psychiatrisch verpleegkundige, met een
aanvullende master in de medisch-sociale wetenschappen, is algemeen directeur
van Groep LITP – Limburgs Initiatief voor Therapie en integrale Personenzorg,
een netwerk van ambulante diensten in de geestelijke gezondheidszorg. Hij is
tevens lector en projectmedewerker aan de hogeschool UC Leuven-Limburg.
Jolien Oomsels is bachelor in de verpleegkunde met een aanvullende masteropleiding
in de verpleegkunde. Zij is verpleegkundige op de Afdeling Pneumologie
van het Ziekenhuis Oost-Limburg in Genk.
Investeren in een leerzorgcentrum. Tien goede redenen.
Vanuit een ernstige bekommernis omtrent de nadelige gevolgen van de kloof tussen theorie en praktijk, tussen onderwijs en werkveld, en op basis van good practices, is het leerzorgcentrum ontwikkeld als geïntegreerd concept voor zorginnovatie en onderwijsinnovatie. Met een doorgedreven samenwerking tussen docenten en studenten enerzijds en zorgverleners en managers van zorgvoorzieningen anderzijds, wordt een omgeving gecreëerd waar duurzaam leren voor studenten en zorgverleners mogelijk wordt.
De implementatie van een leerzorgcentrum heeft zijn kostprijs. Zowel voor de zorgvoorziening als voor de opleiding betekent dit dat geïnvesteerd wordt in extra inzet van personeel. Zo is de lector verpleegkunde parttime verbonden aan de zorgeenheid als leerzorgspecialist; dit is een personeelsinzet boven de reguliere bezetting. Deze extra investering is te verantwoorden gezien de winst die op de diverse terreinen wordt gemaakt: zowel voor de stage van de student als voor de kwaliteit van zorg op de zorgeenheid. Ook op vlak van recruitment voor de zorgvoorziening en voor de clinical credibility van de betrokken lectoren valt er winst te boeken. Een belangrijke hefboom voor verdere implementatie is het kunnen aantonen van de return on investment. Deze ROI wordt beschreven in dit boek.
Frieda Corstjens is bachelor in de verpleegkunde met een aanvullende masteropleiding
in de verpleegkunde. Zij is lector verpleegkunde aan de hogeschool
UC Leuven-Limburg en coördinator van de leerzorgcentra.
Jo Gommers, bachelor ziekenhuis- en psychiatrisch verpleegkundige, met een
aanvullende master in de medisch-sociale wetenschappen, is algemeen directeur
van Groep LITP – Limburgs Initiatief voor Therapie en integrale Personenzorg,
een netwerk van ambulante diensten in de geestelijke gezondheidszorg. Hij is
tevens lector en projectmedewerker aan de hogeschool UC Leuven-Limburg.
Jolien Oomsels is bachelor in de verpleegkunde met een aanvullende masteropleiding
in de verpleegkunde. Zij is verpleegkundige op de Afdeling Pneumologie
van het Ziekenhuis Oost-Limburg in Genk.
Verbondenheid. Inspiratie voor begeleiders van personen met een beperking
Verbondenheid en het verlangen ernaar is van alle tijden en voor alle mensen. Het is inherent aan mensen, het gaat om een dagelijkse manier van in het leven staan. Verbondenheid maakt het meest wezenlijke deel uit van de opdracht van hulpverleners in hun samenwerking met mensen in kwetsbare leefsituaties. Zij zijn vaak de draad met zichzelf en hun omgeving verloren. Ook begeleiders zijn soms de draad kwijt. Maar het fundament van een samenwerkingsrelatie is juist die verbondenheid. Soms lijkt ze als streef- én als doe-waarde ondergesneeuwd door tal van factoren van economische, ethische of maatschappelijke aard. De auteurs gaan uit van een model waarin verbondenheid zich situeert op zes dimensies. Hierbij krijgen vragen als ‘Hoe kunnen we de verbondenheid tussen de cliënt en de wereld bevorderen?’, ‘Hoe kunnen de begeleider en het team hun eigen verbondenheid versterken?’ en ‘Hoe kan het management verbondenheid weer op de kaart zetten?’ concrete antwoorden. Het gaat niet langer om een filosofisch discours, maar vooral om handelen. De vele praktijkvoorbeelden prikkelen en zetten aan om met overtuiging te werken aan verbondenheid.
Vera Van Hove was gedurende tien jaar werkzaam in de sector voor personen
met een verstandelijke beperking. Nu is ze als docent Orthopedagogiek
verbonden aan de faculteit Mens en Welzijn van HoGent. Ze publiceert en
doceert over thema’s zoals emancipatorisch werken, kwaliteit van bestaan
en kwaliteit van de relatie met de cliënt.
Ronny Dierendonck was gedurende vijf jaar werkzaam als hoofdopvoeder in
een voorziening voor kinderen met een verstandelijke beperking en zes jaar
als directeur van een kleinschalige woonvoorziening voor volwassenen met
een verstandelijke beperking. Nu is hij reeds enkele decennia bestuurder van
het WIV – Werkcentrum voor Internationaal Vormingswerk in Gent. Hij verzorgt
interactieve studiedagen, workshops en cursussen voor mensen met
een ondersteuningsvraag, hun ouders, professionelen en vrijwilligers.
Verbondenheid. Inspiratie voor begeleiders van personen met een beperking
Verbondenheid en het verlangen ernaar is van alle tijden en voor alle mensen. Het is inherent aan mensen, het gaat om een dagelijkse manier van in het leven staan. Verbondenheid maakt het meest wezenlijke deel uit van de opdracht van hulpverleners in hun samenwerking met mensen in kwetsbare leefsituaties. Zij zijn vaak de draad met zichzelf en hun omgeving verloren. Ook begeleiders zijn soms de draad kwijt. Maar het fundament van een samenwerkingsrelatie is juist die verbondenheid. Soms lijkt ze als streef- én als doe-waarde ondergesneeuwd door tal van factoren van economische, ethische of maatschappelijke aard. De auteurs gaan uit van een model waarin verbondenheid zich situeert op zes dimensies. Hierbij krijgen vragen als ‘Hoe kunnen we de verbondenheid tussen de cliënt en de wereld bevorderen?’, ‘Hoe kunnen de begeleider en het team hun eigen verbondenheid versterken?’ en ‘Hoe kan het management verbondenheid weer op de kaart zetten?’ concrete antwoorden. Het gaat niet langer om een filosofisch discours, maar vooral om handelen. De vele praktijkvoorbeelden prikkelen en zetten aan om met overtuiging te werken aan verbondenheid.
Vera Van Hove was gedurende tien jaar werkzaam in de sector voor personen
met een verstandelijke beperking. Nu is ze als docent Orthopedagogiek
verbonden aan de faculteit Mens en Welzijn van HoGent. Ze publiceert en
doceert over thema’s zoals emancipatorisch werken, kwaliteit van bestaan
en kwaliteit van de relatie met de cliënt.
Ronny Dierendonck was gedurende vijf jaar werkzaam als hoofdopvoeder in
een voorziening voor kinderen met een verstandelijke beperking en zes jaar
als directeur van een kleinschalige woonvoorziening voor volwassenen met
een verstandelijke beperking. Nu is hij reeds enkele decennia bestuurder van
het WIV – Werkcentrum voor Internationaal Vormingswerk in Gent. Hij verzorgt
interactieve studiedagen, workshops en cursussen voor mensen met
een ondersteuningsvraag, hun ouders, professionelen en vrijwilligers.
Tien van NegenTien. Vlaamse poëzie uit de negentiende eeuw. (Reeks Literatuur in veelvoud, nr 24)
De Vlaamse poëzie van de negentiende eeuw is vrijwel onbekend en dus onbemind. Er bestaan niet eens een half dozijn overzichten in de loop van bijna 200 jaar. Deze bloemlezing biedt een staalkaart van diverse stromingen. Wie de experimentele dichters zag als langharig tuig, ziet geredelijk de negentiende-eeuwers als vreemdsoortige langbaardigen. Aan dit romantisch beeld moeten nog de onvermijdelijke drinkgelagen, optochten, stoeten en zelfs triomfbogen toegevoegd worden. De werkelijkheid vertoont echter nog andere facetten en sommige teksten geven dat duidelijk aan.
Theodoor van Rijswijck schreef talrijke liedjes, gedichten als schotschriften of pamfletten. Hij stierf jong, krankzinnig en berooid als een arme liereman. Het tegendeel is de adellijke Jan K.H. Nolet de Brauwere van Steeland. Geboren Rotterdammer, kwam hij in Vlaanderen terecht. Hij werd een tegenstander van Gezelle. Even ironisch, maar barokker, exuberanter en vrolijker is het werk van Frans de Cort. De relatie van Gentil Antheunis met Maria, Consciences enige dochter, leed schipbreuk. Dit en andere tegenslagen verhinderden hem niet om verder te dichten. Johan de Laet is bekend gebleven door zijn ijveren voor de eerste taalwetten. Zijn dichtwerk behoort tot de betere uitingen van de Vlaamse romantiek. Karel Lodewijk Ledeganck liet gevoelige en sfeervolle verzen na. De hopeloos verliefde Victor dela Montagne is lyrisch het zuiverste talent van de bent. De beminnelijke Geeraard Jan Dodd schrijft ironische verzen. Hij is een dubbeltalent en heeft lang geaarzeld tussen schilderen of dichten. Baldadiger zijn Julius De Geyter en Julius Vuylsteke. De eerste is scherp antiklerikaal. Hij is de dichter van onder meer het Geuzenlied. Vuylsteke is een unicum met de tijdens zijn studententijd geschreven gedichten in heinsiaanse zin. Hij verwoordt op ironisch romantische toon zijn ongelukkige liefde(s). Met De Geyter blijft hij de scherpste criticus van de toenmalige Zeitgeist.
Dirk Christiaens studeerde wijsbegeerte & letteren – geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij doceerde Nederlandse en Europese Letterkunde aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel en hij was hoofdproducer bij de Dienst Kunstzaken van de VRT – Vlaamse Radio en Televisie.
Tien van NegenTien. Vlaamse poëzie uit de negentiende eeuw. (Reeks Literatuur in veelvoud, nr 24)
De Vlaamse poëzie van de negentiende eeuw is vrijwel onbekend en dus onbemind. Er bestaan niet eens een half dozijn overzichten in de loop van bijna 200 jaar. Deze bloemlezing biedt een staalkaart van diverse stromingen. Wie de experimentele dichters zag als langharig tuig, ziet geredelijk de negentiende-eeuwers als vreemdsoortige langbaardigen. Aan dit romantisch beeld moeten nog de onvermijdelijke drinkgelagen, optochten, stoeten en zelfs triomfbogen toegevoegd worden. De werkelijkheid vertoont echter nog andere facetten en sommige teksten geven dat duidelijk aan.
Theodoor van Rijswijck schreef talrijke liedjes, gedichten als schotschriften of pamfletten. Hij stierf jong, krankzinnig en berooid als een arme liereman. Het tegendeel is de adellijke Jan K.H. Nolet de Brauwere van Steeland. Geboren Rotterdammer, kwam hij in Vlaanderen terecht. Hij werd een tegenstander van Gezelle. Even ironisch, maar barokker, exuberanter en vrolijker is het werk van Frans de Cort. De relatie van Gentil Antheunis met Maria, Consciences enige dochter, leed schipbreuk. Dit en andere tegenslagen verhinderden hem niet om verder te dichten. Johan de Laet is bekend gebleven door zijn ijveren voor de eerste taalwetten. Zijn dichtwerk behoort tot de betere uitingen van de Vlaamse romantiek. Karel Lodewijk Ledeganck liet gevoelige en sfeervolle verzen na. De hopeloos verliefde Victor dela Montagne is lyrisch het zuiverste talent van de bent. De beminnelijke Geeraard Jan Dodd schrijft ironische verzen. Hij is een dubbeltalent en heeft lang geaarzeld tussen schilderen of dichten. Baldadiger zijn Julius De Geyter en Julius Vuylsteke. De eerste is scherp antiklerikaal. Hij is de dichter van onder meer het Geuzenlied. Vuylsteke is een unicum met de tijdens zijn studententijd geschreven gedichten in heinsiaanse zin. Hij verwoordt op ironisch romantische toon zijn ongelukkige liefde(s). Met De Geyter blijft hij de scherpste criticus van de toenmalige Zeitgeist.
Dirk Christiaens studeerde wijsbegeerte & letteren – geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij doceerde Nederlandse en Europese Letterkunde aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel en hij was hoofdproducer bij de Dienst Kunstzaken van de VRT – Vlaamse Radio en Televisie.
Het onbewuste consult. Handreiking voor de huisarts en andere hulp uit de eerste lijn (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 25)
Een goede band of de gepaste golflengte tussen arts en patiënt leveren aantoonbaar gezondheidseffecten
op. Maar wat als de ontmoeting moeilijk loopt? Wat als de patiënt ondanks
een goed contact het voorschrift niet volgt of negatieve gevoelens aanhouden adviezen, pogingen
tot opbeuring of medicijnen ten spijt? Dan kan het misschien helpen zich af te vragen
of de verstandhouding wordt verstoord door zogenaamde overdracht vanuit de patiënt.
Bij
overdracht heeft de patiënt een vertekend beeld van de hulpverlener ten gevolge van gevoelens
of gevoeligheden uit het verleden die buiten ons bewustzijn hun stempel drukken. Het
kan om iets eenvoudigs gaan zoals een arts of andere hulpverlener die ervaren wordt als een
bezorgde moeder, of complexer wanneer wordt overgedragen dat alle moederlijke vrouwen
gevaarlijk zijn en de patiënt zich niet meer openstelt. Dergelijke ‘overdracht’ is altijd onbewust;
we weten het niet maar voelen het zo aan en handelen ernaar. Als de patiënt vanuit
deze overdracht in relatie treedt, wordt onbewust druk op de arts of andere hulpverlener uitgeoefend
om zich conform deze overdracht te gedragen.
Naast een gezondheidsvraag speelt
in het consult met andere woorden een onbewuste, belemmerende dynamiek. De auteurs,
vrijwel allemaal werkzaam als psychoanalyticus, laten aan de hand van herkenbare praktijkvoorbeelden
zien hoe die onbewuste dynamiek werkt. Bijvoorbeeld als iets niet helemaal
pluis lijkt, bij niet-objectiveerbare lichamelijke klachten of in het omgaan met de dood.
Overdracht maar ook (tegen)overdracht vanuit de hulpverlener komen uitgebreid aan bod.
Ook wordt de stand van zaken rond wetenschappelijk onderzoek inzake effectiviteit van
psychoanalytische behandelingen besproken. In de laatste drie hoofdstukken worden handvatten
aangereikt om de onbewuste dynamiek in de praktijk te herkennen en te hanteren.
Met bijdragen van Ad Bolhuis, Quin van Dam, Petra Elders, Cileke Exler, Sylvia Janson, Kees Kooiman, Famke Kwee, Frans Schalkwijk en Marie-José Vertriest.
Het onbewuste consult. Handreiking voor de huisarts en andere hulp uit de eerste lijn (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 25)
Een goede band of de gepaste golflengte tussen arts en patiënt leveren aantoonbaar gezondheidseffecten
op. Maar wat als de ontmoeting moeilijk loopt? Wat als de patiënt ondanks
een goed contact het voorschrift niet volgt of negatieve gevoelens aanhouden adviezen, pogingen
tot opbeuring of medicijnen ten spijt? Dan kan het misschien helpen zich af te vragen
of de verstandhouding wordt verstoord door zogenaamde overdracht vanuit de patiënt.
Bij
overdracht heeft de patiënt een vertekend beeld van de hulpverlener ten gevolge van gevoelens
of gevoeligheden uit het verleden die buiten ons bewustzijn hun stempel drukken. Het
kan om iets eenvoudigs gaan zoals een arts of andere hulpverlener die ervaren wordt als een
bezorgde moeder, of complexer wanneer wordt overgedragen dat alle moederlijke vrouwen
gevaarlijk zijn en de patiënt zich niet meer openstelt. Dergelijke ‘overdracht’ is altijd onbewust;
we weten het niet maar voelen het zo aan en handelen ernaar. Als de patiënt vanuit
deze overdracht in relatie treedt, wordt onbewust druk op de arts of andere hulpverlener uitgeoefend
om zich conform deze overdracht te gedragen.
Naast een gezondheidsvraag speelt
in het consult met andere woorden een onbewuste, belemmerende dynamiek. De auteurs,
vrijwel allemaal werkzaam als psychoanalyticus, laten aan de hand van herkenbare praktijkvoorbeelden
zien hoe die onbewuste dynamiek werkt. Bijvoorbeeld als iets niet helemaal
pluis lijkt, bij niet-objectiveerbare lichamelijke klachten of in het omgaan met de dood.
Overdracht maar ook (tegen)overdracht vanuit de hulpverlener komen uitgebreid aan bod.
Ook wordt de stand van zaken rond wetenschappelijk onderzoek inzake effectiviteit van
psychoanalytische behandelingen besproken. In de laatste drie hoofdstukken worden handvatten
aangereikt om de onbewuste dynamiek in de praktijk te herkennen en te hanteren.
Met bijdragen van Ad Bolhuis, Quin van Dam, Petra Elders, Cileke Exler, Sylvia Janson, Kees Kooiman, Famke Kwee, Frans Schalkwijk en Marie-José Vertriest.
Dromen duiden. Een nieuwe benadering (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 24)
Is de droom een wetenschappelijk, een therapeutisch, of een esthetisch gegeven? Zijn dromen duidbaar? Wat is de betekenis van een droom? Bestaat er één vastliggende betekenis? Houdt de freudiaanse droomduiding nog stand? Of bestaan er andere manieren om met dromen te werken? Heeft het zin om dromen te bespreken in een groep? Kan een dromengroep nuttig zijn? Zijn nachtmerries pathologisch of gewoon fantasie? Welke plaats hebben dromen in literatuur en film? Waarom zijn mensen geïnteresseerd in dromen? Hoe werken psychoanalytici met dromen?
Er is veel veranderd in het denken over en werken met dromen. De droom is een volwaardige psychische act, drager van betekenis en duidbaar. De droom is een subjectieve aangelegenheid. Er bestaat meer dan één betekenis van een droom. En er zijn vele toegangswegen om de betekenis van een droom te ontsluieren. Meer dan vroeger is het te beschouwen als een belangrijke verworvenheid dat iemand droomt, zijn droom durft te bespreken en toelaat dat een ander (een analyticus, een therapeut, een lid van een dromengroep) meedenkt of zijn droom verder droomt. Soms komt het tot een gezamenlijk spelen, wat dan leidt tot een co-constructie van betekenis en diepe emotionele inzichten. Ook voor psychotherapeuten en psychoanalytici kan het uitwisselen en bespreken van dromen een bijzondere bijdrage leveren aan het eigen werk. Met behulp van vele droomvoorbeelden wordt dit geïllustreerd.
Marc Hebbrecht, psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus, is
opleidingspsychoanalyticus
bij de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse en full member van de
International
Psychoanalytical Association. Hij is betrokken bij opleidingen in
psychoanalyse,
psychoanalytische psychotherapie en integratieve psychotherapie.
Minke de
Jong, andragoge,
psychoanalytica en psychoanalytisch psychotherapeut in ruste.
Annelies van
Hees
was hoofddocent Scandinavische Letterkunde in Amsterdam.
Rolien van Mechelen,
klinisch
psycholoog en psychoanalytica, is opleider en supervisor bij de Nederlandse
Psychoanalytische
Vereniging en full member van de International Psychoanalytical Association.
Dromen duiden. Een nieuwe benadering (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 24)
Is de droom een wetenschappelijk, een therapeutisch, of een esthetisch gegeven? Zijn dromen duidbaar? Wat is de betekenis van een droom? Bestaat er één vastliggende betekenis? Houdt de freudiaanse droomduiding nog stand? Of bestaan er andere manieren om met dromen te werken? Heeft het zin om dromen te bespreken in een groep? Kan een dromengroep nuttig zijn? Zijn nachtmerries pathologisch of gewoon fantasie? Welke plaats hebben dromen in literatuur en film? Waarom zijn mensen geïnteresseerd in dromen? Hoe werken psychoanalytici met dromen?
Er is veel veranderd in het denken over en werken met dromen. De droom is een volwaardige psychische act, drager van betekenis en duidbaar. De droom is een subjectieve aangelegenheid. Er bestaat meer dan één betekenis van een droom. En er zijn vele toegangswegen om de betekenis van een droom te ontsluieren. Meer dan vroeger is het te beschouwen als een belangrijke verworvenheid dat iemand droomt, zijn droom durft te bespreken en toelaat dat een ander (een analyticus, een therapeut, een lid van een dromengroep) meedenkt of zijn droom verder droomt. Soms komt het tot een gezamenlijk spelen, wat dan leidt tot een co-constructie van betekenis en diepe emotionele inzichten. Ook voor psychotherapeuten en psychoanalytici kan het uitwisselen en bespreken van dromen een bijzondere bijdrage leveren aan het eigen werk. Met behulp van vele droomvoorbeelden wordt dit geïllustreerd.
Marc Hebbrecht, psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus, is
opleidingspsychoanalyticus
bij de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse en full member van de
International
Psychoanalytical Association. Hij is betrokken bij opleidingen in
psychoanalyse,
psychoanalytische psychotherapie en integratieve psychotherapie.
Minke de
Jong, andragoge,
psychoanalytica en psychoanalytisch psychotherapeut in ruste.
Annelies van
Hees
was hoofddocent Scandinavische Letterkunde in Amsterdam.
Rolien van Mechelen,
klinisch
psycholoog en psychoanalytica, is opleider en supervisor bij de Nederlandse
Psychoanalytische
Vereniging en full member van de International Psychoanalytical Association.
Een vergadering voorzitten. De kunstgrepen
Vergaderen maakt integraal deel uit van onze overlegcultuur. Toch ergeren we ons vaak aan vergaderingen, omdat ze te lang duren, alle kanten opgaan, niet tot de essentie komen, zonder duidelijke conclusies eindigen,… De oorzaak is meestal het feit dat ze niet goed worden geleid. Als de voorzitter weet hoe je een vergadering goed moet voorzitten, verdwijnt de ergernis als sneeuw voor de zon. Bovendien krijg je ook minder vergaderingen, want een goede voorzitter vergadert enkel als dat nodig is.
Deze leidraad doorloopt alle stappen van de vergadering. Telkens wordt aangegeven welke knepen van het vak de voorzitter het best onder de knie krijgt om een uitstekend voorzitter te worden en daardoor vele vergaderaars het leven aangenamer te maken. Een vergadering voorzitten is veel meer dan gewoon van voren zitten. Tegelijk is het ook geen rocket science. Een goed voorzitter is goud waard, met dit boek bereikt hij het hoogste schavot.
Vincent Mertens studeerde taal- en letterkunde, communicatiewetenschappen
en rechtsgeleerdheid aan de
KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel. University
College Leuven Limburg is zijn werkplek. Al 35 jaar zit
hij vergaderingen voor in de welzijnswereld, het verenigingsleven,
het onderwijs, de politiek, …
Hij is, zoals dat
heet, gepokt en gemazeld in de discipline van het voorzitten.
Een vergadering voorzitten. De kunstgrepen
Vergaderen maakt integraal deel uit van onze overlegcultuur. Toch ergeren we ons vaak aan vergaderingen, omdat ze te lang duren, alle kanten opgaan, niet tot de essentie komen, zonder duidelijke conclusies eindigen,… De oorzaak is meestal het feit dat ze niet goed worden geleid. Als de voorzitter weet hoe je een vergadering goed moet voorzitten, verdwijnt de ergernis als sneeuw voor de zon. Bovendien krijg je ook minder vergaderingen, want een goede voorzitter vergadert enkel als dat nodig is.
Deze leidraad doorloopt alle stappen van de vergadering. Telkens wordt aangegeven welke knepen van het vak de voorzitter het best onder de knie krijgt om een uitstekend voorzitter te worden en daardoor vele vergaderaars het leven aangenamer te maken. Een vergadering voorzitten is veel meer dan gewoon van voren zitten. Tegelijk is het ook geen rocket science. Een goed voorzitter is goud waard, met dit boek bereikt hij het hoogste schavot.
Vincent Mertens studeerde taal- en letterkunde, communicatiewetenschappen
en rechtsgeleerdheid aan de
KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel. University
College Leuven Limburg is zijn werkplek. Al 35 jaar zit
hij vergaderingen voor in de welzijnswereld, het verenigingsleven,
het onderwijs, de politiek, …
Hij is, zoals dat
heet, gepokt en gemazeld in de discipline van het voorzitten.
Slimmer denken. Toolbox vol handige denkpatronen
Dit boek is een toolbox, een gereedschapskist met denkpatronen waarmee je slimmer kunt denken. Het neemt je mee op een verrassende ontdekkingsreis door je eigen denken. Door de aangeboden denkpatronen te gebruiken, leer je veelzijdiger, meer flexibel en creatiever denken.
Je verwerft inzicht in je eigen denkprocessen en in de patronen waarin je vastloopt. Het komt erop aan het eigen denken bewust te sturen en patroondoorbrekende wegen te vinden en aan te wenden om out-off-the-box te denken. Dat laat toe om meteen een grote sprong voorwaarts te zetten.
Creativiteit is niet zo moeilijk als het lijkt, voor wie openstaat voor verruimende inzichten en nieuwe ontwikkelingen. Zien en weten hoe anderen denken heeft vele wederzijdse pluspunten en leidt tot nieuwe invalshoeken. Zeker in teamverband inspireert en prikkelt dit om op zoek te gaan naar onverwachte bronnen van creativiteit en innovatie.
Talrijke voorbeelden maken dit alles concreter en tastbaarder.
Eric Halsberghe is master Economische Wetenschappen. Hij was
onderzoeker aan de Universiteit Gent en docent in het economisch en
technisch hoger onderwijs. Daarna was hij medewerker van het Vlaams
Verbond van Katholieke Hogescholen, waar hij hogescholen begeleidde
bij onder meer professionalisering, curriculumontwikkeling, kwaliteitszorg
en onderwijsinnovatie. Bij de fusie van hogescholen werd hij algemeen
directeur van de Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen.
Hij was ook
bestuurder bij de Vlaamse Hogescholenraad en de Vlaamse Universiteiten
en Hogescholen Raad. In de Associatie KU Leuven was hij bestuurdersecretaris
en voorzitter van de Associatieraad Onderwijs.
Hij is nu bestuurder
bij een scholengroep secundair onderwijs en voor de Nederlands-Vlaamse
Accreditatieorganisatie is hij betrokken bij toetsen nieuwe opleidingen en
instellingsaudits in het hoger onderwijs.
Slimmer denken. Toolbox vol handige denkpatronen
Dit boek is een toolbox, een gereedschapskist met denkpatronen waarmee je slimmer kunt denken. Het neemt je mee op een verrassende ontdekkingsreis door je eigen denken. Door de aangeboden denkpatronen te gebruiken, leer je veelzijdiger, meer flexibel en creatiever denken.
Je verwerft inzicht in je eigen denkprocessen en in de patronen waarin je vastloopt. Het komt erop aan het eigen denken bewust te sturen en patroondoorbrekende wegen te vinden en aan te wenden om out-off-the-box te denken. Dat laat toe om meteen een grote sprong voorwaarts te zetten.
Creativiteit is niet zo moeilijk als het lijkt, voor wie openstaat voor verruimende inzichten en nieuwe ontwikkelingen. Zien en weten hoe anderen denken heeft vele wederzijdse pluspunten en leidt tot nieuwe invalshoeken. Zeker in teamverband inspireert en prikkelt dit om op zoek te gaan naar onverwachte bronnen van creativiteit en innovatie.
Talrijke voorbeelden maken dit alles concreter en tastbaarder.
Eric Halsberghe is master Economische Wetenschappen. Hij was
onderzoeker aan de Universiteit Gent en docent in het economisch en
technisch hoger onderwijs. Daarna was hij medewerker van het Vlaams
Verbond van Katholieke Hogescholen, waar hij hogescholen begeleidde
bij onder meer professionalisering, curriculumontwikkeling, kwaliteitszorg
en onderwijsinnovatie. Bij de fusie van hogescholen werd hij algemeen
directeur van de Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen.
Hij was ook
bestuurder bij de Vlaamse Hogescholenraad en de Vlaamse Universiteiten
en Hogescholen Raad. In de Associatie KU Leuven was hij bestuurdersecretaris
en voorzitter van de Associatieraad Onderwijs.
Hij is nu bestuurder
bij een scholengroep secundair onderwijs en voor de Nederlands-Vlaamse
Accreditatieorganisatie is hij betrokken bij toetsen nieuwe opleidingen en
instellingsaudits in het hoger onderwijs.
Lessen voor zorgverleners. Verteld door heldinnen als Assepoester, Sneeuwwitje en anderen.
Niemand minder dan Einstein zag de intuïtie als heilige gave, waarvan het rationeel denken de dienaar was. Dit terwijl in de samenleving de rollen zo vaak worden omgekeerd en het feitelijke, rationele altijd van rechts komt. Daarmee blijft het bijzondere buiten zicht, ook van het kwetsbare en aangedane leven. Vele vragen bij mentaal kwetsbare mensen zijn vanuit de logica moeilijk of onvoldoende te beantwoorden.
Gelukkig kunnen we ook gebruikmaken van eeuwenoude wijsheden, soms zelfs van voor de jaartelling. Oude verhalen, sprookjes en mythen doen een beroep op onze verbeelding en helpen zo bij lastige vragen die een begeleider in de zorg tegenkomt.
Wie dit boek heeft gelezen, kan niet meer onverschillig naar een sprookje luisteren. De lezer wordt gespitst op diepere betekenissen ervan, en erin vervlochten levenslessen. Ook zal het contact en begeleiden van mensen met dementie of een psychische aandoening voortaan met een magisch randje omgeven zijn.
Weer een juweeltje van Ronald met een speelse vorm (geciteerd uit de recensie in ''Gezond en zeker, 14(2), 23)
Ronald Geelen is psycholoog en gedragstherapeut. Hij werkt bij Thebe in Breda en voor het Centrum voor Consultatie en Expertise in Utrecht. Dementie, psychiatrische problemen en zorginnovatie bij ouderen hebben daarbij vooral zijn aandacht. Hij schreef diverse artikelen in vakbladen en boeken op het gebied van zorg, dementie en communicatie.
Lessen voor zorgverleners. Verteld door heldinnen als Assepoester, Sneeuwwitje en anderen.
Niemand minder dan Einstein zag de intuïtie als heilige gave, waarvan het rationeel denken de dienaar was. Dit terwijl in de samenleving de rollen zo vaak worden omgekeerd en het feitelijke, rationele altijd van rechts komt. Daarmee blijft het bijzondere buiten zicht, ook van het kwetsbare en aangedane leven. Vele vragen bij mentaal kwetsbare mensen zijn vanuit de logica moeilijk of onvoldoende te beantwoorden.
Gelukkig kunnen we ook gebruikmaken van eeuwenoude wijsheden, soms zelfs van voor de jaartelling. Oude verhalen, sprookjes en mythen doen een beroep op onze verbeelding en helpen zo bij lastige vragen die een begeleider in de zorg tegenkomt.
Wie dit boek heeft gelezen, kan niet meer onverschillig naar een sprookje luisteren. De lezer wordt gespitst op diepere betekenissen ervan, en erin vervlochten levenslessen. Ook zal het contact en begeleiden van mensen met dementie of een psychische aandoening voortaan met een magisch randje omgeven zijn.
Weer een juweeltje van Ronald met een speelse vorm (geciteerd uit de recensie in ''Gezond en zeker, 14(2), 23)
Ronald Geelen is psycholoog en gedragstherapeut. Hij werkt bij Thebe in Breda en voor het Centrum voor Consultatie en Expertise in Utrecht. Dementie, psychiatrische problemen en zorginnovatie bij ouderen hebben daarbij vooral zijn aandacht. Hij schreef diverse artikelen in vakbladen en boeken op het gebied van zorg, dementie en communicatie.
Verzwaarde opvoeding en ontwikkeling verlichten
Het aantal kinderen en jongeren in Nederland dat, al dan niet samen met hun ouders, een beroep doet op een vorm van jeugdhulp, is groot. Het gaat om tien tot twintig procent van de minderjarigen. Een zowel wetenschappelijk als maatschappelijk cruciale kwestie is of deze jeugdhulp ook werkt: Slaagt de ingezette hulp erin (zwaar)belaste opvoedingssituaties te verlichten en de positieve ontwikkeling van kwetsbare kinderen te bevorderen? En waarom: Wat speelt zich af in de ‘black box’ van de hulpverlening dat een verklaring biedt voor meer of mindere werkzaamheid?
Deze vragen vormen het hart van het onderzoeksprogramma dat binnen de Afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen onder leiding van de auteur werd en wordt uitgevoerd door de researchgroep Jeugdzorg. Bij zijn afscheid als hoogleraar Orthopedagogiek kijkt Erik Knorth terug op wat er vanuit zijn team in twaalf jaar tijd aan nieuwe inzichten kon worden toegevoegd aan de kennis over de zorg voor jeugd. In deze uitgave doet hij daarvan verslag.
Erik J. Knorth is emeritus hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij heeft vele nationale en internationale publicaties op zijn naam. Hij is hoofdredacteur van het International Journal of Child and Family Welfare.
Verzwaarde opvoeding en ontwikkeling verlichten
Het aantal kinderen en jongeren in Nederland dat, al dan niet samen met hun ouders, een beroep doet op een vorm van jeugdhulp, is groot. Het gaat om tien tot twintig procent van de minderjarigen. Een zowel wetenschappelijk als maatschappelijk cruciale kwestie is of deze jeugdhulp ook werkt: Slaagt de ingezette hulp erin (zwaar)belaste opvoedingssituaties te verlichten en de positieve ontwikkeling van kwetsbare kinderen te bevorderen? En waarom: Wat speelt zich af in de ‘black box’ van de hulpverlening dat een verklaring biedt voor meer of mindere werkzaamheid?
Deze vragen vormen het hart van het onderzoeksprogramma dat binnen de Afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen onder leiding van de auteur werd en wordt uitgevoerd door de researchgroep Jeugdzorg. Bij zijn afscheid als hoogleraar Orthopedagogiek kijkt Erik Knorth terug op wat er vanuit zijn team in twaalf jaar tijd aan nieuwe inzichten kon worden toegevoegd aan de kennis over de zorg voor jeugd. In deze uitgave doet hij daarvan verslag.
Erik J. Knorth is emeritus hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij heeft vele nationale en internationale publicaties op zijn naam. Hij is hoofdredacteur van het International Journal of Child and Family Welfare.
Migraties en interculturele toekomst. Essay.
In dit essay bespreekt de auteur waarom Europa tot in 2050-2060 een in-migratiecontinent zal zijn. Van dan af zal de werelddemografie stagneren. Bij normale groeibewegingen zal Europa binnen 40 jaar 700 miljoen inwoners tellen, onder wie ruim 8% 80-plussers, Afrika 2 miljard 800 miljoen inwoners en Azië 5 miljard 200 miljoen. In de tussenliggende decennia zullen de migraties een mengeling zijn van asiel-, globaliserings-, (laaggeschoolde) verstedelijkings- en ontwikkelingsmigraties die vooral uit Afrika en het Nabije Oosten verstandig gekanaliseerd zullen moeten worden, zodat win-winsituaties worden gerealiseerd.
Voor de integratie zullen overheden moeten uitgaan van inclusie en maatwerk. Onderwijs, veiligheidsbeleid – ook via sociale cohesie – en promotie van ondernemerschap zullen essentieel zijn om te slagen. Het essay sluit af met concrete aanbevelingen voor toekomstig beleid.
Johan Leman, antropoloog, is emeritus hoogleraar aan de KU Leuven. Hij is voorzitter van Foyer – Multi-etnisch werk in Sint-Jans- Molenbeek. Hij was kabinetschef van de Koninklijk Commissaris voor het migrantenbeleid en de eerste directeur van het landelijke Centrum voor Gelijkekansenbeleid en Racismebestrijding, gevestigd in Brussel.
Migraties en interculturele toekomst. Essay.
In dit essay bespreekt de auteur waarom Europa tot in 2050-2060 een in-migratiecontinent zal zijn. Van dan af zal de werelddemografie stagneren. Bij normale groeibewegingen zal Europa binnen 40 jaar 700 miljoen inwoners tellen, onder wie ruim 8% 80-plussers, Afrika 2 miljard 800 miljoen inwoners en Azië 5 miljard 200 miljoen. In de tussenliggende decennia zullen de migraties een mengeling zijn van asiel-, globaliserings-, (laaggeschoolde) verstedelijkings- en ontwikkelingsmigraties die vooral uit Afrika en het Nabije Oosten verstandig gekanaliseerd zullen moeten worden, zodat win-winsituaties worden gerealiseerd.
Voor de integratie zullen overheden moeten uitgaan van inclusie en maatwerk. Onderwijs, veiligheidsbeleid – ook via sociale cohesie – en promotie van ondernemerschap zullen essentieel zijn om te slagen. Het essay sluit af met concrete aanbevelingen voor toekomstig beleid.
Johan Leman, antropoloog, is emeritus hoogleraar aan de KU Leuven. Hij is voorzitter van Foyer – Multi-etnisch werk in Sint-Jans- Molenbeek. Hij was kabinetschef van de Koninklijk Commissaris voor het migrantenbeleid en de eerste directeur van het landelijke Centrum voor Gelijkekansenbeleid en Racismebestrijding, gevestigd in Brussel.
Van de Verlichting tot religieus terrorisme. Een psycho-educatieve visie.
Stan Maes studeerde psychologie en pedagogiek aan de Universiteit Gent, waar hij ook zijn doctorstitel behaalde. Hij is emeritus hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden, waar hij ook decaan was van de Faculteit Sociale en Gedragswetenschappen. Naast zijn wetenschappelijke expertise op het terrein van gezondheidsbevordering en psychologische aspecten van chronische ziekten, ontwikkelde hij op basis van zijn internationale ervaring ook een bijzondere belangstelling voor interculturele communicatie en crossculturele gedragsaspecten.
Voor het jaar 2016 was Stan Maes benoemd op de wisselleerstoel Willy Calewaert, gevestigd door de vzw ‘De Mens Nu’ aan de Vrije Universiteit Brussel. De colleges die hij verzorgde, vormden de basis voor dit boek. Hij gaat daarbij uit van vragen als: Wat hebben we geleerd van de belangrijkste verlichte denkers? Wat zijn de belangrijkste gevolgen van de Verlichting voor onze westerse samenleving en wat is de kritiek op de Verlichting?
Hij bespreekt ook de verdere ontwikkeling van het westers mensbeeld op basis van de persoonlijkheids- en de sociale psychologie en komt zo tot fundamentele menselijke doelen en sociale motieven die de basis vormen van onze samenleving. Hij benadrukt daarbij ook de invloed van cultuur op waarden en normen en toont aan dat een bepaalde culturele achtergrond kan leiden tot vooroordelen, discriminatie en antisociaal gedrag ten opzichte van mensen met een andere overtuiging of cultuur. Op basis hiervan worden huidige uitdagingen voor verlichtingsideeën vanuit een psycho-educatieve visie besproken, zoals het moderne nationalisme, migratie en culturele integratie, terrorisme en confrontatie met de islam. Tot slot wordt de vraag beantwoord of mensen die leven in een land dat verlichtingsprincipes respecteert, ook gelukkiger zijn.
Van de Verlichting tot religieus terrorisme. Een psycho-educatieve visie.
Stan Maes studeerde psychologie en pedagogiek aan de Universiteit Gent, waar hij ook zijn doctorstitel behaalde. Hij is emeritus hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden, waar hij ook decaan was van de Faculteit Sociale en Gedragswetenschappen. Naast zijn wetenschappelijke expertise op het terrein van gezondheidsbevordering en psychologische aspecten van chronische ziekten, ontwikkelde hij op basis van zijn internationale ervaring ook een bijzondere belangstelling voor interculturele communicatie en crossculturele gedragsaspecten.
Voor het jaar 2016 was Stan Maes benoemd op de wisselleerstoel Willy Calewaert, gevestigd door de vzw ‘De Mens Nu’ aan de Vrije Universiteit Brussel. De colleges die hij verzorgde, vormden de basis voor dit boek. Hij gaat daarbij uit van vragen als: Wat hebben we geleerd van de belangrijkste verlichte denkers? Wat zijn de belangrijkste gevolgen van de Verlichting voor onze westerse samenleving en wat is de kritiek op de Verlichting?
Hij bespreekt ook de verdere ontwikkeling van het westers mensbeeld op basis van de persoonlijkheids- en de sociale psychologie en komt zo tot fundamentele menselijke doelen en sociale motieven die de basis vormen van onze samenleving. Hij benadrukt daarbij ook de invloed van cultuur op waarden en normen en toont aan dat een bepaalde culturele achtergrond kan leiden tot vooroordelen, discriminatie en antisociaal gedrag ten opzichte van mensen met een andere overtuiging of cultuur. Op basis hiervan worden huidige uitdagingen voor verlichtingsideeën vanuit een psycho-educatieve visie besproken, zoals het moderne nationalisme, migratie en culturele integratie, terrorisme en confrontatie met de islam. Tot slot wordt de vraag beantwoord of mensen die leven in een land dat verlichtingsprincipes respecteert, ook gelukkiger zijn.
Nieuw leven. Over verlangen, vervulling, verlies en goede zorg.Catharina-reeks, nr. 7)
Na 19 jaar wordt Koen Jordens opnieuw vader. Mieke Geyskens is de gynaecoloog die tijdens haar opleiding tot medisch specialist de geboorte van zijn eerste kind begeleidde. Nu zal zij opnieuw de bevalling ‘doen’. Tijdens de zwangerschap raken ze met elkaar in gesprek over levenservaring, werkbeleving en betekenisgeving. Hoe beleeft een dokter die zelf ook moeder is, verwachting en nieuw leven? Hoe gaat ze om met de broosheid van het leven, met kwetsbaarheid en verlies? Wat betekent voor haar de relatie arts-patiënt, die soms oppervlakkig en functioneel is, maar die ook heel indringend en intens kan zijn? Wat maakt haar werk bijzonder, wat daagt haar uit? Welke mensen blijven haar bij? En wordt ze, net als de aanstaande moeder en vader, ook zo geroerd door het beeld van die eerste echo?
Koen Jordens tekende het verhaal van Mieke Geyskens op. Het gaat over nieuw leven, over verlangen, vervulling, verlies én goede zorg. Zorgverleners en ervaringsdeskundigen reageren vervolgens op haar verhaal. Zodoende is dit boek niet alleen het aansprekende verhaal van een dokter, het gaat evenzeer over kwaliteit van zorg en over de rol van de zorgverlener.
Mieke Geyskens, gynaecoloog, is diensthoofd Gynaecologie en Verloskunde in het
AZ Herentals.
Koen Jordens is geestelijk verzorger en specialistmanager Geestelijke verzorging &
Ethiek in het Catharina Ziekenhuis Eindhoven.
Nieuw leven. Over verlangen, vervulling, verlies en goede zorg.Catharina-reeks, nr. 7)
Na 19 jaar wordt Koen Jordens opnieuw vader. Mieke Geyskens is de gynaecoloog die tijdens haar opleiding tot medisch specialist de geboorte van zijn eerste kind begeleidde. Nu zal zij opnieuw de bevalling ‘doen’. Tijdens de zwangerschap raken ze met elkaar in gesprek over levenservaring, werkbeleving en betekenisgeving. Hoe beleeft een dokter die zelf ook moeder is, verwachting en nieuw leven? Hoe gaat ze om met de broosheid van het leven, met kwetsbaarheid en verlies? Wat betekent voor haar de relatie arts-patiënt, die soms oppervlakkig en functioneel is, maar die ook heel indringend en intens kan zijn? Wat maakt haar werk bijzonder, wat daagt haar uit? Welke mensen blijven haar bij? En wordt ze, net als de aanstaande moeder en vader, ook zo geroerd door het beeld van die eerste echo?
Koen Jordens tekende het verhaal van Mieke Geyskens op. Het gaat over nieuw leven, over verlangen, vervulling, verlies én goede zorg. Zorgverleners en ervaringsdeskundigen reageren vervolgens op haar verhaal. Zodoende is dit boek niet alleen het aansprekende verhaal van een dokter, het gaat evenzeer over kwaliteit van zorg en over de rol van de zorgverlener.
Mieke Geyskens, gynaecoloog, is diensthoofd Gynaecologie en Verloskunde in het
AZ Herentals.
Koen Jordens is geestelijk verzorger en specialistmanager Geestelijke verzorging &
Ethiek in het Catharina Ziekenhuis Eindhoven.
Kind in gevaar: reden tot uithuisplaatsing? De vereniging Tot Steun als zorgverlener in een veranderende wereld van de kinderbescherming en jeugdzorg 1886-1998
De kinderbescherming begon officieel in 1905. Kinderen die daarin belandden, kwamen doorgaans terecht in een ‘gesticht’ of pleeggezin. Uithuisplaatsing was tot ver in de twintigste eeuw heel gewoon. De laatste twintig jaar komen daarover de verhalen los. Vele ervan zijn gekleurd door mishandeling en misbruik. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dit is een vraag naar het functioneren van de kinderbescherming in de praktijk. Wat gebeurde er met een kind als dit was aangemeld? Hoe zorgvuldig ging men daarbij te werk? Hoe was de controle op pleeggezinnen en tehuizen? Konden kinderen met hun klachten ergens terecht en klaagden ze wel?
Dergelijke vragen zijn te beantwoorden door onderzoek van voogdijverenigingen. Die waren immers verantwoordelijk voor de zorg nadat een rechter uitspraak had gedaan. Een van die verenigingen was Tot Steun voor Verwaarloosden en Gevallenen, opgericht in 1886. Uniek archiefmateriaal, zoals pupillendossiers en verslagen van vergaderingen over pupillen, geven een inkijk in de wijze waarop beslissingen over kinderen werden genomen en hoe met hun vragen en problemen werd omgegaan.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is historisch pedagoog. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciaal onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze over de geschiedenis van dyslexie in het Nederlandse onderwijs (2016) en in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).
Kind in gevaar: reden tot uithuisplaatsing? De vereniging Tot Steun als zorgverlener in een veranderende wereld van de kinderbescherming en jeugdzorg 1886-1998
De kinderbescherming begon officieel in 1905. Kinderen die daarin belandden, kwamen doorgaans terecht in een ‘gesticht’ of pleeggezin. Uithuisplaatsing was tot ver in de twintigste eeuw heel gewoon. De laatste twintig jaar komen daarover de verhalen los. Vele ervan zijn gekleurd door mishandeling en misbruik. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dit is een vraag naar het functioneren van de kinderbescherming in de praktijk. Wat gebeurde er met een kind als dit was aangemeld? Hoe zorgvuldig ging men daarbij te werk? Hoe was de controle op pleeggezinnen en tehuizen? Konden kinderen met hun klachten ergens terecht en klaagden ze wel?
Dergelijke vragen zijn te beantwoorden door onderzoek van voogdijverenigingen. Die waren immers verantwoordelijk voor de zorg nadat een rechter uitspraak had gedaan. Een van die verenigingen was Tot Steun voor Verwaarloosden en Gevallenen, opgericht in 1886. Uniek archiefmateriaal, zoals pupillendossiers en verslagen van vergaderingen over pupillen, geven een inkijk in de wijze waarop beslissingen over kinderen werden genomen en hoe met hun vragen en problemen werd omgegaan.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is historisch pedagoog. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciaal onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze over de geschiedenis van dyslexie in het Nederlandse onderwijs (2016) en in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).
Een haalbare weg naar succesvolle samenwerking.
Als managementhypes niet meer werken en managementmodellen te ingewikkeld zijn om te begrijpen, als teamtrainingen niet het gewenste resultaat opleveren en teambuildingactiviteiten falen, als de energie in een team langs ramen en deuren naar buiten stroomt en de huis-, tuin- en keukencommunicatie niet meer volstaat om te kunnen horen hoe lastig het allemaal is, dan is het tijd om de wereld op zijn kop te zetten.
Dat is precies wat de auteur doet. In dit boek presenteert ze de inzichten en de kaders om een haalbare weg te vinden naar een succesvolle en aangename samenwerking. Het boek is een praktijkverhaal van een leidinggevende die het beeld van de harmonische samenwerking als bereikbaar doel verlaat en werkt met visies, relaties en situaties die permanent uit balans blijken te zijn. Ze focust op wat er tussen mensen gebeurt als ze elkaar ontmoeten en moeten gaan samenwerken. Het boek is bedoeld voor iedereen die een inspanning levert om in teamverband taakgericht te werken. Leidinggevenden zullen hun vakbekwaamheid verhogen en de vitaliteit, de performantie en het welbevinden van hun teamleden aansterken.
Greet Van Zeir heeft een jarenlange ervaring als leidinggevende en teamcoach. Ze is gecertificeerd in algemeen management en leiderschaps- en teamontwikkeling vanuit een systeem- en communicatietheoretisch perspectief. Ze is alumnus van het International Professional Development Programme ‘Leading meaningful change’. Als zaakvoerder van I-SHIFT, gevestigd in Brugge, is ze gespecialiseerd in het begeleiden van moeilijk lopende samenwerkingsprocessen in teams en organisaties.
Een haalbare weg naar succesvolle samenwerking.
Als managementhypes niet meer werken en managementmodellen te ingewikkeld zijn om te begrijpen, als teamtrainingen niet het gewenste resultaat opleveren en teambuildingactiviteiten falen, als de energie in een team langs ramen en deuren naar buiten stroomt en de huis-, tuin- en keukencommunicatie niet meer volstaat om te kunnen horen hoe lastig het allemaal is, dan is het tijd om de wereld op zijn kop te zetten.
Dat is precies wat de auteur doet. In dit boek presenteert ze de inzichten en de kaders om een haalbare weg te vinden naar een succesvolle en aangename samenwerking. Het boek is een praktijkverhaal van een leidinggevende die het beeld van de harmonische samenwerking als bereikbaar doel verlaat en werkt met visies, relaties en situaties die permanent uit balans blijken te zijn. Ze focust op wat er tussen mensen gebeurt als ze elkaar ontmoeten en moeten gaan samenwerken. Het boek is bedoeld voor iedereen die een inspanning levert om in teamverband taakgericht te werken. Leidinggevenden zullen hun vakbekwaamheid verhogen en de vitaliteit, de performantie en het welbevinden van hun teamleden aansterken.
Greet Van Zeir heeft een jarenlange ervaring als leidinggevende en teamcoach. Ze is gecertificeerd in algemeen management en leiderschaps- en teamontwikkeling vanuit een systeem- en communicatietheoretisch perspectief. Ze is alumnus van het International Professional Development Programme ‘Leading meaningful change’. Als zaakvoerder van I-SHIFT, gevestigd in Brugge, is ze gespecialiseerd in het begeleiden van moeilijk lopende samenwerkingsprocessen in teams en organisaties.
Spel van replicatoren. Evolutietheorie als aansporing tot bescheidenheid.
Dit boek is bedoeld voor lezers die niet hoeven te worden overtuigd van de juistheid van de evolutietheorie. Darwin had ongetwijfeld gelijk. Maar hebben we het darwinisme ook grondig doordacht als iets wat echt bij ons hoort? De auteur nodigt uit om naar antwoorden te zoeken op de vraag: ‘Wat betekent de evolutietheorie nu eigenlijk voor wat ik van mijzelf en van anderen mag verwachten?’
De titel Spel van replicatoren verwijst naar de genen en memen die ons gedrag en onze mogelijkheden voor een belangrijk deel determineren. Genen erf je van je ouders; ze bestemmen ons tot passanten die biologische eigenschappen doorgeven in een evolutionair proces dat al 3,8 miljard jaar aan de gang is. Memen zijn ideeën die zich grotendeels onbewust in ons brein nestelen via leerprocessen en imitatie; ze bestemmen ons tot doorgevers van culturele kenmerken in een evolutionair proces dat slechts enkele miljoenen jaren geleden een aanvang nam.
Een consequent darwinistische interpretatie van deze processen zou kunnen leiden tot matiging van ambitieuze pretenties voor de menselijke soort. We zijn minder vrij dan we onszelf graag wijsmaken.
Sikko Argelo is Delfts ingenieur toegepaste wiskunde. Na een loopbaan in de informatica besloot hij tot een switch naar de filosofie. Hij voltooide een academisch programma filosofie aan de Open Universiteit in Eindhoven en participeert sindsdien in wijsgerige lees- en praatgroepen. Daarbij heeft hij zich vooral verdiept in het evolutionaire naturalisme.
Spel van replicatoren. Evolutietheorie als aansporing tot bescheidenheid.
Dit boek is bedoeld voor lezers die niet hoeven te worden overtuigd van de juistheid van de evolutietheorie. Darwin had ongetwijfeld gelijk. Maar hebben we het darwinisme ook grondig doordacht als iets wat echt bij ons hoort? De auteur nodigt uit om naar antwoorden te zoeken op de vraag: ‘Wat betekent de evolutietheorie nu eigenlijk voor wat ik van mijzelf en van anderen mag verwachten?’
De titel Spel van replicatoren verwijst naar de genen en memen die ons gedrag en onze mogelijkheden voor een belangrijk deel determineren. Genen erf je van je ouders; ze bestemmen ons tot passanten die biologische eigenschappen doorgeven in een evolutionair proces dat al 3,8 miljard jaar aan de gang is. Memen zijn ideeën die zich grotendeels onbewust in ons brein nestelen via leerprocessen en imitatie; ze bestemmen ons tot doorgevers van culturele kenmerken in een evolutionair proces dat slechts enkele miljoenen jaren geleden een aanvang nam.
Een consequent darwinistische interpretatie van deze processen zou kunnen leiden tot matiging van ambitieuze pretenties voor de menselijke soort. We zijn minder vrij dan we onszelf graag wijsmaken.
Sikko Argelo is Delfts ingenieur toegepaste wiskunde. Na een loopbaan in de informatica besloot hij tot een switch naar de filosofie. Hij voltooide een academisch programma filosofie aan de Open Universiteit in Eindhoven en participeert sindsdien in wijsgerige lees- en praatgroepen. Daarbij heeft hij zich vooral verdiept in het evolutionaire naturalisme.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar. Halve eeuw op zoek naar een eigen(zinnige) pedagogie.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar biedt de gelegenheid om de ontwikkeling en wijziging van het pedagogisch regime in een jeugdhulpvoorziening te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is een weinig betreden terrein in de pedagogiek. Toch ligt hier een schat aan onderzoeksmateriaal om de ontwikkeling van pedagogisch handelen te begrijpen en te duiden. De zoektocht naar een eigen(zinnige) pedagogie wordt in verband gebracht met de jeugdhulpregimes van de Wet op de Jeugdbescherming (1965), van de decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990) en van de Integrale Jeugdhulp (2013).
Sociaal-pedagogisch onderzoek is niet neutraal: vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar mondt uit in een pleidooi om de jeugdhulp op te vatten als communicatieve opbouw van jeugdhulp en niet als toepassing van hulpverleningsvoorschriften. Betekenis geven aan sociale grondrechten wordt dan een rode draad in de dagelijkse praktijk van de jeugdhulp.
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar. Halve eeuw op zoek naar een eigen(zinnige) pedagogie.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar biedt de gelegenheid om de ontwikkeling en wijziging van het pedagogisch regime in een jeugdhulpvoorziening te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is een weinig betreden terrein in de pedagogiek. Toch ligt hier een schat aan onderzoeksmateriaal om de ontwikkeling van pedagogisch handelen te begrijpen en te duiden. De zoektocht naar een eigen(zinnige) pedagogie wordt in verband gebracht met de jeugdhulpregimes van de Wet op de Jeugdbescherming (1965), van de decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990) en van de Integrale Jeugdhulp (2013).
Sociaal-pedagogisch onderzoek is niet neutraal: vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar mondt uit in een pleidooi om de jeugdhulp op te vatten als communicatieve opbouw van jeugdhulp en niet als toepassing van hulpverleningsvoorschriften. Betekenis geven aan sociale grondrechten wordt dan een rode draad in de dagelijkse praktijk van de jeugdhulp.
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Onderzocht en ondervonden. Over de wetten van de passies / Met voorwoord van Arnon Grunberg
Filosofie is rationeel op zoek gaan naar de waarheid: van het zijn, het weten, de geest, het goede, het rechtvaardige, het schone enzovoort. Al redenerend, nu eens in redetwist, dan in dialoog met anderen, ontwikkelt de filosofie hierover een oorspronkelijk denken.
Psychoanalyse probeert van haar kant mensen in voeling te brengen met de eigen waarheid. Ze streeft naar waarachtigheid door te onderzoeken en te ondervinden wat zich in de levende ontmoeting afspeelt. Het hare is niet het domein van de waarheid, maar van waarheden.
In dit boek wordt geanalyseerd en gefilosofeerd over drift, seks, trauma, passie, geweld, creativiteit, oorlog en kunst. Bij wijze van schrijven, wordt er bewogen tussen de kunst van de rede en de wetten van de passies.
Arnon Grunberg in zijn voorwoord: ‘Ik wens Kinet veel lezers toe’.
Mark Kinet is psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus. Hij is auteur van Freud & co in de psychiatrie. Klinisch psychotherapeutisch perspectief (2006), De wetenschap van de liefde en de kunst van de computeranalyse (2008), Psychopathologie van het hedendaags leven (2013) en Psychologie van de kunst. Een abecedarium (2013).
Onderzocht en ondervonden. Over de wetten van de passies / Met voorwoord van Arnon Grunberg
Filosofie is rationeel op zoek gaan naar de waarheid: van het zijn, het weten, de geest, het goede, het rechtvaardige, het schone enzovoort. Al redenerend, nu eens in redetwist, dan in dialoog met anderen, ontwikkelt de filosofie hierover een oorspronkelijk denken.
Psychoanalyse probeert van haar kant mensen in voeling te brengen met de eigen waarheid. Ze streeft naar waarachtigheid door te onderzoeken en te ondervinden wat zich in de levende ontmoeting afspeelt. Het hare is niet het domein van de waarheid, maar van waarheden.
In dit boek wordt geanalyseerd en gefilosofeerd over drift, seks, trauma, passie, geweld, creativiteit, oorlog en kunst. Bij wijze van schrijven, wordt er bewogen tussen de kunst van de rede en de wetten van de passies.
Arnon Grunberg in zijn voorwoord: ‘Ik wens Kinet veel lezers toe’.
Mark Kinet is psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus. Hij is auteur van Freud & co in de psychiatrie. Klinisch psychotherapeutisch perspectief (2006), De wetenschap van de liefde en de kunst van de computeranalyse (2008), Psychopathologie van het hedendaags leven (2013) en Psychologie van de kunst. Een abecedarium (2013).
Tussen repressie en provocatie. Geschiedenis van de homo- en lesbische emancipatie in Eindhoven 1948-1990.
Tussen 1948 en 1990 liggen bijna veertig jaar. Een periode waarin in Eindhoven zich grotendeels het proces van emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen voltrok. Van repressie in de jaren veertig en vijftig, waarin de Eindhovense Zedenpolitie homoseksualiteit actief ‘bestreed’, via een periode van voorzichtige zelforganisatie in de jaren zestig en zeventig naar een periode van openlijke homoseksualiteit en provocatie in de jaren tachtig naar de erkenning van de homoseksuele en lesbische burgers door de gemeentelijke overheid in 1990, toen de gemeenteraad een integraal emancipatiebeleid voor homoseksuele mannen en lesbische vrouwen vaststelde.
Dit boek gaat over dit proces, waarin veel Eindhovense mannen en vrouwen actief hebben deelgenomen en zo hun eigen emancipatie mede hebben mogelijk gemaakt. Het is vooral een verhaal van mensen, die uitdrukking wilden kunnen geven aan hun eigen seksualiteit. Zij gingen daarvoor over grenzen, in zichzelf en van de samenleving als geheel, soms met kleine stapjes en soms in sneltreinvaart. Uiteindelijk heeft dit tot een mentaliteitsverandering ten opzichte van seksualiteit, sekse en sekserollen in de samenleving als geheel geleid, die met onder meer in 2001 de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van gelijk geslacht.
Aan dit boek is ook een documentaire verbonden met onder andere filmmateriaal uit de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig.
Luc Brants is cultureel antropoloog en glazenier. Hij publiceerde eerder over onder meer het ontstaan van de ambulante zorg voor mensen met een beperking in de samenleving. Hij werkte met nieuwkomers in Nederland en rondom de relatie tussen homoseksualiteit en de multiculturele samenleving.
Het COC Eindhoven en regio is sinds 1962 de oudste zelforganisatie in Eindhoven rondom vraagstukken van seksualiteit, sekse- en genderrollen.
Tussen repressie en provocatie. Geschiedenis van de homo- en lesbische emancipatie in Eindhoven 1948-1990.
Tussen 1948 en 1990 liggen bijna veertig jaar. Een periode waarin in Eindhoven zich grotendeels het proces van emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen voltrok. Van repressie in de jaren veertig en vijftig, waarin de Eindhovense Zedenpolitie homoseksualiteit actief ‘bestreed’, via een periode van voorzichtige zelforganisatie in de jaren zestig en zeventig naar een periode van openlijke homoseksualiteit en provocatie in de jaren tachtig naar de erkenning van de homoseksuele en lesbische burgers door de gemeentelijke overheid in 1990, toen de gemeenteraad een integraal emancipatiebeleid voor homoseksuele mannen en lesbische vrouwen vaststelde.
Dit boek gaat over dit proces, waarin veel Eindhovense mannen en vrouwen actief hebben deelgenomen en zo hun eigen emancipatie mede hebben mogelijk gemaakt. Het is vooral een verhaal van mensen, die uitdrukking wilden kunnen geven aan hun eigen seksualiteit. Zij gingen daarvoor over grenzen, in zichzelf en van de samenleving als geheel, soms met kleine stapjes en soms in sneltreinvaart. Uiteindelijk heeft dit tot een mentaliteitsverandering ten opzichte van seksualiteit, sekse en sekserollen in de samenleving als geheel geleid, die met onder meer in 2001 de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van gelijk geslacht.
Aan dit boek is ook een documentaire verbonden met onder andere filmmateriaal uit de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig.
Luc Brants is cultureel antropoloog en glazenier. Hij publiceerde eerder over onder meer het ontstaan van de ambulante zorg voor mensen met een beperking in de samenleving. Hij werkte met nieuwkomers in Nederland en rondom de relatie tussen homoseksualiteit en de multiculturele samenleving.
Het COC Eindhoven en regio is sinds 1962 de oudste zelforganisatie in Eindhoven rondom vraagstukken van seksualiteit, sekse- en genderrollen.
Institutionalisering van een pedagogische paradox. Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013.
De jeugdhulp in Vlaanderen vandaag wordt opgebouwd op fundamenten die ontworpen werden in de 19e eeuw, in de context van de nieuwe Belgische natiestaat. In de loop van de 19e eeuw ontstaat de overtuiging dat sociale problemen verholpen en vermeden kunnen worden, door tussen beide te komen in de opvoeding van kinderen. Die opvatting bouwt verder op de pedagogische paradox in de klassieke opvatting over de functie van opvoeding: opvoeding in de privésfeer dient de publieke functie van het gepaste burgerschapsideaal te realiseren. De geschiedenis van de jeugdzorg laat zich lezen als de institutionalisering van deze pedagogische paradox, terwijl tegelijk het bereik van de jeugdzorg exponentieel uitbreidt. In die uitbreiding van de jeugdzorg is een sociale logica aan het werk, waarin de confrontatie aangegaan wordt tussen opvoedingssituaties “achter de voordeur” met maatschappelijke, openbaar vertolkte verwachtingen jegens de opvoeding van kinderen. Die confrontatie wordt aangegaan via de tussenkomst van personen die daartoe gemandateerd werden. Ook de professionalisering van de jeugdzorg neemt door de geschiedenis heen exponentieel toe.
Dit sociaal-pedagogisch perspectief leidt tot een kritische behandeling van het regime onder de Wet op de Kinderbescherming (1912), de Wet op de Jeugdbescherming (1965), de Decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990), het Decreet inzake de Integrale Jeugdhulp (2013). De verwevenheid van pedagogische paradox en sociale logica wordt in elk stelsel verder verfijnd.
De jeugdhulp heeft in die verwevenheid gestalte gegeven aan sociaal beleid, in de context van de zich ontwikkelende democratische welvaartsstaat. Merkwaardig is het dan ook dat het ingrijpen in de opvoeding, vooral vanuit de ongeargumenteerde noodzaak tot ingrijpen werd ingezet.
Hierin schemert tegelijk de zorg om de samenleving te beschermen door, en tegelijk de zorg aan kinderen een recht op goede opvoeding toe te verlenen. Door de verwijzing naar sociale grondrechten in de integrale Jeugdhulp vandaag, staat de jeugdhulp voor de opgave op een communicatieve manier vorm te geven aan haar tussenkomsten, door vatbaar te blijven voor de vraag waarom?
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Institutionalisering van een pedagogische paradox. Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013.
De jeugdhulp in Vlaanderen vandaag wordt opgebouwd op fundamenten die ontworpen werden in de 19e eeuw, in de context van de nieuwe Belgische natiestaat. In de loop van de 19e eeuw ontstaat de overtuiging dat sociale problemen verholpen en vermeden kunnen worden, door tussen beide te komen in de opvoeding van kinderen. Die opvatting bouwt verder op de pedagogische paradox in de klassieke opvatting over de functie van opvoeding: opvoeding in de privésfeer dient de publieke functie van het gepaste burgerschapsideaal te realiseren. De geschiedenis van de jeugdzorg laat zich lezen als de institutionalisering van deze pedagogische paradox, terwijl tegelijk het bereik van de jeugdzorg exponentieel uitbreidt. In die uitbreiding van de jeugdzorg is een sociale logica aan het werk, waarin de confrontatie aangegaan wordt tussen opvoedingssituaties “achter de voordeur” met maatschappelijke, openbaar vertolkte verwachtingen jegens de opvoeding van kinderen. Die confrontatie wordt aangegaan via de tussenkomst van personen die daartoe gemandateerd werden. Ook de professionalisering van de jeugdzorg neemt door de geschiedenis heen exponentieel toe.
Dit sociaal-pedagogisch perspectief leidt tot een kritische behandeling van het regime onder de Wet op de Kinderbescherming (1912), de Wet op de Jeugdbescherming (1965), de Decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990), het Decreet inzake de Integrale Jeugdhulp (2013). De verwevenheid van pedagogische paradox en sociale logica wordt in elk stelsel verder verfijnd.
De jeugdhulp heeft in die verwevenheid gestalte gegeven aan sociaal beleid, in de context van de zich ontwikkelende democratische welvaartsstaat. Merkwaardig is het dan ook dat het ingrijpen in de opvoeding, vooral vanuit de ongeargumenteerde noodzaak tot ingrijpen werd ingezet.
Hierin schemert tegelijk de zorg om de samenleving te beschermen door, en tegelijk de zorg aan kinderen een recht op goede opvoeding toe te verlenen. Door de verwijzing naar sociale grondrechten in de integrale Jeugdhulp vandaag, staat de jeugdhulp voor de opgave op een communicatieve manier vorm te geven aan haar tussenkomsten, door vatbaar te blijven voor de vraag waarom?
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Geloven in Jezus Christus: waarom niet? Een zinvol leven met toekomst! (Fracarita-reeks, nr. 8)
Het toenemende geweld, de labiele financiële, economische en politieke toestand en de recente immigratiestromen in onze westerse samenleving leiden bij vele tijdgenoten tot vertwijfeling en angst voor de toekomst. In plaats van een leven vanuit angst, wanhoop en valse zekerheden nodigt Christus ook vandaag elke mens uit om samen met Hem de weg van geloof, liefde en hoop te bewandelen. Een leven op basis van deze drie goddelijke deugden is een zinvol en gelukkig leven met toekomst. Daarvoor staat Jezus Christus zelf garant.
Dit boek wil de lezer Jezus Christus beter leren kennen en het geloof in Hem laten groeien om steeds meer volgens de Geest van Jezus Christus te kunnen leven. Met het oog op een vruchtbare dialoog tussen alle mensen van goede wil reiken de teksten aspecten van een christelijke spiritualiteit aan, die mensen kunnen verbinden veeleer dan hen te scheiden.
Het boek is gebaseerd op twee essays van Fernand Van Neste s.J: ‘Over hoop. Hoe ver reikt de hoop die het evangelie ons brengt?’ (Kerk en Wereld, 2009) en ‘Geloven in Jezus Christus, hoe kom je ertoe? Wat heb je eraan’ (Halewijn, 2011). Redacteur Marc Keuleneer heeft uit deze publicaties de essentiële grondgedachten tot een nieuw geheel verwerkt.
Fernand Van Neste s.J. is emeritus hoogleraar aan de Faculteit
Rechten van de Universiteit Antwerpen. Hij is auteur
van juridische publicaties en van tal van artikels over
thema’s in het grensgebied tussen recht, bio-ethiek en medische
ethiek. Tot 2012 was hij ook lid van de Controle- en
Evaluatiecommissie Euthanasie.
Marc Keuleneer studeerde rechten en kerkelijk recht aan de
Universiteit Antwerpen en de KU Leuven. Hij was docent
recht en godsdienst aan de Thomas More Hogeschool in
Antwerpen en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit
Antwerpen. Sinds 2005 is hij algemeen directeur
van Vormingscentrum Guislain - Broeders van Liefde in
Gent.
Geloven in Jezus Christus: waarom niet? Een zinvol leven met toekomst! (Fracarita-reeks, nr. 8)
Het toenemende geweld, de labiele financiële, economische en politieke toestand en de recente immigratiestromen in onze westerse samenleving leiden bij vele tijdgenoten tot vertwijfeling en angst voor de toekomst. In plaats van een leven vanuit angst, wanhoop en valse zekerheden nodigt Christus ook vandaag elke mens uit om samen met Hem de weg van geloof, liefde en hoop te bewandelen. Een leven op basis van deze drie goddelijke deugden is een zinvol en gelukkig leven met toekomst. Daarvoor staat Jezus Christus zelf garant.
Dit boek wil de lezer Jezus Christus beter leren kennen en het geloof in Hem laten groeien om steeds meer volgens de Geest van Jezus Christus te kunnen leven. Met het oog op een vruchtbare dialoog tussen alle mensen van goede wil reiken de teksten aspecten van een christelijke spiritualiteit aan, die mensen kunnen verbinden veeleer dan hen te scheiden.
Het boek is gebaseerd op twee essays van Fernand Van Neste s.J: ‘Over hoop. Hoe ver reikt de hoop die het evangelie ons brengt?’ (Kerk en Wereld, 2009) en ‘Geloven in Jezus Christus, hoe kom je ertoe? Wat heb je eraan’ (Halewijn, 2011). Redacteur Marc Keuleneer heeft uit deze publicaties de essentiële grondgedachten tot een nieuw geheel verwerkt.
Fernand Van Neste s.J. is emeritus hoogleraar aan de Faculteit
Rechten van de Universiteit Antwerpen. Hij is auteur
van juridische publicaties en van tal van artikels over
thema’s in het grensgebied tussen recht, bio-ethiek en medische
ethiek. Tot 2012 was hij ook lid van de Controle- en
Evaluatiecommissie Euthanasie.
Marc Keuleneer studeerde rechten en kerkelijk recht aan de
Universiteit Antwerpen en de KU Leuven. Hij was docent
recht en godsdienst aan de Thomas More Hogeschool in
Antwerpen en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit
Antwerpen. Sinds 2005 is hij algemeen directeur
van Vormingscentrum Guislain - Broeders van Liefde in
Gent.
Jaarboek KMSKA 2013-2014
At various points over the course of the 20th century, the Belgian State and its various ministries and provinces consciously chose to subsidise not only the fine arts but also the applied and decorative arts, and in particular the art of weaving tapestry. On the one hand, orders were placed for World Exhibitions and for Belgian embassies, and on the other competitions were held for tapestries to be hung in important locations such as the United Nations and NATO headquarters, and the exhibitions that were organized by the various ministries over the years. They provided an overview of the ways in which this branch of the arts was changing as well as representative work by the best tapestry designers. The exhibitions organized by the provincial authorities give quite a different image. There were the highly conventional exhibitions of Brabantine tapestries to promote the craftsmanship of the province and there were the more innovative textile exhibitions.
Taken as a whole, the commissions, competitions and exhibitions give a good overview of what was happening in Belgium in the field of tapestry over the period 1945-1980. They also make it clear what image was being projected abroad: that of a country with rich traditions, master craftsmanship in weaving, and in the 1970s some affiliation to the latest developments in European textile art.
Jaarboek KMSKA 2013-2014
At various points over the course of the 20th century, the Belgian State and its various ministries and provinces consciously chose to subsidise not only the fine arts but also the applied and decorative arts, and in particular the art of weaving tapestry. On the one hand, orders were placed for World Exhibitions and for Belgian embassies, and on the other competitions were held for tapestries to be hung in important locations such as the United Nations and NATO headquarters, and the exhibitions that were organized by the various ministries over the years. They provided an overview of the ways in which this branch of the arts was changing as well as representative work by the best tapestry designers. The exhibitions organized by the provincial authorities give quite a different image. There were the highly conventional exhibitions of Brabantine tapestries to promote the craftsmanship of the province and there were the more innovative textile exhibitions.
Taken as a whole, the commissions, competitions and exhibitions give a good overview of what was happening in Belgium in the field of tapestry over the period 1945-1980. They also make it clear what image was being projected abroad: that of a country with rich traditions, master craftsmanship in weaving, and in the 1970s some affiliation to the latest developments in European textile art.
Culture. A Philosophical Perspective
This book attempts to grant a clear insight into the problem of culture. Thinking about culture, we are faced with the inevitable, and apparently insuperable, problem of how to study culture in the absence of a consensual definition of this notion. For several reasons, the anthropologists Claude Lévi-Strauss and Clifford Geertz provide an ideal starting point for tackling this issue. Firstly, both graduated in philosophy before turning to anthropology. Secondly, the linguisticmodel- based approach they initiated is founded on the general belief that language is a feature which all men have in common. And thirdly, when taken together, the conclusions reached by Lévi-Strauss and Geertz, which contradict one another, yield a clear view on the conceptual complexity of culture.
Martine Lejeune has a PhD in Philosophy. She is currently a visiting professor at the Faculty of Arts and Philosophy of the University of Ghent, where she teaches a course about interculturality.
Culture. A Philosophical Perspective
This book attempts to grant a clear insight into the problem of culture. Thinking about culture, we are faced with the inevitable, and apparently insuperable, problem of how to study culture in the absence of a consensual definition of this notion. For several reasons, the anthropologists Claude Lévi-Strauss and Clifford Geertz provide an ideal starting point for tackling this issue. Firstly, both graduated in philosophy before turning to anthropology. Secondly, the linguisticmodel- based approach they initiated is founded on the general belief that language is a feature which all men have in common. And thirdly, when taken together, the conclusions reached by Lévi-Strauss and Geertz, which contradict one another, yield a clear view on the conceptual complexity of culture.
Martine Lejeune has a PhD in Philosophy. She is currently a visiting professor at the Faculty of Arts and Philosophy of the University of Ghent, where she teaches a course about interculturality.







