Kind in gevaar: reden tot uithuisplaatsing? De vereniging Tot Steun als zorgverlener in een veranderende wereld van de kinderbescherming en jeugdzorg 1886-1998
De kinderbescherming begon officieel in 1905. Kinderen die daarin belandden, kwamen doorgaans terecht in een ‘gesticht’ of pleeggezin. Uithuisplaatsing was tot ver in de twintigste eeuw heel gewoon. De laatste twintig jaar komen daarover de verhalen los. Vele ervan zijn gekleurd door mishandeling en misbruik. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dit is een vraag naar het functioneren van de kinderbescherming in de praktijk. Wat gebeurde er met een kind als dit was aangemeld? Hoe zorgvuldig ging men daarbij te werk? Hoe was de controle op pleeggezinnen en tehuizen? Konden kinderen met hun klachten ergens terecht en klaagden ze wel?
Dergelijke vragen zijn te beantwoorden door onderzoek van voogdijverenigingen. Die waren immers verantwoordelijk voor de zorg nadat een rechter uitspraak had gedaan. Een van die verenigingen was Tot Steun voor Verwaarloosden en Gevallenen, opgericht in 1886. Uniek archiefmateriaal, zoals pupillendossiers en verslagen van vergaderingen over pupillen, geven een inkijk in de wijze waarop beslissingen over kinderen werden genomen en hoe met hun vragen en problemen werd omgegaan.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is historisch pedagoog. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciaal onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze over de geschiedenis van dyslexie in het Nederlandse onderwijs (2016) en in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).
Kind in gevaar: reden tot uithuisplaatsing? De vereniging Tot Steun als zorgverlener in een veranderende wereld van de kinderbescherming en jeugdzorg 1886-1998
De kinderbescherming begon officieel in 1905. Kinderen die daarin belandden, kwamen doorgaans terecht in een ‘gesticht’ of pleeggezin. Uithuisplaatsing was tot ver in de twintigste eeuw heel gewoon. De laatste twintig jaar komen daarover de verhalen los. Vele ervan zijn gekleurd door mishandeling en misbruik. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dit is een vraag naar het functioneren van de kinderbescherming in de praktijk. Wat gebeurde er met een kind als dit was aangemeld? Hoe zorgvuldig ging men daarbij te werk? Hoe was de controle op pleeggezinnen en tehuizen? Konden kinderen met hun klachten ergens terecht en klaagden ze wel?
Dergelijke vragen zijn te beantwoorden door onderzoek van voogdijverenigingen. Die waren immers verantwoordelijk voor de zorg nadat een rechter uitspraak had gedaan. Een van die verenigingen was Tot Steun voor Verwaarloosden en Gevallenen, opgericht in 1886. Uniek archiefmateriaal, zoals pupillendossiers en verslagen van vergaderingen over pupillen, geven een inkijk in de wijze waarop beslissingen over kinderen werden genomen en hoe met hun vragen en problemen werd omgegaan.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is historisch pedagoog. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciaal onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze over de geschiedenis van dyslexie in het Nederlandse onderwijs (2016) en in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).
Van woordblindheid tot dyslexie. De geschiedenis van leesproblemen in het Nederlandse onderwijs (O&A-Reeks, nr. 9)
Dyslexie of woordblindheid is al vanaf het einde van de negentiende eeuw bekend. Toch duurde het meer dan tachtig jaar voor het onderwijs er iets mee ging doen. Dit boek onderzoekt waarom het zo lang heeft moeten duren. Dyslectische kinderen die voor 1990 de lagere school bezochten, kwamen vaak niet ver. Hogere opleidingen waren voor hen meestal onbereikbaar en wie wel zo ver kwam, moest beschikken over een forse dosis doorzettingsvermogen en een behoorlijke intelligentie.
Dat er zoveel onbekendheid was over dyslexie of woordblindheid betekende niet dat het onderwijs niets deed. Lezen vormde er sinds 1945 een speerpunt. De LOM-school ontstond waar vele kinderen met ernstige leesproblemen zich thuis en geholpen voelden. Remedial teachers kwamen de scholen binnen. Nadat de wetenschap het onderzoek naar dyslexie ter hand nam en wetenschappers, belangenverenigingen en overheid gingen samenwerken, ontstond vanaf 2000 beleid om dyslectische kinderen op te sporen en te behandelen.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is als docent en onderzoeker verbonden aan de Faculteit voor Gedragswetenschappen van de Vrije Universiteit. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciale onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).
Van woordblindheid tot dyslexie. De geschiedenis van leesproblemen in het Nederlandse onderwijs (O&A-Reeks, nr. 9)
Dyslexie of woordblindheid is al vanaf het einde van de negentiende eeuw bekend. Toch duurde het meer dan tachtig jaar voor het onderwijs er iets mee ging doen. Dit boek onderzoekt waarom het zo lang heeft moeten duren. Dyslectische kinderen die voor 1990 de lagere school bezochten, kwamen vaak niet ver. Hogere opleidingen waren voor hen meestal onbereikbaar en wie wel zo ver kwam, moest beschikken over een forse dosis doorzettingsvermogen en een behoorlijke intelligentie.
Dat er zoveel onbekendheid was over dyslexie of woordblindheid betekende niet dat het onderwijs niets deed. Lezen vormde er sinds 1945 een speerpunt. De LOM-school ontstond waar vele kinderen met ernstige leesproblemen zich thuis en geholpen voelden. Remedial teachers kwamen de scholen binnen. Nadat de wetenschap het onderzoek naar dyslexie ter hand nam en wetenschappers, belangenverenigingen en overheid gingen samenwerken, ontstond vanaf 2000 beleid om dyslectische kinderen op te sporen en te behandelen.
Marjoke Rietveld-van Wingerden is als docent en onderzoeker verbonden aan de Faculteit voor Gedragswetenschappen van de Vrije Universiteit. Haar onderzoek betreft in grote lijnen de geschiedenis van het speciale onderwijs en de speciale zorg. Zo schreef ze in samenwerking met andere onderzoekers over het onderwijs aan kinderen met een auditieve beperking (2010) en over het Paedologisch Instituut van Waterink te Amsterdam (2006).