Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.
Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.
Descriptive Adaptation Studies. Epistemological and Methodological Issues
It is common practice nowadays for adaptation critics to denounce the lack of meta-theoretical thinking in adaptation studies and to plead for a study of ‘adaptation-as-adaptation’; one that eschews value judgments, steps beyond normative fidelity-based discourse, examines adaptation from an intertextual perspective, and abandons the single-source model for a multiple-source model. This study looks into a research program that does all that and more. It was developed in the late 1980s and presented in the early 1990s as a ‘polysystem’ (PS) study of adaptations.
Since then, the PS label has been replaced with ‘descriptive’. This book studies the question of whether and how a PS approach could evolve into a descriptive adaptation studies (DAS) approach. Although not perfect (no method is), DAS offers a number of assets. Apart from dealing with the above-mentioned issues, DAS transcends an Auteurist approach and looks at explanation beyond the level of individual agency (even if contextualized). As an alternative to the endless accumulation of ad hoc case studies, it suggests corpus-based research into wider trends of adaptational behavior and the roles and functions of sets of adaptations. DAS also allows reflection upon its own epistemic values. It sheds new light on some old issues: How can one define adaptation? What does it mean to study adaptation-as-adaptation? Is equivalence still possible and is the concept still relevant? DAS also tackles some deeper epistemological issues: How can phenomena be compared? Why would difference be more real than sameness or change more real than stasis? How does description relate to evaluation, explanation and prediction, etc.?
This book addresses both theory-minded scholars who are interested in epistemological reflection and practice-oriented adaptation students who want to get started. From a theoretical point of view, it discusses arguments that could support the legitimacy of adaptation studies as an academic discipline. From a practical point of view, it explains in general terms ways of conducting an adaptation study.
Patrick Cattrysse’s work is of utmost
importance to Adaptation Studies. As
the first extended attempt to develop a
rigorous methodology which borrows in
very meaningful ways from Adaptation
Studies’ cousin Translation Studies, this
book should be on every Adaptation
scholar’s shelf. While Hutcheons, Sanders
and Leitch, to name but a few, layed the
groundwork which allowed Adaptation
Studies to establish itself as a field of
inquiry in its own right, Cattrysse moves
the field into the next necessary stage: that
of developing conceptual tools which stand
the test of critical investigation and allow
Adaptation Studies to move beyond the
single case-study approach.
(Katja Krebs - University of Bristol)
This book is a bold initiative: it proposes,
and illustrates, a comprehensive new
empirical research programme for film
adaptation studies, inspired by the way
systems theory and norm theory have
expanded Translation Studies. One of
the book’s unusual strengths is the way
the proposal is grounded in a thoughtful
theoretical discussion of conceptual and
methodological issues, dealing with such
notions as theory, descriptivism, definition,
diachrony and explanation. This gives the
work a significance that ranges well beyond
Adaptation Studies alone; it deserves the
attention of scholars in the humanities in
general.
(Andrew Chesterman - University of Helsinki)
This dense and theoretically-informed
study argues forcefully for a descriptive
systems analysis approach to literature/
film adaptation, building on the author’s
earlier corpus-based study of film noir
and adaptation. Providing a wide-ranging
discussion of important critical questions
(including the place of logical positivism
in humanistic studies), this book will give
adaptation schol
Patrick Cattrysse is an independent researcher. He teaches adaptation studies, narrative studies and screenwriting studies at the Université Libre de Bruxelles, Antwerpen Universiteit and Emerson College European Center.
Descriptive Adaptation Studies. Epistemological and Methodological Issues
It is common practice nowadays for adaptation critics to denounce the lack of meta-theoretical thinking in adaptation studies and to plead for a study of ‘adaptation-as-adaptation’; one that eschews value judgments, steps beyond normative fidelity-based discourse, examines adaptation from an intertextual perspective, and abandons the single-source model for a multiple-source model. This study looks into a research program that does all that and more. It was developed in the late 1980s and presented in the early 1990s as a ‘polysystem’ (PS) study of adaptations.
Since then, the PS label has been replaced with ‘descriptive’. This book studies the question of whether and how a PS approach could evolve into a descriptive adaptation studies (DAS) approach. Although not perfect (no method is), DAS offers a number of assets. Apart from dealing with the above-mentioned issues, DAS transcends an Auteurist approach and looks at explanation beyond the level of individual agency (even if contextualized). As an alternative to the endless accumulation of ad hoc case studies, it suggests corpus-based research into wider trends of adaptational behavior and the roles and functions of sets of adaptations. DAS also allows reflection upon its own epistemic values. It sheds new light on some old issues: How can one define adaptation? What does it mean to study adaptation-as-adaptation? Is equivalence still possible and is the concept still relevant? DAS also tackles some deeper epistemological issues: How can phenomena be compared? Why would difference be more real than sameness or change more real than stasis? How does description relate to evaluation, explanation and prediction, etc.?
This book addresses both theory-minded scholars who are interested in epistemological reflection and practice-oriented adaptation students who want to get started. From a theoretical point of view, it discusses arguments that could support the legitimacy of adaptation studies as an academic discipline. From a practical point of view, it explains in general terms ways of conducting an adaptation study.
Patrick Cattrysse’s work is of utmost
importance to Adaptation Studies. As
the first extended attempt to develop a
rigorous methodology which borrows in
very meaningful ways from Adaptation
Studies’ cousin Translation Studies, this
book should be on every Adaptation
scholar’s shelf. While Hutcheons, Sanders
and Leitch, to name but a few, layed the
groundwork which allowed Adaptation
Studies to establish itself as a field of
inquiry in its own right, Cattrysse moves
the field into the next necessary stage: that
of developing conceptual tools which stand
the test of critical investigation and allow
Adaptation Studies to move beyond the
single case-study approach.
(Katja Krebs - University of Bristol)
This book is a bold initiative: it proposes,
and illustrates, a comprehensive new
empirical research programme for film
adaptation studies, inspired by the way
systems theory and norm theory have
expanded Translation Studies. One of
the book’s unusual strengths is the way
the proposal is grounded in a thoughtful
theoretical discussion of conceptual and
methodological issues, dealing with such
notions as theory, descriptivism, definition,
diachrony and explanation. This gives the
work a significance that ranges well beyond
Adaptation Studies alone; it deserves the
attention of scholars in the humanities in
general.
(Andrew Chesterman - University of Helsinki)
This dense and theoretically-informed
study argues forcefully for a descriptive
systems analysis approach to literature/
film adaptation, building on the author’s
earlier corpus-based study of film noir
and adaptation. Providing a wide-ranging
discussion of important critical questions
(including the place of logical positivism
in humanistic studies), this book will give
adaptation schol
Patrick Cattrysse is an independent researcher. He teaches adaptation studies, narrative studies and screenwriting studies at the Université Libre de Bruxelles, Antwerpen Universiteit and Emerson College European Center.
Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 1 – Themanummer Literaire ontmoetingsplaatsen
Brussel Be)
De Passage Saint-Hubert, pleisterplaats van bannelingen en expats
Parijs (Fr)
Het laatste café
Sint-Petersburg (Ru)
Vergeten zijn ze hun eigen bestaan
Edinburgh (Sc)
Birds of a feather flock together
Leipzig (Du)
Des Kaffeegotts geweihter Tempel
Brussel (Be)
Vierentwintig uur vrijheid per dag
Tubingen (Du)
Het gedicht als ontmoetingsplaats
Cabris (Fr)
Over schrijvers en sterke vrouwen
Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 1 – Themanummer Literaire ontmoetingsplaatsen
Brussel Be)
De Passage Saint-Hubert, pleisterplaats van bannelingen en expats
Parijs (Fr)
Het laatste café
Sint-Petersburg (Ru)
Vergeten zijn ze hun eigen bestaan
Edinburgh (Sc)
Birds of a feather flock together
Leipzig (Du)
Des Kaffeegotts geweihter Tempel
Brussel (Be)
Vierentwintig uur vrijheid per dag
Tubingen (Du)
Het gedicht als ontmoetingsplaats
Cabris (Fr)
Over schrijvers en sterke vrouwen
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.

Zorgbreed – Tijdschrift voor integrale leerlingenzorg – Jrg. 10 (2012-2013), nr. 40 – Themanummer Zorg om de zorgverlener
Inhoudsopgave - Editoriaal
Artikels
Meer info over Zorgbreed

Zorgbreed – Tijdschrift voor integrale leerlingenzorg – Jrg. 10 (2012-2013), nr. 40 – Themanummer Zorg om de zorgverlener
Inhoudsopgave - Editoriaal
Artikels
Meer info over Zorgbreed
Onderwijs op de universiteit. Verkennende studie naar de professionalisering en loopbaanperspectieven van universitair onderwijspersoneel
Dit boek beschrijft de kwaliteitseisen die worden gesteld aan het universitaire onderwijspersoneel en zijn loopbaanmogelijkheden.
De auteur start met een verkenning van de actuele ontwikkelingen in Nederland. Dan volgt een beschrijving van de internationale beleidsbijdragen van onder meer de OECD en de Europese Commissie over de kwaliteitsverbetering van het universitair onderwijs. Daarna komt de inbreng van de wetenschap aan bod, waarvan de studies van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching in de Verenigde Staten een belangrijk deel uitmaken. Ook de ontwikkelingen in het universitair onderwijs in het Verenigd Koninkrijk en Australië worden beschreven. Verder komt een tiental HO-experts aan het woord, die hun mening geven over de positie en de kwaliteit van het onderwijs aan de universiteiten.
In het tweede deel van dit boek worden vijf ‘good practices’ – Maastricht, Utrecht, Rotterdam, Londen en Lund – beschreven, met een blik op de samenhang tussen strategisch beleid en kwaliteits- en personeelsbeleid.
In het derde deel ten slotte wordt een innovatieagenda geformuleerd aan het adres van
bestuur, docenten en studenten om aan de kwaliteit van het universitair onderwijs een
krachtige impuls te geven.
Hubert W.A.M. Coonen studeerde Onderwijskunde aan de Universiteit
Utrecht en promoveerde aan de Universiteit Leiden.
Hij is ruim 30 jaar werkzaam in het hoger onderwijs. Hij werkte
als adviseur hoger onderwijs bij de KPC-Groep in ’s Hertogenbosch,
was algemeen directeur van de Educatieve Faculteit van
de Hogeschool Utrecht, hoogleraar en decaan aan de Faculteit
Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente en hoogleraar
aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was ook kroonlid
en vicevoorzitter van de Onderwijsraad en voorzitter van het
Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs. Nu is hij hoogleraar aan de Teachers
Academy (TA) van Maastricht University. De TA is nauw verbonden met TIER, het Top
Institute for Evidence based Education Research.
Onderwijs op de universiteit. Verkennende studie naar de professionalisering en loopbaanperspectieven van universitair onderwijspersoneel
Dit boek beschrijft de kwaliteitseisen die worden gesteld aan het universitaire onderwijspersoneel en zijn loopbaanmogelijkheden.
De auteur start met een verkenning van de actuele ontwikkelingen in Nederland. Dan volgt een beschrijving van de internationale beleidsbijdragen van onder meer de OECD en de Europese Commissie over de kwaliteitsverbetering van het universitair onderwijs. Daarna komt de inbreng van de wetenschap aan bod, waarvan de studies van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching in de Verenigde Staten een belangrijk deel uitmaken. Ook de ontwikkelingen in het universitair onderwijs in het Verenigd Koninkrijk en Australië worden beschreven. Verder komt een tiental HO-experts aan het woord, die hun mening geven over de positie en de kwaliteit van het onderwijs aan de universiteiten.
In het tweede deel van dit boek worden vijf ‘good practices’ – Maastricht, Utrecht, Rotterdam, Londen en Lund – beschreven, met een blik op de samenhang tussen strategisch beleid en kwaliteits- en personeelsbeleid.
In het derde deel ten slotte wordt een innovatieagenda geformuleerd aan het adres van
bestuur, docenten en studenten om aan de kwaliteit van het universitair onderwijs een
krachtige impuls te geven.
Hubert W.A.M. Coonen studeerde Onderwijskunde aan de Universiteit
Utrecht en promoveerde aan de Universiteit Leiden.
Hij is ruim 30 jaar werkzaam in het hoger onderwijs. Hij werkte
als adviseur hoger onderwijs bij de KPC-Groep in ’s Hertogenbosch,
was algemeen directeur van de Educatieve Faculteit van
de Hogeschool Utrecht, hoogleraar en decaan aan de Faculteit
Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente en hoogleraar
aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was ook kroonlid
en vicevoorzitter van de Onderwijsraad en voorzitter van het
Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs. Nu is hij hoogleraar aan de Teachers
Academy (TA) van Maastricht University. De TA is nauw verbonden met TIER, het Top
Institute for Evidence based Education Research.
Eén, twee … hupsakee … Heen-en-weerboekje
Wanneer je kind naar het kinderdagverblijf gaat, wil je als ouder graag op de hoogte zijn van hoe je kind het doet.
Met dit heen-en- weerboekje willen we zorgen voor een goede communicatie tussen de ouders en het kinderdagverblijf.
Het is immers belangrijk voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind dat ouders en begeleid(st)ers altijd goed geïnformeerd zijn.
Er zijn ook navulblaadjes beschikbaar.
Deze kunnen ingevoegd worden bij ''Deel 2: Mijn Dagboekje'' van het ''Heen-en-weerboekje''.
Eén, twee … hupsakee … Heen-en-weerboekje
Wanneer je kind naar het kinderdagverblijf gaat, wil je als ouder graag op de hoogte zijn van hoe je kind het doet.
Met dit heen-en- weerboekje willen we zorgen voor een goede communicatie tussen de ouders en het kinderdagverblijf.
Het is immers belangrijk voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind dat ouders en begeleid(st)ers altijd goed geïnformeerd zijn.
Er zijn ook navulblaadjes beschikbaar.
Deze kunnen ingevoegd worden bij ''Deel 2: Mijn Dagboekje'' van het ''Heen-en-weerboekje''.
Seksueel verlangen en knooppunten. Begeleiden van seksuele processen in de context van partnerrelatie (Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie, nr. 6)
Het is niet ongewoon dat partners na diverse jaren in een relatie op ernstige knooppunten stoten. Deze knooppunten kunnen de relatie haar vitaliteit ontnemen en zelfs in gevaar brengen. Mensen die dit ondervinden, spreken er echter niet gauw over. Bij hulpverleners ontbreekt het soms ook aan een taal om het hierover te hebben.
Dit boek bespreekt meer specifiek de rol van de seksualiteit bij het vastlopen van relaties. Nu eens raakt de seksualiteit mee betrokken in een relationele moeilijkheid, dan weer is het een seksueel probleem dat de relatie in de gevarenzone brengt. De rode draad in het boek is een fictieve casus, die is samengesteld vanuit het verhaal van diverse koppels die na minstens vijf jaar relatie op consultatie komen. Op die casus wordt vanuit diverse perspectieven ingegaan: psychodynamische, seksuologische, contextueel/ethische en levensloopperspectieven. Telkens worden concrete behandelmogelijkheden beschreven. De seksualiteit krijgt daarin een prominente en specifieke plaats: als belangrijk domein of instrument om de relatie te revitaliseren. Het boek richt zich tot mensen die zoekende zijn op het ogenblik dat hun relatie na een aantal jaren dreigt vast te lopen en daarbij ervaren dat seksuele verschillen en processen een cruciale rol spelen in de moeilijkheden. En ook tot de brede groep hulpverleners die lange termijn partners wil begeleiden bij seksuele/relationele knooppunten.
Sonja Kauwenberghs, bachelor gezinswetenschappen, werkte eerder in Vluchthuis De Terp
in Boechout. Nu werkt zij bij ADIC – Antwerps Drug Interventie Centrum, waar residentiële
en op reïntegratie gerichte opvang geboden wordt aan problematische druggebruikers.
Koen Baeten, doctor in de wijsbegeerte en moraalwetenschappen, master in de familiale en
seksuologische wetenschappen, master in de godsdienstwetenschappen en master in de wijsbegeerte.
Hij is klinisch seksuoloog, psychoanalyticus en psychotherapeut/relatietherapeut.
Hij doceert aan het HIG – Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-
Universiteit Brussel en is onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van het
HIG. Hij is ook opgeleid in de psychoanalyse.
Patrick Meurs, doctor in psychologie, master in godsdienstwetenschappen, in culturele antropologie
en baccalaureus in de filosofie en opgeleid in psychodynamische kindertherapie.
Hij studeerde ook seksuologie, doceert klinische psychologie aan de KU Leuven en gezinswetenschappen
aan het HIG. Hij is ook onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen
van het HIG.
Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie
Seksueel verlangen en knooppunten. Begeleiden van seksuele processen in de context van partnerrelatie (Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie, nr. 6)
Het is niet ongewoon dat partners na diverse jaren in een relatie op ernstige knooppunten stoten. Deze knooppunten kunnen de relatie haar vitaliteit ontnemen en zelfs in gevaar brengen. Mensen die dit ondervinden, spreken er echter niet gauw over. Bij hulpverleners ontbreekt het soms ook aan een taal om het hierover te hebben.
Dit boek bespreekt meer specifiek de rol van de seksualiteit bij het vastlopen van relaties. Nu eens raakt de seksualiteit mee betrokken in een relationele moeilijkheid, dan weer is het een seksueel probleem dat de relatie in de gevarenzone brengt. De rode draad in het boek is een fictieve casus, die is samengesteld vanuit het verhaal van diverse koppels die na minstens vijf jaar relatie op consultatie komen. Op die casus wordt vanuit diverse perspectieven ingegaan: psychodynamische, seksuologische, contextueel/ethische en levensloopperspectieven. Telkens worden concrete behandelmogelijkheden beschreven. De seksualiteit krijgt daarin een prominente en specifieke plaats: als belangrijk domein of instrument om de relatie te revitaliseren. Het boek richt zich tot mensen die zoekende zijn op het ogenblik dat hun relatie na een aantal jaren dreigt vast te lopen en daarbij ervaren dat seksuele verschillen en processen een cruciale rol spelen in de moeilijkheden. En ook tot de brede groep hulpverleners die lange termijn partners wil begeleiden bij seksuele/relationele knooppunten.
Sonja Kauwenberghs, bachelor gezinswetenschappen, werkte eerder in Vluchthuis De Terp
in Boechout. Nu werkt zij bij ADIC – Antwerps Drug Interventie Centrum, waar residentiële
en op reïntegratie gerichte opvang geboden wordt aan problematische druggebruikers.
Koen Baeten, doctor in de wijsbegeerte en moraalwetenschappen, master in de familiale en
seksuologische wetenschappen, master in de godsdienstwetenschappen en master in de wijsbegeerte.
Hij is klinisch seksuoloog, psychoanalyticus en psychotherapeut/relatietherapeut.
Hij doceert aan het HIG – Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-
Universiteit Brussel en is onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van het
HIG. Hij is ook opgeleid in de psychoanalyse.
Patrick Meurs, doctor in psychologie, master in godsdienstwetenschappen, in culturele antropologie
en baccalaureus in de filosofie en opgeleid in psychodynamische kindertherapie.
Hij studeerde ook seksuologie, doceert klinische psychologie aan de KU Leuven en gezinswetenschappen
aan het HIG. Hij is ook onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen
van het HIG.
Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie

School- en klaspraktijk – nr. 218 (jrg 54) (mei- juni – juli 2012-2013) – Themanummer Executieve functieproblemen in de klas
Dit nummer van SKP bevat:
- 1 Theorie
- Kenmerken van autisme
- Kenmerken van executieve functies
- Autisme en executieve functies
- Executieve functies in de klas bij kinderen met autisme
- 2 Praktijk
- Tips voor leerkrachten bij executieve functieproblemen
- 3 Bijlagen
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

School- en klaspraktijk – nr. 218 (jrg 54) (mei- juni – juli 2012-2013) – Themanummer Executieve functieproblemen in de klas
Dit nummer van SKP bevat:
- 1 Theorie
- Kenmerken van autisme
- Kenmerken van executieve functies
- Autisme en executieve functies
- Executieve functies in de klas bij kinderen met autisme
- 2 Praktijk
- Tips voor leerkrachten bij executieve functieproblemen
- 3 Bijlagen
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)
Afschaffing van de slavernij. Complexe voorgeschiedenis van een wereldwonder
In de eerste helft van de negentiende eeuw maakte Groot-Brittannië als eerste een einde aan de koloniale slavenhandel en de slavernij binnen zijn rijk. Daarna volgden andere koloniale mogendheden zoals Frankrijk, Denemarken en Nederland. In 1865 volgden de Verenigde Staten. Langzaam volgden ook andere landen dit voorbeeld. Ruim honderd jaar later sloot Mauritanië de rij.
Hoe ging de afschaffing in zijn werk? Welke sociale, politieke en culturele factoren speelden hierbij een rol? Welke individuen en bewegingen waren de gangmakers? Welke invloed hadden de ideeën van de verlichting, de Franse Revolutie en het protestantisme? Wat was de rol van de Katholieke Kerk? Hoe belangrijk was het verzet van de slaven? Welke invloed had hun bekering tot het christendom? Hoe slaagde de abolitiebeweging erin de blanken ervan te doordringen dat ook slaven mensen waren met een hart en een ziel? Welke propagandamiddelen werden in de strijd geworpen? En waarom verliep de afschaffing binnen de Europese koloniale rijken betrekkelijk vredig terwijl er in de Verenigde Staten een bloedige burgeroorlog werd uitgevochten?
Op deze boeiende vragen geeft dit boek een antwoord. Het maakt duidelijk dat het juist
de configuratie van samenvallende processen en ontwikkelingen was die de afschaffing
overal onafwendbaar maakte, ondanks de opmerkelijke culturele en structurele verschillen.
Mart-Jan de Jong is emeritus hoogleraar sociale wetenschappen. Hij was verbonden
aan de Roosevelt Academy te Middelburg en de Universiteit Utrecht. Hij heeft zich
gespecialiseerd in en gepubliceerd over onderwijssociologie, migratie en integratieprocessen,
de verzorgingsstaat en het werk van de grondleggers en grootmeesters van
de sociologie.
Yael Wodnitzky behaalde haar Bachelor of Arts aan de Roosevelt Academy in Middelburg, met extra aandacht voor sociologie, psychologie, religie en filosofie. Zij volgt nu een research master filosofie aan de Universiteit van Utrecht.
Afschaffing van de slavernij. Complexe voorgeschiedenis van een wereldwonder
In de eerste helft van de negentiende eeuw maakte Groot-Brittannië als eerste een einde aan de koloniale slavenhandel en de slavernij binnen zijn rijk. Daarna volgden andere koloniale mogendheden zoals Frankrijk, Denemarken en Nederland. In 1865 volgden de Verenigde Staten. Langzaam volgden ook andere landen dit voorbeeld. Ruim honderd jaar later sloot Mauritanië de rij.
Hoe ging de afschaffing in zijn werk? Welke sociale, politieke en culturele factoren speelden hierbij een rol? Welke individuen en bewegingen waren de gangmakers? Welke invloed hadden de ideeën van de verlichting, de Franse Revolutie en het protestantisme? Wat was de rol van de Katholieke Kerk? Hoe belangrijk was het verzet van de slaven? Welke invloed had hun bekering tot het christendom? Hoe slaagde de abolitiebeweging erin de blanken ervan te doordringen dat ook slaven mensen waren met een hart en een ziel? Welke propagandamiddelen werden in de strijd geworpen? En waarom verliep de afschaffing binnen de Europese koloniale rijken betrekkelijk vredig terwijl er in de Verenigde Staten een bloedige burgeroorlog werd uitgevochten?
Op deze boeiende vragen geeft dit boek een antwoord. Het maakt duidelijk dat het juist
de configuratie van samenvallende processen en ontwikkelingen was die de afschaffing
overal onafwendbaar maakte, ondanks de opmerkelijke culturele en structurele verschillen.
Mart-Jan de Jong is emeritus hoogleraar sociale wetenschappen. Hij was verbonden
aan de Roosevelt Academy te Middelburg en de Universiteit Utrecht. Hij heeft zich
gespecialiseerd in en gepubliceerd over onderwijssociologie, migratie en integratieprocessen,
de verzorgingsstaat en het werk van de grondleggers en grootmeesters van
de sociologie.
Yael Wodnitzky behaalde haar Bachelor of Arts aan de Roosevelt Academy in Middelburg, met extra aandacht voor sociologie, psychologie, religie en filosofie. Zij volgt nu een research master filosofie aan de Universiteit van Utrecht.
Eigenheid met respect. Reflecties over het katholiek onderwijs in Antwerpen.
Dit boek bestudeert binnen de stad Antwerpen de eigenheid van de katholieke scholen. Deze studie past in het zogenaamde AWEL-project, opgezet door het begeleidingskorps van het bisdom Antwerpen. Er bleek een behoefte te bestaan aan een discussietekst die de problematiek systematisch kon kaderen en die via voorstellen een dynamiek van overleg op gang zou kunnen brengen. Het eerste deel is een informatief dossier over de situatie in de stad Antwerpen. Er is gekozen voor een systeemaanpak waarbij het onderwijs in de stad Antwerpen – en bij afleiding ook het katholiek onderwijs aldaar – wordt bekeken als een open systeem. Die systeemaanpak vertaalt zich in een benadering op diverse echelons. De situaties op die echelons dienen als subsystemen, die complementair zijn om de problematiek in zijn volledigheid te vatten.
Het eerste niveau bevat de landelijke overheid, die een grootstedelijk beleid al dan niet kan faciliteren. Dan is er het niveau van de lokale overheid van de stad Antwerpen, die coördinerend kan optreden. Vervolgens is er het beheersniveau van het katholiek onderwijs in de stad, met repercussies op de samenwerkingsverbanden tussen scholen. Een ander niveau is dat van het curriculum. Welke aanpassingen zijn er wenselijk aan het curriculum om aan de grotestadsproblematiek tegemoet te komen? Het volgende en belangrijkste niveau is dat van de concrete school en klas. Daarin komen voorstellen van differentiatie, talenbeleid, ouderwerking, lerarenvisies en groepsvorming in school en klas aan bod. Het resultaat is een reeks voorstellen, die niet allemaal nieuw zijn, maar die wel in samenhang en volgens prioriteit worden gepresenteerd. Sommige van die voorstellen vragen juridische wijzigingen, onder meer het pleidooi voor modulair beroepsgericht onderwijs en aangepaste samenwerkingsvormen binnen een grote stad. Alle voorstellen worden geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, die door de pedagogische begeleiding werden verzameld.
Roger Standaert begon zijn loopbaan als lector aan de lerarenopleiding na zijn studies pedagogische wetenschappen. Vanaf 1976 tot 1989 was hij hoofdcoördinator voor het Vernieuwd Secundair Onderwijs in het katholiek onderwijs. In 1989 promoveerde hij aan de KU Leuven op een comparatief proefschrift over het onderwijsbeleid in een aantal landen. In 1991 werd hij bij het Vlaamse Ministerie van Onderwijs benoemd tot eerste directeur van de nieuw opgerichte Dienst voor Onderwijsontwikkeling (later Curriculum). In 1997 werd hij voorzitter van het Consortium of Institutes for Development and Research in Education in Europe (CIDREE). Vanaf 1998 doceerde hij vergelijkende pedagogiek aan de universiteit Gent. Hij schreef een aantal boeken waaronder ‘Vergelijken van Onderwijssystemen’ en ‘Globalisering van het onderwijs in contexten’ en hij publiceerde talrijke artikelen in binnenlandse en buitenlandse tijdschriften, voornamelijk in verband met lokale autonomie en onderwijsbeleid. Sinds 2012 beëindigde hij zijn professionele loopbaan, maar blijft hij actief in diverse plaatselijke en internationale onderwijsorganisaties.
Eigenheid met respect. Reflecties over het katholiek onderwijs in Antwerpen.
Dit boek bestudeert binnen de stad Antwerpen de eigenheid van de katholieke scholen. Deze studie past in het zogenaamde AWEL-project, opgezet door het begeleidingskorps van het bisdom Antwerpen. Er bleek een behoefte te bestaan aan een discussietekst die de problematiek systematisch kon kaderen en die via voorstellen een dynamiek van overleg op gang zou kunnen brengen. Het eerste deel is een informatief dossier over de situatie in de stad Antwerpen. Er is gekozen voor een systeemaanpak waarbij het onderwijs in de stad Antwerpen – en bij afleiding ook het katholiek onderwijs aldaar – wordt bekeken als een open systeem. Die systeemaanpak vertaalt zich in een benadering op diverse echelons. De situaties op die echelons dienen als subsystemen, die complementair zijn om de problematiek in zijn volledigheid te vatten.
Het eerste niveau bevat de landelijke overheid, die een grootstedelijk beleid al dan niet kan faciliteren. Dan is er het niveau van de lokale overheid van de stad Antwerpen, die coördinerend kan optreden. Vervolgens is er het beheersniveau van het katholiek onderwijs in de stad, met repercussies op de samenwerkingsverbanden tussen scholen. Een ander niveau is dat van het curriculum. Welke aanpassingen zijn er wenselijk aan het curriculum om aan de grotestadsproblematiek tegemoet te komen? Het volgende en belangrijkste niveau is dat van de concrete school en klas. Daarin komen voorstellen van differentiatie, talenbeleid, ouderwerking, lerarenvisies en groepsvorming in school en klas aan bod. Het resultaat is een reeks voorstellen, die niet allemaal nieuw zijn, maar die wel in samenhang en volgens prioriteit worden gepresenteerd. Sommige van die voorstellen vragen juridische wijzigingen, onder meer het pleidooi voor modulair beroepsgericht onderwijs en aangepaste samenwerkingsvormen binnen een grote stad. Alle voorstellen worden geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, die door de pedagogische begeleiding werden verzameld.
Roger Standaert begon zijn loopbaan als lector aan de lerarenopleiding na zijn studies pedagogische wetenschappen. Vanaf 1976 tot 1989 was hij hoofdcoördinator voor het Vernieuwd Secundair Onderwijs in het katholiek onderwijs. In 1989 promoveerde hij aan de KU Leuven op een comparatief proefschrift over het onderwijsbeleid in een aantal landen. In 1991 werd hij bij het Vlaamse Ministerie van Onderwijs benoemd tot eerste directeur van de nieuw opgerichte Dienst voor Onderwijsontwikkeling (later Curriculum). In 1997 werd hij voorzitter van het Consortium of Institutes for Development and Research in Education in Europe (CIDREE). Vanaf 1998 doceerde hij vergelijkende pedagogiek aan de universiteit Gent. Hij schreef een aantal boeken waaronder ‘Vergelijken van Onderwijssystemen’ en ‘Globalisering van het onderwijs in contexten’ en hij publiceerde talrijke artikelen in binnenlandse en buitenlandse tijdschriften, voornamelijk in verband met lokale autonomie en onderwijsbeleid. Sinds 2012 beëindigde hij zijn professionele loopbaan, maar blijft hij actief in diverse plaatselijke en internationale onderwijsorganisaties.


School- en klaspraktijk – nr. 215 (jrg 54) (sept- okt – nov 2012-2013) – Themanummer Leesbevordering op de basisschool
Dit nummer van SKP bevat:
- Ter oriëntatie
Interview metNicky Sneijers - Een eerste opstapje naarecht leesplezier
Interview metGuido van Genechten - Voorlezen? Natuurlijk
Interview met BenjaminLeroy, Merel Eyckermanen Jaap Robben - Het leescircuit: omdat hetook anders kan
Interview metGeert De Kockere - Hoe ga je om metleesproblemen?
Interview metNadine Diels - Kennen wij elkaar ergensvan?
Interview metKarel Michielsen - LB-tipsOok nog de moeite waard
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

School- en klaspraktijk – nr. 215 (jrg 54) (sept- okt – nov 2012-2013) – Themanummer Leesbevordering op de basisschool
Dit nummer van SKP bevat:
- Ter oriëntatie
Interview metNicky Sneijers - Een eerste opstapje naarecht leesplezier
Interview metGuido van Genechten - Voorlezen? Natuurlijk
Interview met BenjaminLeroy, Merel Eyckermanen Jaap Robben - Het leescircuit: omdat hetook anders kan
Interview metGeert De Kockere - Hoe ga je om metleesproblemen?
Interview metNadine Diels - Kennen wij elkaar ergensvan?
Interview metKarel Michielsen - LB-tipsOok nog de moeite waard
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

Kennismakingspakket Schoolmakker
Schoolmakker is anders dan een traditionele schoolagenda. Het is een volwaardig “doe”-boek waar zowel leerlingen als ouders en school actief informatie kunnen uitwisselen. Ieder krijgt zijn eigen ruimte in de agenda om allerlei mededelingen en vragen te noteren. Ook de taken en lessen van het kind krijgen er hun plaats.
Bovendien groeit Schoolmakker mee met de eigenheid en de zelfstandigheid van de kinderen. Als een echte makker biedt hij een herkenbare houvast gedurende vele schooljaren, van de instapklas tot het zesde leerjaar / groep 1-8. Hij leert het kind stapsgewijs belangrijke vaardigheden ontwikkelen, zoals tijdsbesef en leren plannen. Die duidelijke structuur en evolutie komen ook weer in de visuele steun die Schoolmakker biedt.
Neem nu een Kennismakingspakket en ontvang 1 exemplaar van elk onderdeel (€ 30,-):
Handleiding + cd-rom
Kleuters – Groepen 1-2
Eerste leerjaar – Groep 3
Tweede leerjaar – Groep 4
Tweede graad (+14-dagenplanner)– Groepen 5-6
Derde graad (+maandplanner)– Groepen 7-8

Kennismakingspakket Schoolmakker
Schoolmakker is anders dan een traditionele schoolagenda. Het is een volwaardig “doe”-boek waar zowel leerlingen als ouders en school actief informatie kunnen uitwisselen. Ieder krijgt zijn eigen ruimte in de agenda om allerlei mededelingen en vragen te noteren. Ook de taken en lessen van het kind krijgen er hun plaats.
Bovendien groeit Schoolmakker mee met de eigenheid en de zelfstandigheid van de kinderen. Als een echte makker biedt hij een herkenbare houvast gedurende vele schooljaren, van de instapklas tot het zesde leerjaar / groep 1-8. Hij leert het kind stapsgewijs belangrijke vaardigheden ontwikkelen, zoals tijdsbesef en leren plannen. Die duidelijke structuur en evolutie komen ook weer in de visuele steun die Schoolmakker biedt.
Neem nu een Kennismakingspakket en ontvang 1 exemplaar van elk onderdeel (€ 30,-):
Handleiding + cd-rom
Kleuters – Groepen 1-2
Eerste leerjaar – Groep 3
Tweede leerjaar – Groep 4
Tweede graad (+14-dagenplanner)– Groepen 5-6
Derde graad (+maandplanner)– Groepen 7-8
Empowerment van de context. Een net van steun en stimulatie voor kwetsbare en gekwetste kinderen.
In de geestelijke gezondheidszorg is er een groeiende tendens om meer empowerend te werken. ‘Empowerment’ belichaamt het proces waarbij cliënten vanuit hun eigen kracht vorm en inhoud aan hun leven geven. Helaas blijkt het vaak echter een containerbegrip te zijn, waarbij pasklare antwoorden ontbreken op hoe de hulpverlener dit kan implementeren in de klinische praktijk.
Dit boek biedt de nodige handvatten voor hulpverleners om zich empowerend op te stellen, specifiek binnen de jeugdhulpverlening. De centrale vraag is: hoe het netwerk van kinderen of jongeren met moeilijkheden of beperkingen – door psychiatrische stoornissen of psychische problemen – voldoende empowerend kan worden? Hierbij komen zowel de eerste-, tweede- als derdelijnshulpverlening, met een uitdieping van specifieke vormen van hulpverlening, aan bod, evenals de algemene organisatie van de huidige gezondheidszorg.
Het boek wil hulpverleners inspireren om meer empowerend te kijken, denken en handelen. Het is bestemd voor professionals maar ook voor studenten en hun lesgevers.
Kim De Corte, Sarah Bal en Inge Antrop, klinisch psychologen, zijn verbonden aan de Dienst Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Universitair Ziekenhuis Gent. Elfi Van den haute, kinder- en jeugdpsychiater, voert een zelfstandige praktijk in Gent.
Empowerment van de context. Een net van steun en stimulatie voor kwetsbare en gekwetste kinderen.
In de geestelijke gezondheidszorg is er een groeiende tendens om meer empowerend te werken. ‘Empowerment’ belichaamt het proces waarbij cliënten vanuit hun eigen kracht vorm en inhoud aan hun leven geven. Helaas blijkt het vaak echter een containerbegrip te zijn, waarbij pasklare antwoorden ontbreken op hoe de hulpverlener dit kan implementeren in de klinische praktijk.
Dit boek biedt de nodige handvatten voor hulpverleners om zich empowerend op te stellen, specifiek binnen de jeugdhulpverlening. De centrale vraag is: hoe het netwerk van kinderen of jongeren met moeilijkheden of beperkingen – door psychiatrische stoornissen of psychische problemen – voldoende empowerend kan worden? Hierbij komen zowel de eerste-, tweede- als derdelijnshulpverlening, met een uitdieping van specifieke vormen van hulpverlening, aan bod, evenals de algemene organisatie van de huidige gezondheidszorg.
Het boek wil hulpverleners inspireren om meer empowerend te kijken, denken en handelen. Het is bestemd voor professionals maar ook voor studenten en hun lesgevers.
Kim De Corte, Sarah Bal en Inge Antrop, klinisch psychologen, zijn verbonden aan de Dienst Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Universitair Ziekenhuis Gent. Elfi Van den haute, kinder- en jeugdpsychiater, voert een zelfstandige praktijk in Gent.
Vertel me wat. Nederlands lezen en spreken voor volwassenen, anderstalige beginners in niveau 1 en 2.
Vertel me wat! is een verzameling korte, eenvoudige verhaaltjes over Trui, een jonge lerares die door haar onhandigheid in allerlei grappige situaties terechtkomt. Het boek leert Nederlands aan anderstalige volwassenen in niveau A1 en A2.
Véronique Berkein studeerde Germaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. Ze geeft al 25 jaar Nederlands aan anderstaligen in het volwassenonderwijs.
Vertel me wat. Nederlands lezen en spreken voor volwassenen, anderstalige beginners in niveau 1 en 2.
Vertel me wat! is een verzameling korte, eenvoudige verhaaltjes over Trui, een jonge lerares die door haar onhandigheid in allerlei grappige situaties terechtkomt. Het boek leert Nederlands aan anderstalige volwassenen in niveau A1 en A2.
Véronique Berkein studeerde Germaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. Ze geeft al 25 jaar Nederlands aan anderstaligen in het volwassenonderwijs.
VKM. Veertig jaar in beweging tegen kindermishandeling.
Dit boek is meer dan de beschrijving van veertig jaar VKM. Het geeft ook inzicht in de algemene ontwikkelingen in de aandacht voor kindermishandeling, want kennis van het verleden is onmisbaar bij het werken aan een betere toekomst.
VKM. Veertig jaar in beweging tegen kindermishandeling.
Dit boek is meer dan de beschrijving van veertig jaar VKM. Het geeft ook inzicht in de algemene ontwikkelingen in de aandacht voor kindermishandeling, want kennis van het verleden is onmisbaar bij het werken aan een betere toekomst.
Aandacht. Grote en kleine dingen van leven en dood. (Catharina – reeks, Buitenreeks)
Met aandacht kijken, toehoren, spreken maakt anders. Je ziet meer, luistert beter, praat zorgvuldiger. Aandacht voegt kwaliteit toe.
De teksten uit dit boek willen met aandacht mensen ontmoeten en dingen tegemoet treden. Het is fijn om aandacht te geven, zoals het ook fijn is om oprechte aandacht te krijgen. Mensen worden er mooier van, de werkelijkheid wordt er rijker door.
Het gaat om leven en werken met aandacht: voor de ander, voor je eigen levensverhaal, voor de feiten en de mystiek, voor de vorm en de inhoud.
Frank van de Poel studeerde theologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij is geestelijk verzorger in het Catharina Ziekenhuis van Eindhoven.
Dit boek maakt deel uit van de Catharina-reeks als Buitenreeks (Levensbeschouwing en ethiek in de gezondheidszorg):
Aandacht. Grote en kleine dingen van leven en dood. (Catharina – reeks, Buitenreeks)
Met aandacht kijken, toehoren, spreken maakt anders. Je ziet meer, luistert beter, praat zorgvuldiger. Aandacht voegt kwaliteit toe.
De teksten uit dit boek willen met aandacht mensen ontmoeten en dingen tegemoet treden. Het is fijn om aandacht te geven, zoals het ook fijn is om oprechte aandacht te krijgen. Mensen worden er mooier van, de werkelijkheid wordt er rijker door.
Het gaat om leven en werken met aandacht: voor de ander, voor je eigen levensverhaal, voor de feiten en de mystiek, voor de vorm en de inhoud.
Frank van de Poel studeerde theologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij is geestelijk verzorger in het Catharina Ziekenhuis van Eindhoven.
Dit boek maakt deel uit van de Catharina-reeks als Buitenreeks (Levensbeschouwing en ethiek in de gezondheidszorg):
Duurzaam HRM en jonge professionals. Een mismatch.
Is duurzaam HRM wel het personeelsbeleid van de toekomst met oog voor
maatschappelijke ontwikkelingen als het nieuwe werken, met oog ook
voor de idealen, wensen en behoeften van de nieuwe generatie werknemers
of is duurzaam HRM oude wijn in nieuwe zakken? En heeft de generatie
nieuwe werknemers wel een boodschap aan duurzaam HRM?
Door literatuuronderzoek over duurzaam HRM en over de nieuwe generatie
medewerkers, en door gesprekken met personeelsfunctionarissen en die
nieuwe werknemers geven de auteurs antwoord op deze en andere vragen.
Organisaties en meer specifiek personeelsfunctionarissen vinden in het
boek aanknopingspunten voor hoe om te gaan met hun hoog opgeleide
medewerkers. Denkers over duurzaamheid worden gevoed met prikkelende
standpunten.
Ineke Jacobs-Moonen, andragoog gericht op duurzaamheidvraagstukken.
Jaap Brandligt, adviseur gericht op organisatievraagstukken.
Duurzaam HRM en jonge professionals. Een mismatch.
Is duurzaam HRM wel het personeelsbeleid van de toekomst met oog voor
maatschappelijke ontwikkelingen als het nieuwe werken, met oog ook
voor de idealen, wensen en behoeften van de nieuwe generatie werknemers
of is duurzaam HRM oude wijn in nieuwe zakken? En heeft de generatie
nieuwe werknemers wel een boodschap aan duurzaam HRM?
Door literatuuronderzoek over duurzaam HRM en over de nieuwe generatie
medewerkers, en door gesprekken met personeelsfunctionarissen en die
nieuwe werknemers geven de auteurs antwoord op deze en andere vragen.
Organisaties en meer specifiek personeelsfunctionarissen vinden in het
boek aanknopingspunten voor hoe om te gaan met hun hoog opgeleide
medewerkers. Denkers over duurzaamheid worden gevoed met prikkelende
standpunten.
Ineke Jacobs-Moonen, andragoog gericht op duurzaamheidvraagstukken.
Jaap Brandligt, adviseur gericht op organisatievraagstukken.

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 4
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 4
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 3
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 3
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 2
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 2
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 1
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels

Sleutels voor de toekomst. Set van 10 ex. Sleutel 1
Sleutel 1: Kleuter (bestel 10 ex)
Sleutel 2: Eerste leerjaar/groep 3 (bestel 10 ex)
Sleutel 3: Secundair Onderwijs (bestel 10 ex)
Sleutel 4: Verder studeren of werken? (bestel 10 ex))
Bij de handleiding krijgt u een set met 4 sleutels (1 ex/ sleutel).
Meer info over de handleiding bij de Sleutels


