


Wat eten we? Over voeding en chemie
Dit boek biedt een wetenschappelijke onderbouw van de voedingsstoffen: water, koolhydraten (suikers, zetmeel en voedingsvezels), vetten (omegavetzuren en transvetten), eiwitten, vitaminen, minerale elementen en sporenelementen. Het besteedt de nodige aandacht aan de energetische waarde van voedingsstoffen, voedseladditieven, ggo’s, de kwaliteit van voeding en gezonde voeding.
In afzonderlijke hoofdstukken worden van elke voedingsstof het voorkomen in de natuur, het belang in onze voeding, de indeling, chemische structuur, eigenschappen, stofwisseling en de technologie beschreven. Heel wat weetjes en interessante historische aspecten, met illustraties van tekenaar Castor, verhogen de leesbaarheid. Bovendien is de tekst verrijkt met talrijke eenvoudige experimenten om thuis of in het lab uit te voeren. Elk hoofdstuk eindigt met een reeks vragen om de opgedane kennis te testen.
Deze uitgave, die tot stand kwam in samenwerking met de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging, is bedoeld voor iedereen die meer over voeding wil weten.
Jean Van de Weerdt, scheikundige, was jarenlang leraar en werd daarna pedagogisch adviseur biologie, chemie en land- en tuinbouw. Hij is auteur van talrijke didactische chemie-uitgaven. Daarnaast is hij voorzitter van de sectie Onderwijs & Opleidingen van de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging.
Natalie Chiaverini, doctor in de wetenschappen, is lector chemie en biochemie aan de opleiding Voedings- en Dieetkunde, Chemie en Biomedische Laboratoriumtechnologie van het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven.
Tom Mortier, doctor in de wetenschappen, is lector chemie aan het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven. Hij is lid van de redactie van NVOX, magazine voor onderwijs in de natuurwetenschappen en van de Vlaamse redactieraad van Mens & Molecule. Daarnaast publiceert hij over medische en wetenschappelijke ethiek in onder meer Artsenkrant, Psychiatrie en Verpleging, en Ethische Perspectieven.
Wat eten we? Over voeding en chemie
Dit boek biedt een wetenschappelijke onderbouw van de voedingsstoffen: water, koolhydraten (suikers, zetmeel en voedingsvezels), vetten (omegavetzuren en transvetten), eiwitten, vitaminen, minerale elementen en sporenelementen. Het besteedt de nodige aandacht aan de energetische waarde van voedingsstoffen, voedseladditieven, ggo’s, de kwaliteit van voeding en gezonde voeding.
In afzonderlijke hoofdstukken worden van elke voedingsstof het voorkomen in de natuur, het belang in onze voeding, de indeling, chemische structuur, eigenschappen, stofwisseling en de technologie beschreven. Heel wat weetjes en interessante historische aspecten, met illustraties van tekenaar Castor, verhogen de leesbaarheid. Bovendien is de tekst verrijkt met talrijke eenvoudige experimenten om thuis of in het lab uit te voeren. Elk hoofdstuk eindigt met een reeks vragen om de opgedane kennis te testen.
Deze uitgave, die tot stand kwam in samenwerking met de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging, is bedoeld voor iedereen die meer over voeding wil weten.
Jean Van de Weerdt, scheikundige, was jarenlang leraar en werd daarna pedagogisch adviseur biologie, chemie en land- en tuinbouw. Hij is auteur van talrijke didactische chemie-uitgaven. Daarnaast is hij voorzitter van de sectie Onderwijs & Opleidingen van de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging.
Natalie Chiaverini, doctor in de wetenschappen, is lector chemie en biochemie aan de opleiding Voedings- en Dieetkunde, Chemie en Biomedische Laboratoriumtechnologie van het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven.
Tom Mortier, doctor in de wetenschappen, is lector chemie aan het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven. Hij is lid van de redactie van NVOX, magazine voor onderwijs in de natuurwetenschappen en van de Vlaamse redactieraad van Mens & Molecule. Daarnaast publiceert hij over medische en wetenschappelijke ethiek in onder meer Artsenkrant, Psychiatrie en Verpleging, en Ethische Perspectieven.

Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA) – Handleiding en scoreformulieren (1E DRUK)
In de logopedische en klinisch linguïstische praktijk heeft men behoefte aan een volledige testbatterij voor het onderzoek van alle taalaspecten. In het Nederlands taalgebied zijn reeds enkele waardevolle tests voorhanden om problemen op vlak van semantiek, morfologie en syntaxis te onderkennen. Het aanbod om pragmatische vaardigheden en meer specifiek de narratieve vaardigheid te evalueren, is eerder beperkt. Nochtans is het essentieel pragmatiek nauwkeurig te onderzoeken vanwege de relatie met de alledaagse communicatie en in het kader van differentiële diagnostiek tussen bepaalde vormen van ontwikkelingsstoornissen (Russell, 2007).
Naast het tekort aan genormeerde instrumenten voor narratieve vaardigheden, merken we dat er nog geen test beschikbaar is die de woordvinding analyseert. Woordvinding verwijst naar de snelheid waarmee een woord kan worden opgeroepen uit het lexicon. De woordenschattests die momenteel gehanteerd worden in de klinische praktijk, laten niet toe uitspraken te doen over woordvinding daar er geen tijdslimiet wordt vastgelegd. Tot slot is er nog geen test die kinderen spontaan zinnen laat uiten en waarbij men rekening dient te houden met de voorkennis van de luisteraar. De Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing lijkt deze leemtes te kunnen opvullen.
Kino Jansonius, klinisch psycholinguïst en logopedist,
wetenschappelijk medewerker ACLC (Amsterdam Centre for
Language and Communication), Algemene Taalwetenschappen,
Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
Mieke Ketelaars, orthopedagoog, universitair docent
Orthopedagogiek,
Faculteit Sociale Wetenschappen,
Rijksuniversiteit Leiden.
Marja Borgers, linguïst, zelfstandig werkend adviseur
voor taalonderwijs en taalstoornissen, www.taalweb.nl.
Ellen Van Den Heuvel, master Logopedische en Audiologische
Wetenschappen, doctorandus KU Leuven, Departement
Neurowetenschappen, ExpORL.
Hilde Roeyers, opleidingshoofd Logopedie-Audiologie,
Katholieke Hogeschool VIVES, campus Brugge.
Eric Manders, deeltijds docent KU Leuven (Logopedische en
Audiologische Wetenschappen) en Thomas More Antwerpen
(Departement Logopedie en Audiologie).
Inge Zink, deeltijds hoogleraar KU Leuven (programmadirecteur
Logopedische en Audiologische Wetenschappen) en logopedist UZ
Leuven (taaldiagnostiek MUCLA).

Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA) – Handleiding en scoreformulieren (1E DRUK)
In de logopedische en klinisch linguïstische praktijk heeft men behoefte aan een volledige testbatterij voor het onderzoek van alle taalaspecten. In het Nederlands taalgebied zijn reeds enkele waardevolle tests voorhanden om problemen op vlak van semantiek, morfologie en syntaxis te onderkennen. Het aanbod om pragmatische vaardigheden en meer specifiek de narratieve vaardigheid te evalueren, is eerder beperkt. Nochtans is het essentieel pragmatiek nauwkeurig te onderzoeken vanwege de relatie met de alledaagse communicatie en in het kader van differentiële diagnostiek tussen bepaalde vormen van ontwikkelingsstoornissen (Russell, 2007).
Naast het tekort aan genormeerde instrumenten voor narratieve vaardigheden, merken we dat er nog geen test beschikbaar is die de woordvinding analyseert. Woordvinding verwijst naar de snelheid waarmee een woord kan worden opgeroepen uit het lexicon. De woordenschattests die momenteel gehanteerd worden in de klinische praktijk, laten niet toe uitspraken te doen over woordvinding daar er geen tijdslimiet wordt vastgelegd. Tot slot is er nog geen test die kinderen spontaan zinnen laat uiten en waarbij men rekening dient te houden met de voorkennis van de luisteraar. De Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing lijkt deze leemtes te kunnen opvullen.
Kino Jansonius, klinisch psycholinguïst en logopedist,
wetenschappelijk medewerker ACLC (Amsterdam Centre for
Language and Communication), Algemene Taalwetenschappen,
Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
Mieke Ketelaars, orthopedagoog, universitair docent
Orthopedagogiek,
Faculteit Sociale Wetenschappen,
Rijksuniversiteit Leiden.
Marja Borgers, linguïst, zelfstandig werkend adviseur
voor taalonderwijs en taalstoornissen, www.taalweb.nl.
Ellen Van Den Heuvel, master Logopedische en Audiologische
Wetenschappen, doctorandus KU Leuven, Departement
Neurowetenschappen, ExpORL.
Hilde Roeyers, opleidingshoofd Logopedie-Audiologie,
Katholieke Hogeschool VIVES, campus Brugge.
Eric Manders, deeltijds docent KU Leuven (Logopedische en
Audiologische Wetenschappen) en Thomas More Antwerpen
(Departement Logopedie en Audiologie).
Inge Zink, deeltijds hoogleraar KU Leuven (programmadirecteur
Logopedische en Audiologische Wetenschappen) en logopedist UZ
Leuven (taaldiagnostiek MUCLA).
Leer(r)echt in Rizsas. Institutionele pedagogie (IP). Praktijk en reflectie
Rizsas is een schoolvervangend dagcentrum in Wezemaal. Rizsas voert een pedagogische praktijk die ‘werkt’, zelfs voor jongeren die op geen enkele school nog welkom zijn.
Leer(r)echt heeft een dubbele betekenis. Enerzijds betreft het een engagement om ook voor de meest kwetsbare jongeren het recht op leren blijvend te garanderen. Er bestaan immers geen ‘onschoolbare’ jongeren, enkel eindige schoolsystemen. Anderzijds gaat het om een andere visie op leren. Het gaat over de groei en de ontwikkeling van de jongere in relatie met een gepassioneerde andere, door een ervaring of activiteit die voor de jongere zelf de moeite waard is.
Het louter psychologiseren van wat er met de jongere aan de hand is, wordt bij Rizsas vermeden. Deze actueel overheersende benadering focust immers op het tekort, leidt vaak tot reducerende diagnoses, vergroot het risico op een standaardbehandeling en legitimeert de schijnbare eindigheid van een schoolsysteem. In de werking van Rizsas is de institutionele pedagogie een inspiratiebron en bezielende kracht. Ze staat voor het samen maken en dragen van een geheel waarin ieder met zijn bijzonderheden een eigen plaats kan vinden. De nadruk ligt op de instituten, die tussen alle deelnemers staan en het samenzijn vormgeven, niet op de jongere en zijn problematiek. Het werken met de jongeren gebeurt onrechtstreeks. Het is een visie die werkt bij de organisatie van leefgroepen in residentiële centra en wellicht toepasbaar is in vele andere pedagogische contexten die het samenleven centraal stellen.
Dit boek brengt verhalen, getuigenissen en reflecties van de mensen die dagelijks
Rizsas (mee)maken. Ze worden aangevuld met diverse theoretische bijdragen van
professoren, beleidsmakers en een kunstenaar. Zo wordt duidelijk wat er zich afspeelt
op Rizsas en waartoe deze bevrijdende pedagogie kan leiden.
Koen Elsen (°1955) is maatschappelijk
werker die na een gevarieerde
loopbaan o.a. als ondernemer, ongeveer
10 jaar geleden startte als
vrijwillige opvoeder in De Wissel
een open voorziening voor Bijzondere
Jeugdbijstand voor meisjes te Leuven. Hij is
momenteel voltijds begeleider en coördinator op
Rizsas/Centrum Molenmoes en werkt vanuit deze
positie mee aan de uitbouw en de werking van het
Netwerk Leerrecht Vlaams-Brabant’.
Laurent Thys (°1948) is pedagoog.
Na een loopbaan als wetenschappelijk
onderzoeker, PMS-begeleider
en CLB-directeur engageerde hij
zich in verschillende pedagogische
projecten ten behoeve van de meest
kwetsbare kinderen en jongeren.
Laurent stond mee aan de wieg van
het Netwerk Leerrecht Vlaams Brabant
en coördineerde het Ris-K project van het LOP
SO Leuven (Ris-K = Risicosituatie op school (uitval)
positief doen kantelen). Sedert vorig jaar is hij actief
als vrijwilligers op Rizsas.
Luc Deneffe (°1962) was als economist
verschillende jaren werkzaam
in het bankwezen tot hij besliste
zijn actieterrein te verleggen naar
de Bijzondere Jeugdzorg. Hij werd
directeur van de vzw De Wissel en
lag van daar uit mee aan de basis
van innoverende projecten in de
Jeugdzorg, waaronder dus ook Rizsas.
Luc is momenteel voorzitter van het netwerk
van CANO-voorzieningen in Vlaanderen en van het
Platform Bijzonder Jeugdbijstand Vlaams-Brabant.
Leer(r)echt in Rizsas. Institutionele pedagogie (IP). Praktijk en reflectie
Rizsas is een schoolvervangend dagcentrum in Wezemaal. Rizsas voert een pedagogische praktijk die ‘werkt’, zelfs voor jongeren die op geen enkele school nog welkom zijn.
Leer(r)echt heeft een dubbele betekenis. Enerzijds betreft het een engagement om ook voor de meest kwetsbare jongeren het recht op leren blijvend te garanderen. Er bestaan immers geen ‘onschoolbare’ jongeren, enkel eindige schoolsystemen. Anderzijds gaat het om een andere visie op leren. Het gaat over de groei en de ontwikkeling van de jongere in relatie met een gepassioneerde andere, door een ervaring of activiteit die voor de jongere zelf de moeite waard is.
Het louter psychologiseren van wat er met de jongere aan de hand is, wordt bij Rizsas vermeden. Deze actueel overheersende benadering focust immers op het tekort, leidt vaak tot reducerende diagnoses, vergroot het risico op een standaardbehandeling en legitimeert de schijnbare eindigheid van een schoolsysteem. In de werking van Rizsas is de institutionele pedagogie een inspiratiebron en bezielende kracht. Ze staat voor het samen maken en dragen van een geheel waarin ieder met zijn bijzonderheden een eigen plaats kan vinden. De nadruk ligt op de instituten, die tussen alle deelnemers staan en het samenzijn vormgeven, niet op de jongere en zijn problematiek. Het werken met de jongeren gebeurt onrechtstreeks. Het is een visie die werkt bij de organisatie van leefgroepen in residentiële centra en wellicht toepasbaar is in vele andere pedagogische contexten die het samenleven centraal stellen.
Dit boek brengt verhalen, getuigenissen en reflecties van de mensen die dagelijks
Rizsas (mee)maken. Ze worden aangevuld met diverse theoretische bijdragen van
professoren, beleidsmakers en een kunstenaar. Zo wordt duidelijk wat er zich afspeelt
op Rizsas en waartoe deze bevrijdende pedagogie kan leiden.
Koen Elsen (°1955) is maatschappelijk
werker die na een gevarieerde
loopbaan o.a. als ondernemer, ongeveer
10 jaar geleden startte als
vrijwillige opvoeder in De Wissel
een open voorziening voor Bijzondere
Jeugdbijstand voor meisjes te Leuven. Hij is
momenteel voltijds begeleider en coördinator op
Rizsas/Centrum Molenmoes en werkt vanuit deze
positie mee aan de uitbouw en de werking van het
Netwerk Leerrecht Vlaams-Brabant’.
Laurent Thys (°1948) is pedagoog.
Na een loopbaan als wetenschappelijk
onderzoeker, PMS-begeleider
en CLB-directeur engageerde hij
zich in verschillende pedagogische
projecten ten behoeve van de meest
kwetsbare kinderen en jongeren.
Laurent stond mee aan de wieg van
het Netwerk Leerrecht Vlaams Brabant
en coördineerde het Ris-K project van het LOP
SO Leuven (Ris-K = Risicosituatie op school (uitval)
positief doen kantelen). Sedert vorig jaar is hij actief
als vrijwilligers op Rizsas.
Luc Deneffe (°1962) was als economist
verschillende jaren werkzaam
in het bankwezen tot hij besliste
zijn actieterrein te verleggen naar
de Bijzondere Jeugdzorg. Hij werd
directeur van de vzw De Wissel en
lag van daar uit mee aan de basis
van innoverende projecten in de
Jeugdzorg, waaronder dus ook Rizsas.
Luc is momenteel voorzitter van het netwerk
van CANO-voorzieningen in Vlaanderen en van het
Platform Bijzonder Jeugdbijstand Vlaams-Brabant.


Leren innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie
Innoveren in onderwijs is van alle tijden. Maar zeker de laatste decennia
is er sprake van een bijna permanent vernieuwen van het onderwijs.
Niet alleen willen ouders, overheid en onderwijsprofessionals zelf het
beste uit kinderen halen. Ook onze kennis over leren en onderwijzen
verandert. Dat leidt tot het invoeren van nieuwe werkwijzen in het
onderwijs. Bovendien vraagt ook de groeiende autonomie van scholen
een toenemend beleidsvoerend vermogen van schoolorganisaties.
Ook dit leidt tot innovaties in de school. Succesvol innoveren in het
onderwijs is geen luxe maar noodzaak geworden.
Leren Innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie situeert
onderwijsinnovatie in de maatschappelijke context en bespreekt
de belangrijkste opvattingen over onderwijsinnovatie zoals die,
vooral sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, ontwikkeld zijn.
De verschillende opvattingen komen in hun onderlinge relatie aan
de orde, evenals de sterktes en zwaktes van die benaderingen. De
nadruk ligt hierbij op het proces van innoveren. Ook worden enkele
belangrijke thema’s verder uitgediept: interventies, het leren van
onderwijs professionals, het beleidsvoerend vermogen van scholen
en gedifferentieerd innoveren.
Het boek is van belang voor ieder die via studie of beroep betrokken
is bij onderwijs en onderwijsvernieuwingen.
Eric Verbiest was lector Schoolontwikkeling en Schoolmanagement bij Fontys Hogescholen in Nederland en is zelfstandig gevestigd onderwijsadviseur. Hij is tevens gastprofessor Onderwijsinnovatie aan de Universiteit Antwerpen.
Leren innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie
Innoveren in onderwijs is van alle tijden. Maar zeker de laatste decennia
is er sprake van een bijna permanent vernieuwen van het onderwijs.
Niet alleen willen ouders, overheid en onderwijsprofessionals zelf het
beste uit kinderen halen. Ook onze kennis over leren en onderwijzen
verandert. Dat leidt tot het invoeren van nieuwe werkwijzen in het
onderwijs. Bovendien vraagt ook de groeiende autonomie van scholen
een toenemend beleidsvoerend vermogen van schoolorganisaties.
Ook dit leidt tot innovaties in de school. Succesvol innoveren in het
onderwijs is geen luxe maar noodzaak geworden.
Leren Innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie situeert
onderwijsinnovatie in de maatschappelijke context en bespreekt
de belangrijkste opvattingen over onderwijsinnovatie zoals die,
vooral sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, ontwikkeld zijn.
De verschillende opvattingen komen in hun onderlinge relatie aan
de orde, evenals de sterktes en zwaktes van die benaderingen. De
nadruk ligt hierbij op het proces van innoveren. Ook worden enkele
belangrijke thema’s verder uitgediept: interventies, het leren van
onderwijs professionals, het beleidsvoerend vermogen van scholen
en gedifferentieerd innoveren.
Het boek is van belang voor ieder die via studie of beroep betrokken
is bij onderwijs en onderwijsvernieuwingen.
Eric Verbiest was lector Schoolontwikkeling en Schoolmanagement bij Fontys Hogescholen in Nederland en is zelfstandig gevestigd onderwijsadviseur. Hij is tevens gastprofessor Onderwijsinnovatie aan de Universiteit Antwerpen.

School- en klaspraktijk – nr. 220 (jrg 55) (dec- jan – febr 2013-2014). – Themanummer Wetenschap in het basisonderwijs
Dit nummer van SKP bevat:
- Aandacht voor wetenschapsonderwijs in de basisschool
- Visie op wetenschappelijk denken
- Onderzoekend leren vanuit de eindtermen
- Wetenschapsonderwijs vorm geven
Inhoudstafel
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

School- en klaspraktijk – nr. 220 (jrg 55) (dec- jan – febr 2013-2014). – Themanummer Wetenschap in het basisonderwijs
Dit nummer van SKP bevat:
- Aandacht voor wetenschapsonderwijs in de basisschool
- Visie op wetenschappelijk denken
- Onderzoekend leren vanuit de eindtermen
- Wetenschapsonderwijs vorm geven
Inhoudstafel
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)


Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 2 – Themanummer Jonggestorven schrijvers

Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 2 – Themanummer Jonggestorven schrijvers
Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.
Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.
Descriptive Adaptation Studies. Epistemological and Methodological Issues
It is common practice nowadays for adaptation critics to denounce the lack of meta-theoretical thinking in adaptation studies and to plead for a study of ‘adaptation-as-adaptation’; one that eschews value judgments, steps beyond normative fidelity-based discourse, examines adaptation from an intertextual perspective, and abandons the single-source model for a multiple-source model. This study looks into a research program that does all that and more. It was developed in the late 1980s and presented in the early 1990s as a ‘polysystem’ (PS) study of adaptations.
Since then, the PS label has been replaced with ‘descriptive’. This book studies the question of whether and how a PS approach could evolve into a descriptive adaptation studies (DAS) approach. Although not perfect (no method is), DAS offers a number of assets. Apart from dealing with the above-mentioned issues, DAS transcends an Auteurist approach and looks at explanation beyond the level of individual agency (even if contextualized). As an alternative to the endless accumulation of ad hoc case studies, it suggests corpus-based research into wider trends of adaptational behavior and the roles and functions of sets of adaptations. DAS also allows reflection upon its own epistemic values. It sheds new light on some old issues: How can one define adaptation? What does it mean to study adaptation-as-adaptation? Is equivalence still possible and is the concept still relevant? DAS also tackles some deeper epistemological issues: How can phenomena be compared? Why would difference be more real than sameness or change more real than stasis? How does description relate to evaluation, explanation and prediction, etc.?
This book addresses both theory-minded scholars who are interested in epistemological reflection and practice-oriented adaptation students who want to get started. From a theoretical point of view, it discusses arguments that could support the legitimacy of adaptation studies as an academic discipline. From a practical point of view, it explains in general terms ways of conducting an adaptation study.
Patrick Cattrysse’s work is of utmost
importance to Adaptation Studies. As
the first extended attempt to develop a
rigorous methodology which borrows in
very meaningful ways from Adaptation
Studies’ cousin Translation Studies, this
book should be on every Adaptation
scholar’s shelf. While Hutcheons, Sanders
and Leitch, to name but a few, layed the
groundwork which allowed Adaptation
Studies to establish itself as a field of
inquiry in its own right, Cattrysse moves
the field into the next necessary stage: that
of developing conceptual tools which stand
the test of critical investigation and allow
Adaptation Studies to move beyond the
single case-study approach.
(Katja Krebs - University of Bristol)
This book is a bold initiative: it proposes,
and illustrates, a comprehensive new
empirical research programme for film
adaptation studies, inspired by the way
systems theory and norm theory have
expanded Translation Studies. One of
the book’s unusual strengths is the way
the proposal is grounded in a thoughtful
theoretical discussion of conceptual and
methodological issues, dealing with such
notions as theory, descriptivism, definition,
diachrony and explanation. This gives the
work a significance that ranges well beyond
Adaptation Studies alone; it deserves the
attention of scholars in the humanities in
general.
(Andrew Chesterman - University of Helsinki)
This dense and theoretically-informed
study argues forcefully for a descriptive
systems analysis approach to literature/
film adaptation, building on the author’s
earlier corpus-based study of film noir
and adaptation. Providing a wide-ranging
discussion of important critical questions
(including the place of logical positivism
in humanistic studies), this book will give
adaptation schol
Patrick Cattrysse is an independent researcher. He teaches adaptation studies, narrative studies and screenwriting studies at the Université Libre de Bruxelles, Antwerpen Universiteit and Emerson College European Center.
Descriptive Adaptation Studies. Epistemological and Methodological Issues
It is common practice nowadays for adaptation critics to denounce the lack of meta-theoretical thinking in adaptation studies and to plead for a study of ‘adaptation-as-adaptation’; one that eschews value judgments, steps beyond normative fidelity-based discourse, examines adaptation from an intertextual perspective, and abandons the single-source model for a multiple-source model. This study looks into a research program that does all that and more. It was developed in the late 1980s and presented in the early 1990s as a ‘polysystem’ (PS) study of adaptations.
Since then, the PS label has been replaced with ‘descriptive’. This book studies the question of whether and how a PS approach could evolve into a descriptive adaptation studies (DAS) approach. Although not perfect (no method is), DAS offers a number of assets. Apart from dealing with the above-mentioned issues, DAS transcends an Auteurist approach and looks at explanation beyond the level of individual agency (even if contextualized). As an alternative to the endless accumulation of ad hoc case studies, it suggests corpus-based research into wider trends of adaptational behavior and the roles and functions of sets of adaptations. DAS also allows reflection upon its own epistemic values. It sheds new light on some old issues: How can one define adaptation? What does it mean to study adaptation-as-adaptation? Is equivalence still possible and is the concept still relevant? DAS also tackles some deeper epistemological issues: How can phenomena be compared? Why would difference be more real than sameness or change more real than stasis? How does description relate to evaluation, explanation and prediction, etc.?
This book addresses both theory-minded scholars who are interested in epistemological reflection and practice-oriented adaptation students who want to get started. From a theoretical point of view, it discusses arguments that could support the legitimacy of adaptation studies as an academic discipline. From a practical point of view, it explains in general terms ways of conducting an adaptation study.
Patrick Cattrysse’s work is of utmost
importance to Adaptation Studies. As
the first extended attempt to develop a
rigorous methodology which borrows in
very meaningful ways from Adaptation
Studies’ cousin Translation Studies, this
book should be on every Adaptation
scholar’s shelf. While Hutcheons, Sanders
and Leitch, to name but a few, layed the
groundwork which allowed Adaptation
Studies to establish itself as a field of
inquiry in its own right, Cattrysse moves
the field into the next necessary stage: that
of developing conceptual tools which stand
the test of critical investigation and allow
Adaptation Studies to move beyond the
single case-study approach.
(Katja Krebs - University of Bristol)
This book is a bold initiative: it proposes,
and illustrates, a comprehensive new
empirical research programme for film
adaptation studies, inspired by the way
systems theory and norm theory have
expanded Translation Studies. One of
the book’s unusual strengths is the way
the proposal is grounded in a thoughtful
theoretical discussion of conceptual and
methodological issues, dealing with such
notions as theory, descriptivism, definition,
diachrony and explanation. This gives the
work a significance that ranges well beyond
Adaptation Studies alone; it deserves the
attention of scholars in the humanities in
general.
(Andrew Chesterman - University of Helsinki)
This dense and theoretically-informed
study argues forcefully for a descriptive
systems analysis approach to literature/
film adaptation, building on the author’s
earlier corpus-based study of film noir
and adaptation. Providing a wide-ranging
discussion of important critical questions
(including the place of logical positivism
in humanistic studies), this book will give
adaptation schol
Patrick Cattrysse is an independent researcher. He teaches adaptation studies, narrative studies and screenwriting studies at the Université Libre de Bruxelles, Antwerpen Universiteit and Emerson College European Center.
Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 1 – Themanummer Literaire ontmoetingsplaatsen
Brussel Be)
De Passage Saint-Hubert, pleisterplaats van bannelingen en expats
Parijs (Fr)
Het laatste café
Sint-Petersburg (Ru)
Vergeten zijn ze hun eigen bestaan
Edinburgh (Sc)
Birds of a feather flock together
Leipzig (Du)
Des Kaffeegotts geweihter Tempel
Brussel (Be)
Vierentwintig uur vrijheid per dag
Tubingen (Du)
Het gedicht als ontmoetingsplaats
Cabris (Fr)
Over schrijvers en sterke vrouwen
Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 1 – Themanummer Literaire ontmoetingsplaatsen
Brussel Be)
De Passage Saint-Hubert, pleisterplaats van bannelingen en expats
Parijs (Fr)
Het laatste café
Sint-Petersburg (Ru)
Vergeten zijn ze hun eigen bestaan
Edinburgh (Sc)
Birds of a feather flock together
Leipzig (Du)
Des Kaffeegotts geweihter Tempel
Brussel (Be)
Vierentwintig uur vrijheid per dag
Tubingen (Du)
Het gedicht als ontmoetingsplaats
Cabris (Fr)
Over schrijvers en sterke vrouwen
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.

Zorgbreed – Tijdschrift voor integrale leerlingenzorg – Jrg. 10 (2012-2013), nr. 40 – Themanummer Zorg om de zorgverlener
Inhoudsopgave - Editoriaal
Artikels
Meer info over Zorgbreed

Zorgbreed – Tijdschrift voor integrale leerlingenzorg – Jrg. 10 (2012-2013), nr. 40 – Themanummer Zorg om de zorgverlener
Inhoudsopgave - Editoriaal
Artikels
Meer info over Zorgbreed
Onderwijs op de universiteit. Verkennende studie naar de professionalisering en loopbaanperspectieven van universitair onderwijspersoneel
Dit boek beschrijft de kwaliteitseisen die worden gesteld aan het universitaire onderwijspersoneel en zijn loopbaanmogelijkheden.
De auteur start met een verkenning van de actuele ontwikkelingen in Nederland. Dan volgt een beschrijving van de internationale beleidsbijdragen van onder meer de OECD en de Europese Commissie over de kwaliteitsverbetering van het universitair onderwijs. Daarna komt de inbreng van de wetenschap aan bod, waarvan de studies van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching in de Verenigde Staten een belangrijk deel uitmaken. Ook de ontwikkelingen in het universitair onderwijs in het Verenigd Koninkrijk en Australië worden beschreven. Verder komt een tiental HO-experts aan het woord, die hun mening geven over de positie en de kwaliteit van het onderwijs aan de universiteiten.
In het tweede deel van dit boek worden vijf ‘good practices’ – Maastricht, Utrecht, Rotterdam, Londen en Lund – beschreven, met een blik op de samenhang tussen strategisch beleid en kwaliteits- en personeelsbeleid.
In het derde deel ten slotte wordt een innovatieagenda geformuleerd aan het adres van
bestuur, docenten en studenten om aan de kwaliteit van het universitair onderwijs een
krachtige impuls te geven.
Hubert W.A.M. Coonen studeerde Onderwijskunde aan de Universiteit
Utrecht en promoveerde aan de Universiteit Leiden.
Hij is ruim 30 jaar werkzaam in het hoger onderwijs. Hij werkte
als adviseur hoger onderwijs bij de KPC-Groep in ’s Hertogenbosch,
was algemeen directeur van de Educatieve Faculteit van
de Hogeschool Utrecht, hoogleraar en decaan aan de Faculteit
Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente en hoogleraar
aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was ook kroonlid
en vicevoorzitter van de Onderwijsraad en voorzitter van het
Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs. Nu is hij hoogleraar aan de Teachers
Academy (TA) van Maastricht University. De TA is nauw verbonden met TIER, het Top
Institute for Evidence based Education Research.
Onderwijs op de universiteit. Verkennende studie naar de professionalisering en loopbaanperspectieven van universitair onderwijspersoneel
Dit boek beschrijft de kwaliteitseisen die worden gesteld aan het universitaire onderwijspersoneel en zijn loopbaanmogelijkheden.
De auteur start met een verkenning van de actuele ontwikkelingen in Nederland. Dan volgt een beschrijving van de internationale beleidsbijdragen van onder meer de OECD en de Europese Commissie over de kwaliteitsverbetering van het universitair onderwijs. Daarna komt de inbreng van de wetenschap aan bod, waarvan de studies van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching in de Verenigde Staten een belangrijk deel uitmaken. Ook de ontwikkelingen in het universitair onderwijs in het Verenigd Koninkrijk en Australië worden beschreven. Verder komt een tiental HO-experts aan het woord, die hun mening geven over de positie en de kwaliteit van het onderwijs aan de universiteiten.
In het tweede deel van dit boek worden vijf ‘good practices’ – Maastricht, Utrecht, Rotterdam, Londen en Lund – beschreven, met een blik op de samenhang tussen strategisch beleid en kwaliteits- en personeelsbeleid.
In het derde deel ten slotte wordt een innovatieagenda geformuleerd aan het adres van
bestuur, docenten en studenten om aan de kwaliteit van het universitair onderwijs een
krachtige impuls te geven.
Hubert W.A.M. Coonen studeerde Onderwijskunde aan de Universiteit
Utrecht en promoveerde aan de Universiteit Leiden.
Hij is ruim 30 jaar werkzaam in het hoger onderwijs. Hij werkte
als adviseur hoger onderwijs bij de KPC-Groep in ’s Hertogenbosch,
was algemeen directeur van de Educatieve Faculteit van
de Hogeschool Utrecht, hoogleraar en decaan aan de Faculteit
Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente en hoogleraar
aan de Open Universiteit in Heerlen. Hij was ook kroonlid
en vicevoorzitter van de Onderwijsraad en voorzitter van het
Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs. Nu is hij hoogleraar aan de Teachers
Academy (TA) van Maastricht University. De TA is nauw verbonden met TIER, het Top
Institute for Evidence based Education Research.
Eén, twee … hupsakee … Heen-en-weerboekje
Wanneer je kind naar het kinderdagverblijf gaat, wil je als ouder graag op de hoogte zijn van hoe je kind het doet.
Met dit heen-en- weerboekje willen we zorgen voor een goede communicatie tussen de ouders en het kinderdagverblijf.
Het is immers belangrijk voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind dat ouders en begeleid(st)ers altijd goed geïnformeerd zijn.
Er zijn ook navulblaadjes beschikbaar.
Deze kunnen ingevoegd worden bij ''Deel 2: Mijn Dagboekje'' van het ''Heen-en-weerboekje''.
Eén, twee … hupsakee … Heen-en-weerboekje
Wanneer je kind naar het kinderdagverblijf gaat, wil je als ouder graag op de hoogte zijn van hoe je kind het doet.
Met dit heen-en- weerboekje willen we zorgen voor een goede communicatie tussen de ouders en het kinderdagverblijf.
Het is immers belangrijk voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind dat ouders en begeleid(st)ers altijd goed geïnformeerd zijn.
Er zijn ook navulblaadjes beschikbaar.
Deze kunnen ingevoegd worden bij ''Deel 2: Mijn Dagboekje'' van het ''Heen-en-weerboekje''.
Seksueel verlangen en knooppunten. Begeleiden van seksuele processen in de context van partnerrelatie (Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie, nr. 6)
Het is niet ongewoon dat partners na diverse jaren in een relatie op ernstige knooppunten stoten. Deze knooppunten kunnen de relatie haar vitaliteit ontnemen en zelfs in gevaar brengen. Mensen die dit ondervinden, spreken er echter niet gauw over. Bij hulpverleners ontbreekt het soms ook aan een taal om het hierover te hebben.
Dit boek bespreekt meer specifiek de rol van de seksualiteit bij het vastlopen van relaties. Nu eens raakt de seksualiteit mee betrokken in een relationele moeilijkheid, dan weer is het een seksueel probleem dat de relatie in de gevarenzone brengt. De rode draad in het boek is een fictieve casus, die is samengesteld vanuit het verhaal van diverse koppels die na minstens vijf jaar relatie op consultatie komen. Op die casus wordt vanuit diverse perspectieven ingegaan: psychodynamische, seksuologische, contextueel/ethische en levensloopperspectieven. Telkens worden concrete behandelmogelijkheden beschreven. De seksualiteit krijgt daarin een prominente en specifieke plaats: als belangrijk domein of instrument om de relatie te revitaliseren. Het boek richt zich tot mensen die zoekende zijn op het ogenblik dat hun relatie na een aantal jaren dreigt vast te lopen en daarbij ervaren dat seksuele verschillen en processen een cruciale rol spelen in de moeilijkheden. En ook tot de brede groep hulpverleners die lange termijn partners wil begeleiden bij seksuele/relationele knooppunten.
Sonja Kauwenberghs, bachelor gezinswetenschappen, werkte eerder in Vluchthuis De Terp
in Boechout. Nu werkt zij bij ADIC – Antwerps Drug Interventie Centrum, waar residentiële
en op reïntegratie gerichte opvang geboden wordt aan problematische druggebruikers.
Koen Baeten, doctor in de wijsbegeerte en moraalwetenschappen, master in de familiale en
seksuologische wetenschappen, master in de godsdienstwetenschappen en master in de wijsbegeerte.
Hij is klinisch seksuoloog, psychoanalyticus en psychotherapeut/relatietherapeut.
Hij doceert aan het HIG – Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-
Universiteit Brussel en is onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van het
HIG. Hij is ook opgeleid in de psychoanalyse.
Patrick Meurs, doctor in psychologie, master in godsdienstwetenschappen, in culturele antropologie
en baccalaureus in de filosofie en opgeleid in psychodynamische kindertherapie.
Hij studeerde ook seksuologie, doceert klinische psychologie aan de KU Leuven en gezinswetenschappen
aan het HIG. Hij is ook onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen
van het HIG.
Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie
Seksueel verlangen en knooppunten. Begeleiden van seksuele processen in de context van partnerrelatie (Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie, nr. 6)
Het is niet ongewoon dat partners na diverse jaren in een relatie op ernstige knooppunten stoten. Deze knooppunten kunnen de relatie haar vitaliteit ontnemen en zelfs in gevaar brengen. Mensen die dit ondervinden, spreken er echter niet gauw over. Bij hulpverleners ontbreekt het soms ook aan een taal om het hierover te hebben.
Dit boek bespreekt meer specifiek de rol van de seksualiteit bij het vastlopen van relaties. Nu eens raakt de seksualiteit mee betrokken in een relationele moeilijkheid, dan weer is het een seksueel probleem dat de relatie in de gevarenzone brengt. De rode draad in het boek is een fictieve casus, die is samengesteld vanuit het verhaal van diverse koppels die na minstens vijf jaar relatie op consultatie komen. Op die casus wordt vanuit diverse perspectieven ingegaan: psychodynamische, seksuologische, contextueel/ethische en levensloopperspectieven. Telkens worden concrete behandelmogelijkheden beschreven. De seksualiteit krijgt daarin een prominente en specifieke plaats: als belangrijk domein of instrument om de relatie te revitaliseren. Het boek richt zich tot mensen die zoekende zijn op het ogenblik dat hun relatie na een aantal jaren dreigt vast te lopen en daarbij ervaren dat seksuele verschillen en processen een cruciale rol spelen in de moeilijkheden. En ook tot de brede groep hulpverleners die lange termijn partners wil begeleiden bij seksuele/relationele knooppunten.
Sonja Kauwenberghs, bachelor gezinswetenschappen, werkte eerder in Vluchthuis De Terp
in Boechout. Nu werkt zij bij ADIC – Antwerps Drug Interventie Centrum, waar residentiële
en op reïntegratie gerichte opvang geboden wordt aan problematische druggebruikers.
Koen Baeten, doctor in de wijsbegeerte en moraalwetenschappen, master in de familiale en
seksuologische wetenschappen, master in de godsdienstwetenschappen en master in de wijsbegeerte.
Hij is klinisch seksuoloog, psychoanalyticus en psychotherapeut/relatietherapeut.
Hij doceert aan het HIG – Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-
Universiteit Brussel en is onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van het
HIG. Hij is ook opgeleid in de psychoanalyse.
Patrick Meurs, doctor in psychologie, master in godsdienstwetenschappen, in culturele antropologie
en baccalaureus in de filosofie en opgeleid in psychodynamische kindertherapie.
Hij studeerde ook seksuologie, doceert klinische psychologie aan de KU Leuven en gezinswetenschappen
aan het HIG. Hij is ook onderzoeker bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen
van het HIG.
Cahiers Seksuele Psychologie & Seksuologie

School- en klaspraktijk – nr. 218 (jrg 54) (mei- juni – juli 2012-2013) – Themanummer Executieve functieproblemen in de klas
Dit nummer van SKP bevat:
- 1 Theorie
- Kenmerken van autisme
- Kenmerken van executieve functies
- Autisme en executieve functies
- Executieve functies in de klas bij kinderen met autisme
- 2 Praktijk
- Tips voor leerkrachten bij executieve functieproblemen
- 3 Bijlagen
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

School- en klaspraktijk – nr. 218 (jrg 54) (mei- juni – juli 2012-2013) – Themanummer Executieve functieproblemen in de klas
Dit nummer van SKP bevat:
- 1 Theorie
- Kenmerken van autisme
- Kenmerken van executieve functies
- Autisme en executieve functies
- Executieve functies in de klas bij kinderen met autisme
- 2 Praktijk
- Tips voor leerkrachten bij executieve functieproblemen
- 3 Bijlagen
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)
Afschaffing van de slavernij. Complexe voorgeschiedenis van een wereldwonder
In de eerste helft van de negentiende eeuw maakte Groot-Brittannië als eerste een einde aan de koloniale slavenhandel en de slavernij binnen zijn rijk. Daarna volgden andere koloniale mogendheden zoals Frankrijk, Denemarken en Nederland. In 1865 volgden de Verenigde Staten. Langzaam volgden ook andere landen dit voorbeeld. Ruim honderd jaar later sloot Mauritanië de rij.
Hoe ging de afschaffing in zijn werk? Welke sociale, politieke en culturele factoren speelden hierbij een rol? Welke individuen en bewegingen waren de gangmakers? Welke invloed hadden de ideeën van de verlichting, de Franse Revolutie en het protestantisme? Wat was de rol van de Katholieke Kerk? Hoe belangrijk was het verzet van de slaven? Welke invloed had hun bekering tot het christendom? Hoe slaagde de abolitiebeweging erin de blanken ervan te doordringen dat ook slaven mensen waren met een hart en een ziel? Welke propagandamiddelen werden in de strijd geworpen? En waarom verliep de afschaffing binnen de Europese koloniale rijken betrekkelijk vredig terwijl er in de Verenigde Staten een bloedige burgeroorlog werd uitgevochten?
Op deze boeiende vragen geeft dit boek een antwoord. Het maakt duidelijk dat het juist
de configuratie van samenvallende processen en ontwikkelingen was die de afschaffing
overal onafwendbaar maakte, ondanks de opmerkelijke culturele en structurele verschillen.
Mart-Jan de Jong is emeritus hoogleraar sociale wetenschappen. Hij was verbonden
aan de Roosevelt Academy te Middelburg en de Universiteit Utrecht. Hij heeft zich
gespecialiseerd in en gepubliceerd over onderwijssociologie, migratie en integratieprocessen,
de verzorgingsstaat en het werk van de grondleggers en grootmeesters van
de sociologie.
Yael Wodnitzky behaalde haar Bachelor of Arts aan de Roosevelt Academy in Middelburg, met extra aandacht voor sociologie, psychologie, religie en filosofie. Zij volgt nu een research master filosofie aan de Universiteit van Utrecht.
Afschaffing van de slavernij. Complexe voorgeschiedenis van een wereldwonder
In de eerste helft van de negentiende eeuw maakte Groot-Brittannië als eerste een einde aan de koloniale slavenhandel en de slavernij binnen zijn rijk. Daarna volgden andere koloniale mogendheden zoals Frankrijk, Denemarken en Nederland. In 1865 volgden de Verenigde Staten. Langzaam volgden ook andere landen dit voorbeeld. Ruim honderd jaar later sloot Mauritanië de rij.
Hoe ging de afschaffing in zijn werk? Welke sociale, politieke en culturele factoren speelden hierbij een rol? Welke individuen en bewegingen waren de gangmakers? Welke invloed hadden de ideeën van de verlichting, de Franse Revolutie en het protestantisme? Wat was de rol van de Katholieke Kerk? Hoe belangrijk was het verzet van de slaven? Welke invloed had hun bekering tot het christendom? Hoe slaagde de abolitiebeweging erin de blanken ervan te doordringen dat ook slaven mensen waren met een hart en een ziel? Welke propagandamiddelen werden in de strijd geworpen? En waarom verliep de afschaffing binnen de Europese koloniale rijken betrekkelijk vredig terwijl er in de Verenigde Staten een bloedige burgeroorlog werd uitgevochten?
Op deze boeiende vragen geeft dit boek een antwoord. Het maakt duidelijk dat het juist
de configuratie van samenvallende processen en ontwikkelingen was die de afschaffing
overal onafwendbaar maakte, ondanks de opmerkelijke culturele en structurele verschillen.
Mart-Jan de Jong is emeritus hoogleraar sociale wetenschappen. Hij was verbonden
aan de Roosevelt Academy te Middelburg en de Universiteit Utrecht. Hij heeft zich
gespecialiseerd in en gepubliceerd over onderwijssociologie, migratie en integratieprocessen,
de verzorgingsstaat en het werk van de grondleggers en grootmeesters van
de sociologie.
Yael Wodnitzky behaalde haar Bachelor of Arts aan de Roosevelt Academy in Middelburg, met extra aandacht voor sociologie, psychologie, religie en filosofie. Zij volgt nu een research master filosofie aan de Universiteit van Utrecht.
Eigenheid met respect. Reflecties over het katholiek onderwijs in Antwerpen.
Dit boek bestudeert binnen de stad Antwerpen de eigenheid van de katholieke scholen. Deze studie past in het zogenaamde AWEL-project, opgezet door het begeleidingskorps van het bisdom Antwerpen. Er bleek een behoefte te bestaan aan een discussietekst die de problematiek systematisch kon kaderen en die via voorstellen een dynamiek van overleg op gang zou kunnen brengen. Het eerste deel is een informatief dossier over de situatie in de stad Antwerpen. Er is gekozen voor een systeemaanpak waarbij het onderwijs in de stad Antwerpen – en bij afleiding ook het katholiek onderwijs aldaar – wordt bekeken als een open systeem. Die systeemaanpak vertaalt zich in een benadering op diverse echelons. De situaties op die echelons dienen als subsystemen, die complementair zijn om de problematiek in zijn volledigheid te vatten.
Het eerste niveau bevat de landelijke overheid, die een grootstedelijk beleid al dan niet kan faciliteren. Dan is er het niveau van de lokale overheid van de stad Antwerpen, die coördinerend kan optreden. Vervolgens is er het beheersniveau van het katholiek onderwijs in de stad, met repercussies op de samenwerkingsverbanden tussen scholen. Een ander niveau is dat van het curriculum. Welke aanpassingen zijn er wenselijk aan het curriculum om aan de grotestadsproblematiek tegemoet te komen? Het volgende en belangrijkste niveau is dat van de concrete school en klas. Daarin komen voorstellen van differentiatie, talenbeleid, ouderwerking, lerarenvisies en groepsvorming in school en klas aan bod. Het resultaat is een reeks voorstellen, die niet allemaal nieuw zijn, maar die wel in samenhang en volgens prioriteit worden gepresenteerd. Sommige van die voorstellen vragen juridische wijzigingen, onder meer het pleidooi voor modulair beroepsgericht onderwijs en aangepaste samenwerkingsvormen binnen een grote stad. Alle voorstellen worden geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, die door de pedagogische begeleiding werden verzameld.
Roger Standaert begon zijn loopbaan als lector aan de lerarenopleiding na zijn studies pedagogische wetenschappen. Vanaf 1976 tot 1989 was hij hoofdcoördinator voor het Vernieuwd Secundair Onderwijs in het katholiek onderwijs. In 1989 promoveerde hij aan de KU Leuven op een comparatief proefschrift over het onderwijsbeleid in een aantal landen. In 1991 werd hij bij het Vlaamse Ministerie van Onderwijs benoemd tot eerste directeur van de nieuw opgerichte Dienst voor Onderwijsontwikkeling (later Curriculum). In 1997 werd hij voorzitter van het Consortium of Institutes for Development and Research in Education in Europe (CIDREE). Vanaf 1998 doceerde hij vergelijkende pedagogiek aan de universiteit Gent. Hij schreef een aantal boeken waaronder ‘Vergelijken van Onderwijssystemen’ en ‘Globalisering van het onderwijs in contexten’ en hij publiceerde talrijke artikelen in binnenlandse en buitenlandse tijdschriften, voornamelijk in verband met lokale autonomie en onderwijsbeleid. Sinds 2012 beëindigde hij zijn professionele loopbaan, maar blijft hij actief in diverse plaatselijke en internationale onderwijsorganisaties.
Eigenheid met respect. Reflecties over het katholiek onderwijs in Antwerpen.
Dit boek bestudeert binnen de stad Antwerpen de eigenheid van de katholieke scholen. Deze studie past in het zogenaamde AWEL-project, opgezet door het begeleidingskorps van het bisdom Antwerpen. Er bleek een behoefte te bestaan aan een discussietekst die de problematiek systematisch kon kaderen en die via voorstellen een dynamiek van overleg op gang zou kunnen brengen. Het eerste deel is een informatief dossier over de situatie in de stad Antwerpen. Er is gekozen voor een systeemaanpak waarbij het onderwijs in de stad Antwerpen – en bij afleiding ook het katholiek onderwijs aldaar – wordt bekeken als een open systeem. Die systeemaanpak vertaalt zich in een benadering op diverse echelons. De situaties op die echelons dienen als subsystemen, die complementair zijn om de problematiek in zijn volledigheid te vatten.
Het eerste niveau bevat de landelijke overheid, die een grootstedelijk beleid al dan niet kan faciliteren. Dan is er het niveau van de lokale overheid van de stad Antwerpen, die coördinerend kan optreden. Vervolgens is er het beheersniveau van het katholiek onderwijs in de stad, met repercussies op de samenwerkingsverbanden tussen scholen. Een ander niveau is dat van het curriculum. Welke aanpassingen zijn er wenselijk aan het curriculum om aan de grotestadsproblematiek tegemoet te komen? Het volgende en belangrijkste niveau is dat van de concrete school en klas. Daarin komen voorstellen van differentiatie, talenbeleid, ouderwerking, lerarenvisies en groepsvorming in school en klas aan bod. Het resultaat is een reeks voorstellen, die niet allemaal nieuw zijn, maar die wel in samenhang en volgens prioriteit worden gepresenteerd. Sommige van die voorstellen vragen juridische wijzigingen, onder meer het pleidooi voor modulair beroepsgericht onderwijs en aangepaste samenwerkingsvormen binnen een grote stad. Alle voorstellen worden geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, die door de pedagogische begeleiding werden verzameld.
Roger Standaert begon zijn loopbaan als lector aan de lerarenopleiding na zijn studies pedagogische wetenschappen. Vanaf 1976 tot 1989 was hij hoofdcoördinator voor het Vernieuwd Secundair Onderwijs in het katholiek onderwijs. In 1989 promoveerde hij aan de KU Leuven op een comparatief proefschrift over het onderwijsbeleid in een aantal landen. In 1991 werd hij bij het Vlaamse Ministerie van Onderwijs benoemd tot eerste directeur van de nieuw opgerichte Dienst voor Onderwijsontwikkeling (later Curriculum). In 1997 werd hij voorzitter van het Consortium of Institutes for Development and Research in Education in Europe (CIDREE). Vanaf 1998 doceerde hij vergelijkende pedagogiek aan de universiteit Gent. Hij schreef een aantal boeken waaronder ‘Vergelijken van Onderwijssystemen’ en ‘Globalisering van het onderwijs in contexten’ en hij publiceerde talrijke artikelen in binnenlandse en buitenlandse tijdschriften, voornamelijk in verband met lokale autonomie en onderwijsbeleid. Sinds 2012 beëindigde hij zijn professionele loopbaan, maar blijft hij actief in diverse plaatselijke en internationale onderwijsorganisaties.




