Communiceren op uw gezondheid. De stem van wetenschappers in het gezondheidsdebat
Bij de recente uitbraak van ebola ontstond paniek. Toch eist de schijnbaar onschuldige seizoensgriep jaarlijks meer slachtoffers. Waarom laten dan niet alle patiënten uit risicogroepen zich vaccineren? Welke lessen kunnen we daaruit leren? En welke rol moeten wetenschappers spelen in het vermijden en aanpakken van deze ziektes?
Wetenschappers moeten beter communiceren op een open en transparante manier, beter samenwerken met beleidsmakers en zorgverleners en de bevolking juist informeren. Maar hoe moet dat dan?
De auteurs illustreren met voorbeelden en anekdotes hun vaststellingen en aanbevelingen, gebaseerd op hun jarenlange ervaring in het griepveld. Ze gaan in op kansen en valkuilen in de relatie met de pers, op het verantwoorden van onderzoek en de samenwerking met de farmaceutische industrie, op de risico’s op desinformatie, enzovoort.
Het boek is aldus een oproep naar wetenschappers, beleidsmakers, industrie en zorgverleners om hun verantwoordelijkheid op te nemen voor een duurzaam gezondheidsbeleid.
Met een voorwoord door Marc Van Ranst en Roel Coutinho.
PROF. DR. A.D.M.E. (AB) OSTERHAUS is
hoogleraar virologie en virus discovery aan de
Universiteit Utrecht en directeur van het nieuw
opgerichte Center for Infection Medicine and
Zoonoses Research in Hannover. Voordien was
hij hoofd van het departement viroscience van
het Erasmus MC in Rotterdam.
CHRIS VANLANGENDONCK is marketeer en communicatiewetenschapper. Ze staat aan het hoofd van Semiotics, een bureau dat wetenschappers, wetenschappelijke organisaties en academische instellingen begeleidt bij hun communicatie.
Ab Osterhaus is voorzitter van de European Scientific Working group on Influenza (ESWI), Chris Vanlangendonck is er verantwoordelijk voor de positionering en communicatie.
Communiceren op uw gezondheid. De stem van wetenschappers in het gezondheidsdebat
Bij de recente uitbraak van ebola ontstond paniek. Toch eist de schijnbaar onschuldige seizoensgriep jaarlijks meer slachtoffers. Waarom laten dan niet alle patiënten uit risicogroepen zich vaccineren? Welke lessen kunnen we daaruit leren? En welke rol moeten wetenschappers spelen in het vermijden en aanpakken van deze ziektes?
Wetenschappers moeten beter communiceren op een open en transparante manier, beter samenwerken met beleidsmakers en zorgverleners en de bevolking juist informeren. Maar hoe moet dat dan?
De auteurs illustreren met voorbeelden en anekdotes hun vaststellingen en aanbevelingen, gebaseerd op hun jarenlange ervaring in het griepveld. Ze gaan in op kansen en valkuilen in de relatie met de pers, op het verantwoorden van onderzoek en de samenwerking met de farmaceutische industrie, op de risico’s op desinformatie, enzovoort.
Het boek is aldus een oproep naar wetenschappers, beleidsmakers, industrie en zorgverleners om hun verantwoordelijkheid op te nemen voor een duurzaam gezondheidsbeleid.
Met een voorwoord door Marc Van Ranst en Roel Coutinho.
PROF. DR. A.D.M.E. (AB) OSTERHAUS is
hoogleraar virologie en virus discovery aan de
Universiteit Utrecht en directeur van het nieuw
opgerichte Center for Infection Medicine and
Zoonoses Research in Hannover. Voordien was
hij hoofd van het departement viroscience van
het Erasmus MC in Rotterdam.
CHRIS VANLANGENDONCK is marketeer en communicatiewetenschapper. Ze staat aan het hoofd van Semiotics, een bureau dat wetenschappers, wetenschappelijke organisaties en academische instellingen begeleidt bij hun communicatie.
Ab Osterhaus is voorzitter van de European Scientific Working group on Influenza (ESWI), Chris Vanlangendonck is er verantwoordelijk voor de positionering en communicatie.
Onveilige burger en bange politiek? Van 9/11 tot Edward Snowden en verder
Als de aanslagen van 11 september 2001 ergens toe geleid
hebben, is het een angstpsychose. Niet zozeer een angstpsychose
onder burgers, waar politici zo graag naar verwijzen,
maar een onder politici zelf. Na elke aanslag doet zich een veiligheidskramp
voor, die leidt tot een reeks nieuwe maatregelen
bovenop de al bestaande. Telkens opnieuw wordt gesteld
dat nieuwe initiatieven nodig zijn omdat de oude niet voldoen.
Maar de oude maatregelen worden zelden heroverwogen en
geëvalueerd op hun efficiëntie, laat staan op hun proportionaliteits-
of ethisch gehalte.
In dit boek wordt de balans opgemaakt van het veiligheidsbeleid
in Amerika en Europa sinds 9/11. Die evaluatie gebeurt
in confrontatie met de burger- en mensenrechten. De vraag
wordt gesteld of de inbreuken op die rechten onontkoombaar
zijn en of ze eigenlijk in verhouding zijn tot het kwaad dat ze
willen voorkomen. Centraal staat dus de spanning tussen de
veiligheid en de rechten van de burger en de vraag in hoeverre
ze werkelijk rivalen zijn.
Dit is een boek dat niet alleen de realiteit in kaart brengt en
evalueert, maar ook inzichten biedt in de weerkerende, vaak
eenzijdige en kortzichtige keuzes die gemaakt worden in tijden
van terreur, en de verborgen logica die hierachter schuilt.
WIM SMIT is doctor in de theologische ethiek, gespecialiseerd in terrorisme, veiligheidsbeleid en mensenrechten. Een thematiek waarover hij ook blogt.
Onveilige burger en bange politiek? Van 9/11 tot Edward Snowden en verder
Als de aanslagen van 11 september 2001 ergens toe geleid
hebben, is het een angstpsychose. Niet zozeer een angstpsychose
onder burgers, waar politici zo graag naar verwijzen,
maar een onder politici zelf. Na elke aanslag doet zich een veiligheidskramp
voor, die leidt tot een reeks nieuwe maatregelen
bovenop de al bestaande. Telkens opnieuw wordt gesteld
dat nieuwe initiatieven nodig zijn omdat de oude niet voldoen.
Maar de oude maatregelen worden zelden heroverwogen en
geëvalueerd op hun efficiëntie, laat staan op hun proportionaliteits-
of ethisch gehalte.
In dit boek wordt de balans opgemaakt van het veiligheidsbeleid
in Amerika en Europa sinds 9/11. Die evaluatie gebeurt
in confrontatie met de burger- en mensenrechten. De vraag
wordt gesteld of de inbreuken op die rechten onontkoombaar
zijn en of ze eigenlijk in verhouding zijn tot het kwaad dat ze
willen voorkomen. Centraal staat dus de spanning tussen de
veiligheid en de rechten van de burger en de vraag in hoeverre
ze werkelijk rivalen zijn.
Dit is een boek dat niet alleen de realiteit in kaart brengt en
evalueert, maar ook inzichten biedt in de weerkerende, vaak
eenzijdige en kortzichtige keuzes die gemaakt worden in tijden
van terreur, en de verborgen logica die hierachter schuilt.
WIM SMIT is doctor in de theologische ethiek, gespecialiseerd in terrorisme, veiligheidsbeleid en mensenrechten. Een thematiek waarover hij ook blogt.
Meertaligheid onder de loep
Het belang van meertaligheid in onze hedendaagse maatschappij kan niet
genoeg benadrukt worden. Toenemende globalisering, migratie en technologische
vernieuwingen maken van meertaligheid eerder de norm dan de
uitzondering. Dit creëert nieuwe uitdagingen, zowel op onderzoeks- als op
beleidsvlak. Want wanneer is iemand meertalig? Wat is de invloed van de
omgeving? Wat doet meertaligheid met de hersenen? Wat als een meertalige
plots een taalstoornis heeft? Welke cognitieve en affectieve factoren spelen
een rol? Wat bevordert of belemmert de implementatie van meertalig onderwijs?
Welke rol speelt meertaligheid bij de constructie van maatschappelijke
en individuele identiteiten? Hoe beïnvloedt meertaligheid mediaprocessen
en berichtgeving?
Dit boek biedt een overzicht van de recentste inzichten over meertaligheid.
Verscheidene auteurs komen aan het woord vanuit hun expertisedomein.
Ze voeren onderzoek in de Belgische meertalige context, gekaderd in een
Europees perspectief.
Meertaligheid onder de loep
Het belang van meertaligheid in onze hedendaagse maatschappij kan niet
genoeg benadrukt worden. Toenemende globalisering, migratie en technologische
vernieuwingen maken van meertaligheid eerder de norm dan de
uitzondering. Dit creëert nieuwe uitdagingen, zowel op onderzoeks- als op
beleidsvlak. Want wanneer is iemand meertalig? Wat is de invloed van de
omgeving? Wat doet meertaligheid met de hersenen? Wat als een meertalige
plots een taalstoornis heeft? Welke cognitieve en affectieve factoren spelen
een rol? Wat bevordert of belemmert de implementatie van meertalig onderwijs?
Welke rol speelt meertaligheid bij de constructie van maatschappelijke
en individuele identiteiten? Hoe beïnvloedt meertaligheid mediaprocessen
en berichtgeving?
Dit boek biedt een overzicht van de recentste inzichten over meertaligheid.
Verscheidene auteurs komen aan het woord vanuit hun expertisedomein.
Ze voeren onderzoek in de Belgische meertalige context, gekaderd in een
Europees perspectief.
Leraren, wat boeit jullie? Theoretisch en empirisch onderzoek naar roeping binnen het professioneel zelfverstaan – Handelseditie
Het beroep van de leraar staat ter discussie. Hierbij spelen fundamentele vragen een rol.
- Kan het leraarschap beschreven en beoordeeld worden op grond van competentielijsten?
- Wordt het beroep van leraar in de nabije toekomst overbodig door educatieve computerprogramma’s?
- Hebben leraren zelf iets in te brengen in de vormgeving van hun beroep?
Zowel theoretisch als empirisch toont dit onderzoek aan dat een strikt zakelijkinstrumentele benadering onvoldoende recht doet aan de eigenheid van het leraarschap. De auteur pleit in dit kader voor een rehabilitatie van het woord roeping.
Zo blijkt uit een enquête dat veel leraren positieve associaties hebben bij roeping: zij
associëren dit begrip met een zich aangesproken weten door jonge mensen. In het verlengde
hiervan voelen leraren zich gedreven om bij te dragen aan de vorming van hun
leerlingen. Een andere opvallende uitkomst is dat veel leraren spirituele associaties
hebben bij hun leraarschap.
Ook uit de gehouden diepte-interviews blijkt dat er sprake is van roeping. Zo blijkt de
inspiratiebron voor de inzet voor leerlingen in de eigen persoonlijke en professionele
levensgeschiedenis te liggen. Deze beleving van het leraarschap draagt bij aan de
persoonlijk-professionele ontwikkeling en kan als roeping gekenschetst worden. De
analyses leiden tot een model van de professionaliteit, waarbinnen betekenisgeving en
menswaardigheid centraal staan.
Zowel theoretisch als qua onderzoek biedt deze studie interessante ingangen voor iedere professional die een menswaardige professionaliteit nastreeft binnen sectoren zoals de gezondheidszorg, hulpverlening, overheid, onderwijs en politie.
Bill Banning is theoloog en werkzaam als docent en identiteitsbegeleider. Daarnaast publiceert hij op gebied van onderwijs en levensbeschouwing. Het essay Onderwijsdier in hart en nieren. Een persoonlijke visie op groei, professionaliteit en pedagogisch vermogen (2007) diende als persoonlijke voorstudie voor dit proefschrift.
Leraren, wat boeit jullie? Theoretisch en empirisch onderzoek naar roeping binnen het professioneel zelfverstaan – Handelseditie
Het beroep van de leraar staat ter discussie. Hierbij spelen fundamentele vragen een rol.
- Kan het leraarschap beschreven en beoordeeld worden op grond van competentielijsten?
- Wordt het beroep van leraar in de nabije toekomst overbodig door educatieve computerprogramma’s?
- Hebben leraren zelf iets in te brengen in de vormgeving van hun beroep?
Zowel theoretisch als empirisch toont dit onderzoek aan dat een strikt zakelijkinstrumentele benadering onvoldoende recht doet aan de eigenheid van het leraarschap. De auteur pleit in dit kader voor een rehabilitatie van het woord roeping.
Zo blijkt uit een enquête dat veel leraren positieve associaties hebben bij roeping: zij
associëren dit begrip met een zich aangesproken weten door jonge mensen. In het verlengde
hiervan voelen leraren zich gedreven om bij te dragen aan de vorming van hun
leerlingen. Een andere opvallende uitkomst is dat veel leraren spirituele associaties
hebben bij hun leraarschap.
Ook uit de gehouden diepte-interviews blijkt dat er sprake is van roeping. Zo blijkt de
inspiratiebron voor de inzet voor leerlingen in de eigen persoonlijke en professionele
levensgeschiedenis te liggen. Deze beleving van het leraarschap draagt bij aan de
persoonlijk-professionele ontwikkeling en kan als roeping gekenschetst worden. De
analyses leiden tot een model van de professionaliteit, waarbinnen betekenisgeving en
menswaardigheid centraal staan.
Zowel theoretisch als qua onderzoek biedt deze studie interessante ingangen voor iedere professional die een menswaardige professionaliteit nastreeft binnen sectoren zoals de gezondheidszorg, hulpverlening, overheid, onderwijs en politie.
Bill Banning is theoloog en werkzaam als docent en identiteitsbegeleider. Daarnaast publiceert hij op gebied van onderwijs en levensbeschouwing. Het essay Onderwijsdier in hart en nieren. Een persoonlijke visie op groei, professionaliteit en pedagogisch vermogen (2007) diende als persoonlijke voorstudie voor dit proefschrift.
Community involvement in heritage (Reflections on Cultural Heritage Theories and Practices (A series by the Raymond Lemaire International Centre for Conservation, KUL – Deel 1)
The value of heritage for society is increasingly underscored. This goes hand in hand with a growing interest for local communities’ involvement in heritage management plans. Although this shift in discourse is acknowledged, its practical implementation seems often too ambitious and not easy to apply. Therefore, the Raymond Lemaire International Centre for Conservation (RLICC, University of Leuven) considered “community participation in valuing and managing heritage” a relevant and timely topic for its annual international conference, the “Thematic Week”.
This volume reports on the lectures and fruitful debates dedicated to this theme during the 2014 Thematic Week, which took place January 22nd-24th. The conference entailed an integral and holistic approach towards community participation. Focusing traditionally on the conservation of the historic urban environment and immovable heritage, the RLICC took the opportunity to involve both the intangible and movable heritage fields which have a more apparent relation with community participation in managing heritage.
The contributions by different international authors, including theoretical reflections, policy / discourse analyses and practical case studies, show that a balanced approach is needed. They evidence that more research is required on the success and on failure factors associated with community participation in heritage preservation and management projects. It appears that taking full advantage of public participation requires considering heritage as an economic, social and intellectual resource for local communities. These added benefits can enhance the value a community attributes to heritage and encourages them to maintain it.
This publication was developed in context of the UNESCO Chair on Preventive Conservation, Monitoring and Maintenance of Monuments and Sites (PRECOM3OS), established at the RLICC in collaboration with Monumentenwacht Vlaanderen and the Faculty of Architecture of the University of Cuenca in Ecuador and financially supported by the Janssen Fund for Preventive Conservation.
Community involvement in heritage (Reflections on Cultural Heritage Theories and Practices (A series by the Raymond Lemaire International Centre for Conservation, KUL – Deel 1)
The value of heritage for society is increasingly underscored. This goes hand in hand with a growing interest for local communities’ involvement in heritage management plans. Although this shift in discourse is acknowledged, its practical implementation seems often too ambitious and not easy to apply. Therefore, the Raymond Lemaire International Centre for Conservation (RLICC, University of Leuven) considered “community participation in valuing and managing heritage” a relevant and timely topic for its annual international conference, the “Thematic Week”.
This volume reports on the lectures and fruitful debates dedicated to this theme during the 2014 Thematic Week, which took place January 22nd-24th. The conference entailed an integral and holistic approach towards community participation. Focusing traditionally on the conservation of the historic urban environment and immovable heritage, the RLICC took the opportunity to involve both the intangible and movable heritage fields which have a more apparent relation with community participation in managing heritage.
The contributions by different international authors, including theoretical reflections, policy / discourse analyses and practical case studies, show that a balanced approach is needed. They evidence that more research is required on the success and on failure factors associated with community participation in heritage preservation and management projects. It appears that taking full advantage of public participation requires considering heritage as an economic, social and intellectual resource for local communities. These added benefits can enhance the value a community attributes to heritage and encourages them to maintain it.
This publication was developed in context of the UNESCO Chair on Preventive Conservation, Monitoring and Maintenance of Monuments and Sites (PRECOM3OS), established at the RLICC in collaboration with Monumentenwacht Vlaanderen and the Faculty of Architecture of the University of Cuenca in Ecuador and financially supported by the Janssen Fund for Preventive Conservation.
ADAPTI. Vragenlijst naar adaptieve vaardigheden voor jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis 16-25 jaar
Jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis (ASS) staan voor een grote uitdaging. Ze worden voor keuzes gesteld, komen vaak in een nieuwe omgeving terecht en er wordt een grotere mate van zelfstandigheid verwacht. Individuele begeleiding helpt hen om zich hierop voor te bereiden. Een eerste stap daarbij is nagaan aan welke vaardigheden gewerkt kan worden.
Daarom werd de ADAPTI ontwikkeld, een zelfrapporteringsinstrument dat de adaptieve vaardigheden van jongvolwassenen met ASS in kaart brengt. De uitkomst is een uniek profiel op vlak van sociale interacties, inlevingsvermogen, communicatie, flexibiliteit, planning en organisatie, computervaardigheden, omgaan met interesses en zelfredzaamheid. Het profiel biedt aanknopingspunten voor een gerichte begeleiding.
De vragenlijst is ontwikkeld voor schoolgaande of studerende jongvolwassenen met ASS van 16 tot en met 25 jaar, met (boven)gemiddelde cognitieve mogelijkheden. Het invullen neemt slechts 15 minuten in beslag.
Bij dit boek hoort een downloadbaar bestand. Met de code die u in het boek vindt kunt u dit bestand op www.dl.garant-uitgevers.eu downloaden.Dr. Inge Schietecatte, psycholoog, werkte binnen Code Thomas More aan een onderzoeksproject over autismespectrumstoornissen (ASS) in de jongvolwassenheid. Door klinische ervaring en eerder onderzoek bouwde ze expertise op over ASS. Ze werkt nu als beleidsmedewerker bij KOCA vzw.
Prof. dr. Ilse Noens, orthopedagoog, is hoofddocent aan en diensthoofd van de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van KU Leuven. Ze heeft talloze wetenschappelijke publicaties op haar naam staan over onder andere ASS bij kinderen en volwassenen.
Caroline Bolckmans, psycholoog, werkt als projectmedewerker binnen Code Thomas More. Daar staat zij voornamelijk in voor de diagnostiek en begeleiding bij ontwikkelingsstoornissen.
Prof. dr. Wim Tops, psycholoog en neurolinguïst, is universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen (Nederland) bij de onderzoeksgroep Neurolinguïstiek. Hij werkte binnen Code Thomas More aan een onderzoeksproject over ASS in de jongvolwassenheid.
Prof. dr. Dieter Baeyens, psycholoog, is als hoofddocent verbonden aan de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van KU Leuven. In zijn onderzoeksactiviteiten staan ADHD en ASS in de jongvolwassenheid centraal. Hij was voorheen actief als onderzoekscoördinator van Code Thomas More.
ADAPTI. Vragenlijst naar adaptieve vaardigheden voor jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis 16-25 jaar
Jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis (ASS) staan voor een grote uitdaging. Ze worden voor keuzes gesteld, komen vaak in een nieuwe omgeving terecht en er wordt een grotere mate van zelfstandigheid verwacht. Individuele begeleiding helpt hen om zich hierop voor te bereiden. Een eerste stap daarbij is nagaan aan welke vaardigheden gewerkt kan worden.
Daarom werd de ADAPTI ontwikkeld, een zelfrapporteringsinstrument dat de adaptieve vaardigheden van jongvolwassenen met ASS in kaart brengt. De uitkomst is een uniek profiel op vlak van sociale interacties, inlevingsvermogen, communicatie, flexibiliteit, planning en organisatie, computervaardigheden, omgaan met interesses en zelfredzaamheid. Het profiel biedt aanknopingspunten voor een gerichte begeleiding.
De vragenlijst is ontwikkeld voor schoolgaande of studerende jongvolwassenen met ASS van 16 tot en met 25 jaar, met (boven)gemiddelde cognitieve mogelijkheden. Het invullen neemt slechts 15 minuten in beslag.
Bij dit boek hoort een downloadbaar bestand. Met de code die u in het boek vindt kunt u dit bestand op www.dl.garant-uitgevers.eu downloaden.Dr. Inge Schietecatte, psycholoog, werkte binnen Code Thomas More aan een onderzoeksproject over autismespectrumstoornissen (ASS) in de jongvolwassenheid. Door klinische ervaring en eerder onderzoek bouwde ze expertise op over ASS. Ze werkt nu als beleidsmedewerker bij KOCA vzw.
Prof. dr. Ilse Noens, orthopedagoog, is hoofddocent aan en diensthoofd van de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van KU Leuven. Ze heeft talloze wetenschappelijke publicaties op haar naam staan over onder andere ASS bij kinderen en volwassenen.
Caroline Bolckmans, psycholoog, werkt als projectmedewerker binnen Code Thomas More. Daar staat zij voornamelijk in voor de diagnostiek en begeleiding bij ontwikkelingsstoornissen.
Prof. dr. Wim Tops, psycholoog en neurolinguïst, is universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen (Nederland) bij de onderzoeksgroep Neurolinguïstiek. Hij werkte binnen Code Thomas More aan een onderzoeksproject over ASS in de jongvolwassenheid.
Prof. dr. Dieter Baeyens, psycholoog, is als hoofddocent verbonden aan de onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek van KU Leuven. In zijn onderzoeksactiviteiten staan ADHD en ASS in de jongvolwassenheid centraal. Hij was voorheen actief als onderzoekscoördinator van Code Thomas More.
A practical approach to harmony of jazz and related forms of music for piano
Harmony of jazz and related forms of music – music that originated from the fusion of European and African musical cultures on the American continent – is a very complex subject.
Significant for these forms of music is the culture of improvisation and interpretation. A melodic theme, created by the composer with a limited harmonic structure and annotated with only a few chord symbols, has to be re-created into a complete musical product by the performing musician or arranger (in this book both joined in the pianist), based on his own interpretation, and – very important – without affecting the specific character of style nor straining the ideas of the composer. This requires knowledge and insight, and a huge dose of creativity and musicality as well.
This method is designed to make a complex but very interesting subject accessible in a very practical way. It is aimed at those who, on account of study, profession or pure interest, want to improve their knowledge and skills of harmony and chords in jazz and related forms of music.
The author has opted for a methodical, constructive, and from the perspective of performance very practical approach. Only when needed for a better understanding, some theoretical support is included. The many examples in the book are a source of information. The exercises guarantee a solid training, but will also invite the performer to make fascinating and inspiring discoveries, thus challenging his creativity and further development.
Robert E. van der Linden is a composer, arranger, pianist and teacher. Crossing the dividing lines between classical and non-classical music is an important element in his work as a composer. Through his pioneering work in the 1970s, he instigated the development of musical departments of jazz, pop and world music at the conservatoires in The Netherlands. He was a professor of piano and composition at the Rotterdam conservatoire for more than twenty years, and wrote several educational books for piano (www.robvdlindenmusic.com).
A practical approach to harmony of jazz and related forms of music for piano
Harmony of jazz and related forms of music – music that originated from the fusion of European and African musical cultures on the American continent – is a very complex subject.
Significant for these forms of music is the culture of improvisation and interpretation. A melodic theme, created by the composer with a limited harmonic structure and annotated with only a few chord symbols, has to be re-created into a complete musical product by the performing musician or arranger (in this book both joined in the pianist), based on his own interpretation, and – very important – without affecting the specific character of style nor straining the ideas of the composer. This requires knowledge and insight, and a huge dose of creativity and musicality as well.
This method is designed to make a complex but very interesting subject accessible in a very practical way. It is aimed at those who, on account of study, profession or pure interest, want to improve their knowledge and skills of harmony and chords in jazz and related forms of music.
The author has opted for a methodical, constructive, and from the perspective of performance very practical approach. Only when needed for a better understanding, some theoretical support is included. The many examples in the book are a source of information. The exercises guarantee a solid training, but will also invite the performer to make fascinating and inspiring discoveries, thus challenging his creativity and further development.
Robert E. van der Linden is a composer, arranger, pianist and teacher. Crossing the dividing lines between classical and non-classical music is an important element in his work as a composer. Through his pioneering work in the 1970s, he instigated the development of musical departments of jazz, pop and world music at the conservatoires in The Netherlands. He was a professor of piano and composition at the Rotterdam conservatoire for more than twenty years, and wrote several educational books for piano (www.robvdlindenmusic.com).
Groeiboek. Zorg- en volgsysteem voor kleuters. Analyse en handelen. Domeinboek Zintuiglijke ontwikkeling & lichamelijke factoren
Groeiboek is een hulpmiddel bij de uitbouw van een zorgbeleid in de kleuterschool. Het is ontwikkeld voor de kleuterleidster en het zorgteam om extra zorg te bieden aan de kleuters die dat nodig hebben. Het handelingsgericht samenwerken en het zorgcontinuüm is het kader van waaruit wordt gewerkt. Groeiboek situeert zich op het niveau van verhoogde zorg en uitbreiding van zorg. Het concretiseert deze niveaus, in aansluiting op de diagnostische protocollen.
De kleuterleidster signaleert haar bezorgdheid en maakt systematisch een analyse. Hiermee ontdekt ze de onderwijsbehoeften van de kleuter en komt ze tot doelgericht handelen. Verschillende hulpmiddelen, zoals een overzicht van mogelijke hypothesen, observatielijsten en ontwikkelingslijnen, helpen haar hierbij.
Groeiboek ondersteunt op deze manier de systematiek en de continuïteit van de extra zorg doorheen de kleuterschool. Dat leidt tot een gedeelde zorg met de ouders, de kleuterleidster, het zorgteam en de leerlingbegeleider.
Groeiboek bestaat uit vier delen: ‘Basisboek’, ‘Signaleren’, ‘Analyse en handelen’ en ‘Continuïteit van de gedeelde zorg’. Deel 3: ‘Analyse en handelen’ bestaat uit aparte domeinboeken die het denkkader concretiseren en suggesties doen naar interventies. Dit is het domeinboek ‘Zintuiglijke ontwikkeling en lichamelijke factoren’.
Groeiboek bestaat uit de delen: Basisboek, Signaleren, Analyse en handelen.Zie ook:
Groeiboek. Basisboek
Groeiboek. Signaleren
Groeiboek. Analyse en handelen. Situering en werkwijze
Groeiboek. Analyse en handelen. Ontwikkeling van de zelfsturing
Groeiboek. Analyse en handelen. Denkontwikkeling
Groeiboek. Analyse en handelen. Taalontwikkeling
Groeiboek. Analyse en handelen. Motorische ontwikkeling
[Groeiboek. Analyse en handelen. Zintuiglijke ontwikkeling & lichamelijke factoren]
De auteur van Groeiboek/Zintuiglijke ontwikkeling en lichamelijke factoren, Chantal Devos, is CLB-arts in het Vrij Centrum voor Leerlingbegeleiding regio Gent. Ze werkte voor dit domeinboek samen met Reinilde Lambert, Coördinator Basisonderwijs van het Vrij Centrum voor Leerlingbegeleiding regio Gent en eindredacteur/coördinator van de Groeiboek-reeks.
Groeiboek. Zorg- en volgsysteem voor kleuters. Analyse en handelen. Domeinboek Zintuiglijke ontwikkeling & lichamelijke factoren
Groeiboek is een hulpmiddel bij de uitbouw van een zorgbeleid in de kleuterschool. Het is ontwikkeld voor de kleuterleidster en het zorgteam om extra zorg te bieden aan de kleuters die dat nodig hebben. Het handelingsgericht samenwerken en het zorgcontinuüm is het kader van waaruit wordt gewerkt. Groeiboek situeert zich op het niveau van verhoogde zorg en uitbreiding van zorg. Het concretiseert deze niveaus, in aansluiting op de diagnostische protocollen.
De kleuterleidster signaleert haar bezorgdheid en maakt systematisch een analyse. Hiermee ontdekt ze de onderwijsbehoeften van de kleuter en komt ze tot doelgericht handelen. Verschillende hulpmiddelen, zoals een overzicht van mogelijke hypothesen, observatielijsten en ontwikkelingslijnen, helpen haar hierbij.
Groeiboek ondersteunt op deze manier de systematiek en de continuïteit van de extra zorg doorheen de kleuterschool. Dat leidt tot een gedeelde zorg met de ouders, de kleuterleidster, het zorgteam en de leerlingbegeleider.
Groeiboek bestaat uit vier delen: ‘Basisboek’, ‘Signaleren’, ‘Analyse en handelen’ en ‘Continuïteit van de gedeelde zorg’. Deel 3: ‘Analyse en handelen’ bestaat uit aparte domeinboeken die het denkkader concretiseren en suggesties doen naar interventies. Dit is het domeinboek ‘Zintuiglijke ontwikkeling en lichamelijke factoren’.
Groeiboek bestaat uit de delen: Basisboek, Signaleren, Analyse en handelen.Zie ook:
Groeiboek. Basisboek
Groeiboek. Signaleren
Groeiboek. Analyse en handelen. Situering en werkwijze
Groeiboek. Analyse en handelen. Ontwikkeling van de zelfsturing
Groeiboek. Analyse en handelen. Denkontwikkeling
Groeiboek. Analyse en handelen. Taalontwikkeling
Groeiboek. Analyse en handelen. Motorische ontwikkeling
[Groeiboek. Analyse en handelen. Zintuiglijke ontwikkeling & lichamelijke factoren]
De auteur van Groeiboek/Zintuiglijke ontwikkeling en lichamelijke factoren, Chantal Devos, is CLB-arts in het Vrij Centrum voor Leerlingbegeleiding regio Gent. Ze werkte voor dit domeinboek samen met Reinilde Lambert, Coördinator Basisonderwijs van het Vrij Centrum voor Leerlingbegeleiding regio Gent en eindredacteur/coördinator van de Groeiboek-reeks.
Psychologie van de stad
De relatie tussen de gebouwde stad en stadscultuur wordt door denkers, zoals sociaal wetenschappers, en door de makers-ontwerpers van een stad, op uiteenlopende manieren verklaard en benaderd. Ondanks de professionele versnippering gebruiken beide disciplines ook vergelijkbare begrippen, die verwijzen naar mentale processen en suggereren dat de stad ‘een denkbeeld’ is. De psychologie van de stad laat, vanuit het perspectief van een stadswandeling, zien op welke manier het denkbeeld van de stad zich in ons hoofd nestelt. Hoe ‘werkt’ onze perceptie van de stad? Op welke manier slaan we ervaringen op in het geheugen? En welke betekenissen kennen we toe aan een stad? De gedragstechnologie van het brein leert dat onbewuste herinneringen vaak het beeld bepalen dat we van straten of buurten hebben. Het onbewuste zorgt er vaak voor dat menselijke keuzes niet gebaseerd zijn op rationeel, gecalculeerde inzichten. Het mag dus niet verbazen dat het ‘denkbeeld van de stad’ niet louter door ervaringen tijdens een stadswandeling tot stand komt, maar dat ook film, televisie, stripverhalen en andere visuele media hierbij een belangrijke rol spelen. Dit boek gaat dieper in op de mentale processen die het denkbeeld van een stad bepalen. Het is een prikbord voor iedereen die onderzoek wil doen naar de stad en stedelijke cultuur. Uit recent psychologisch onderzoek blijkt dat de rol van het ‘onbewuste’ een prominentere plaats heeft in het menselijk functioneren dan voorheen werd gedacht. Dit onderzoek is ook gebaseerd op het principe van het ‘wilde denken’, waarbij het uitputtend observeren en systematisch inventariseren van betrekkingen en verbindingen in wijken en buurten met een fotocamera gebeurt.
Dr. Marina Meeuwisse werkt als docent en onderzoeker bij het Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie (EMI) van Hogeschool Rotterdam. Zij is gepromoveerd in de sociale agogiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Daarvoor studeerde zij experimentele psychologie en mediapedagogiek aan de Universiteit Leiden. Zij is eveneens fotograaf.
Psychologie van de stad
De relatie tussen de gebouwde stad en stadscultuur wordt door denkers, zoals sociaal wetenschappers, en door de makers-ontwerpers van een stad, op uiteenlopende manieren verklaard en benaderd. Ondanks de professionele versnippering gebruiken beide disciplines ook vergelijkbare begrippen, die verwijzen naar mentale processen en suggereren dat de stad ‘een denkbeeld’ is. De psychologie van de stad laat, vanuit het perspectief van een stadswandeling, zien op welke manier het denkbeeld van de stad zich in ons hoofd nestelt. Hoe ‘werkt’ onze perceptie van de stad? Op welke manier slaan we ervaringen op in het geheugen? En welke betekenissen kennen we toe aan een stad? De gedragstechnologie van het brein leert dat onbewuste herinneringen vaak het beeld bepalen dat we van straten of buurten hebben. Het onbewuste zorgt er vaak voor dat menselijke keuzes niet gebaseerd zijn op rationeel, gecalculeerde inzichten. Het mag dus niet verbazen dat het ‘denkbeeld van de stad’ niet louter door ervaringen tijdens een stadswandeling tot stand komt, maar dat ook film, televisie, stripverhalen en andere visuele media hierbij een belangrijke rol spelen. Dit boek gaat dieper in op de mentale processen die het denkbeeld van een stad bepalen. Het is een prikbord voor iedereen die onderzoek wil doen naar de stad en stedelijke cultuur. Uit recent psychologisch onderzoek blijkt dat de rol van het ‘onbewuste’ een prominentere plaats heeft in het menselijk functioneren dan voorheen werd gedacht. Dit onderzoek is ook gebaseerd op het principe van het ‘wilde denken’, waarbij het uitputtend observeren en systematisch inventariseren van betrekkingen en verbindingen in wijken en buurten met een fotocamera gebeurt.
Dr. Marina Meeuwisse werkt als docent en onderzoeker bij het Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie (EMI) van Hogeschool Rotterdam. Zij is gepromoveerd in de sociale agogiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Daarvoor studeerde zij experimentele psychologie en mediapedagogiek aan de Universiteit Leiden. Zij is eveneens fotograaf.
De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers
Niet iedere jongvolwassene heeft een grootvader die vanuit een rijke levenservaring en belezenheid kan ingaan op de grote vragen over het leven en de wereld waarin wij leven. In dit boek neemt prof. dr. Ulrich Libbrecht enthousiast deze taak op zich. Hij zet met veel humor en inlevingsvermogen zijn wereldbeeld uiteen voor jonge mensen, meestal nog filosofische dummies. Als een bricoleur sprokkelde hij de interessantste ideeën samen om er een voor onze tijd bruikbaar wereldbeeld mee op te bouwen. Hiervoor liet hij zich inspireren door de moderne wetenschap, de oosterse en de westerse filosofie. Het resultaat is een frisse kijk op de wereld die hij verbindt met dat wat hem tijdens zijn 86-jarige leven aangegrepen heeft. Dit is een boek voor jongeren, dat in klasverband kan gelezen worden, maar ook voor iedereen die zich op filosofisch vlak een dummie voelt.
Ulrich Libbrecht begon als leraar wiskunde in het secundair onderwijs. Na zijn studies sinologie en filosofie in Gent en Leiden doceerde hij Chinese klassieke studies, Chinese filosofie en comparatieve filosofie aan de KU Leuven. Hij ontwikkelde een model voor comparatieve filosofie waarin hij wereldbeelden uit Oost en West vergelijkt en integreert. Hij stichtte in Antwerpen de School voor Comparatieve Filosofie.
De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers
Niet iedere jongvolwassene heeft een grootvader die vanuit een rijke levenservaring en belezenheid kan ingaan op de grote vragen over het leven en de wereld waarin wij leven. In dit boek neemt prof. dr. Ulrich Libbrecht enthousiast deze taak op zich. Hij zet met veel humor en inlevingsvermogen zijn wereldbeeld uiteen voor jonge mensen, meestal nog filosofische dummies. Als een bricoleur sprokkelde hij de interessantste ideeën samen om er een voor onze tijd bruikbaar wereldbeeld mee op te bouwen. Hiervoor liet hij zich inspireren door de moderne wetenschap, de oosterse en de westerse filosofie. Het resultaat is een frisse kijk op de wereld die hij verbindt met dat wat hem tijdens zijn 86-jarige leven aangegrepen heeft. Dit is een boek voor jongeren, dat in klasverband kan gelezen worden, maar ook voor iedereen die zich op filosofisch vlak een dummie voelt.
Ulrich Libbrecht begon als leraar wiskunde in het secundair onderwijs. Na zijn studies sinologie en filosofie in Gent en Leiden doceerde hij Chinese klassieke studies, Chinese filosofie en comparatieve filosofie aan de KU Leuven. Hij ontwikkelde een model voor comparatieve filosofie waarin hij wereldbeelden uit Oost en West vergelijkt en integreert. Hij stichtte in Antwerpen de School voor Comparatieve Filosofie.
Van baby tot kleuter. De veelzijdige en indrukwekkende ontwikkeling van kinderen van 0-4 jaar
‘Van baby tot kleuter’ laat de lezer naar de ontwikkeling van kinderen van 0-4 jaar
kijken door de bril van een kinderarts, ontwikkelingspsycholoog, pedagoog, orthopedagoog,
neurolinguïst, klinisch linguïst, psychotherapeut, klinisch psycholoog
en een neerlandicus.
Gezondheid, hechting, ontwikkeling van het jonge brein, taalontwikkeling, motorische
ontwikkeling, ontwikkeling van het spelen en kinderopvang zijn de thema’s
die aan de orde komen. Daarbij komen vragen naar voren als: op welke
manier kunnen volwassenen er thuis voor zorgen dat dagelijkse activiteiten rijke
leerervaringen worden? Hoe kan een doorgaande lijn, passend bij jonge kinderen,
ontworpen worden om de kwetsbare overgangen in het verloop van de dag
beter te kunnen opvangen?
Dit boek wil ouders en professionals die te maken hebben met baby’s en peuters,
mee laten kijken in de spreekkamer of onderzoeksruimte van verschillende
vakspecialisten. Zo moet het boek een bijdrage leveren aan een gezonde en veilige
ontwikkeling van baby’s en peuters.
Jan Hindrik Loonstra is opgeleid als neerlandicus en orthopedagoog. Hij werkte
als leerkracht in het basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs.
Momenteel is hij werkzaam als orthopedagoog-generalist bij OCRN Specialistische
Jeugd GGZ & Specialistische dyslexiezorg.
Margrieta Mentink is opgeleid als logopedist en neurolinguïst. Zij is werkzaam
als office manager bij University College Groningen. Daarvoor was zij lange tijd
eigenaar van een logopediepraktijk in de stad Groningen.
Charlotte Rem is psycholoog in opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. Zij is
binnen OCRN Specialistische Jeugd GGZ betrokken bij diagnostiek en behandeling
van kinderen en jongeren met ontwikkelingsstoornissen.
Van baby tot kleuter. De veelzijdige en indrukwekkende ontwikkeling van kinderen van 0-4 jaar
‘Van baby tot kleuter’ laat de lezer naar de ontwikkeling van kinderen van 0-4 jaar
kijken door de bril van een kinderarts, ontwikkelingspsycholoog, pedagoog, orthopedagoog,
neurolinguïst, klinisch linguïst, psychotherapeut, klinisch psycholoog
en een neerlandicus.
Gezondheid, hechting, ontwikkeling van het jonge brein, taalontwikkeling, motorische
ontwikkeling, ontwikkeling van het spelen en kinderopvang zijn de thema’s
die aan de orde komen. Daarbij komen vragen naar voren als: op welke
manier kunnen volwassenen er thuis voor zorgen dat dagelijkse activiteiten rijke
leerervaringen worden? Hoe kan een doorgaande lijn, passend bij jonge kinderen,
ontworpen worden om de kwetsbare overgangen in het verloop van de dag
beter te kunnen opvangen?
Dit boek wil ouders en professionals die te maken hebben met baby’s en peuters,
mee laten kijken in de spreekkamer of onderzoeksruimte van verschillende
vakspecialisten. Zo moet het boek een bijdrage leveren aan een gezonde en veilige
ontwikkeling van baby’s en peuters.
Jan Hindrik Loonstra is opgeleid als neerlandicus en orthopedagoog. Hij werkte
als leerkracht in het basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs.
Momenteel is hij werkzaam als orthopedagoog-generalist bij OCRN Specialistische
Jeugd GGZ & Specialistische dyslexiezorg.
Margrieta Mentink is opgeleid als logopedist en neurolinguïst. Zij is werkzaam
als office manager bij University College Groningen. Daarvoor was zij lange tijd
eigenaar van een logopediepraktijk in de stad Groningen.
Charlotte Rem is psycholoog in opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. Zij is
binnen OCRN Specialistische Jeugd GGZ betrokken bij diagnostiek en behandeling
van kinderen en jongeren met ontwikkelingsstoornissen.
Kijk op de Nederlandse jeugd
Dé jeugd bestaat niet. Evenmin als dé Nederlander,
dé Fries of dé Amsterdammer, ook al wonen en leven
zij in eenzelfde gebied.
Toch valt er veel te zeggen over de jeugd in het algemeen.
Dit boek geeft systematisch aan hoe jeugdigen zich
gedragen en functioneren op verschillende terreinen
– school, thuis en vrije tijd – en hoe zij omgaan met
de uitdagingen en risico’s die nieuwe technologische
ontwikkelingen – smartphone, internet, games –
meebrengen.
Dat leidt tot een genuanceerde typering van de jeugd
van vandaag. Daarmee geeft dit boek een reële kijk
op de Nederlandse jeugd.
Jan van der Ploeg is emeritus hoogleraar Orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden. Hij heeft talrijke publicaties op zijn naam.
Kijk op de Nederlandse jeugd
Dé jeugd bestaat niet. Evenmin als dé Nederlander,
dé Fries of dé Amsterdammer, ook al wonen en leven
zij in eenzelfde gebied.
Toch valt er veel te zeggen over de jeugd in het algemeen.
Dit boek geeft systematisch aan hoe jeugdigen zich
gedragen en functioneren op verschillende terreinen
– school, thuis en vrije tijd – en hoe zij omgaan met
de uitdagingen en risico’s die nieuwe technologische
ontwikkelingen – smartphone, internet, games –
meebrengen.
Dat leidt tot een genuanceerde typering van de jeugd
van vandaag. Daarmee geeft dit boek een reële kijk
op de Nederlandse jeugd.
Jan van der Ploeg is emeritus hoogleraar Orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden. Hij heeft talrijke publicaties op zijn naam.
