Leven en dood op zee. De Duitse U-bootoorlogen – Inclusief het geheime ‘Handboek van de U-bootkapitein’
€ 31,00
Tijdens de jaren die beide wereldoorlogen voorafgingen, zorgden toenemende internationale spanningen telkens voor de opbouw van de strijdkrachten bij de westerse grootmachten.
En over één zaak was men het daarbij tweemaal roerend eens: bij een eventueel gewapend conflict zouden onderzeeërs slechts een zeer beperkte bijrol kunnen spelen. Grote investeringen in dergelijke schepen waren dus absoluut niet noodzakelijk. Tijdens het interbellum werden de Amerikaanse submarine captains zelfs enkel voor verkenningsopdrachten opgeleid. Onderzeeërs werden niet eens als echte oorlogsschepen beschouwd. Al vrij snel na het uitbreken van de vijandelijkheden bleek dat echter zowel in 1914 als in 1940 een grove misvatting. Vooral de Duitse U-boten speelden in beide wereldoorlogen een sleutelrol.
Waarom? Hoe werd deze moordende strijd gevoerd? Welke tactieken wendde men aan en hoe evolueerden deze naarmate de oorlogen vorderden? Hoe bracht men schepen tot zinken? Welke types U-boten vertrokken op patrouille? Hoe zag de werving en de opleiding van de U-bootbemanningen eruit? Kon men nog ontsnappen uit een gezonken U-boot? Hoe werden dieptebommen ingezet? Wie was de jager en wie was de prooi? Hoe leefden de U-bootbemanningen en hoe kwamen ze om?
Luc Vanhixe werd gevormd aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Gedurende zijn hele loopbaan als officier was hij geboeid door militaire geschiedenis in het algemeen en de wereldoorlogen in het bijzonder. Zodra hij met pensioen was, heeft hij zich voltijds aan deze passie gewijd. Als auteur maakt hij er een erezaak van om de platgetreden paden te verlaten en historische feiten die lang vergeten zijn of niet in de klassieke geschiedschrijving opgenomen werden, opnieuw een plaats te geven.
Waarom? Hoe werd deze moordende strijd gevoerd? Welke tactieken wendde men aan en hoe evolueerden deze naarmate de oorlogen vorderden? Hoe bracht men schepen tot zinken? Welke types U-boten vertrokken op patrouille? Hoe zag de werving en de opleiding van de U-bootbemanningen eruit? Kon men nog ontsnappen uit een gezonken U-boot? Hoe werden dieptebommen ingezet? Wie was de jager en wie was de prooi? Hoe leefden de U-bootbemanningen en hoe kwamen ze om?
Luc Vanhixe werd gevormd aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Gedurende zijn hele loopbaan als officier was hij geboeid door militaire geschiedenis in het algemeen en de wereldoorlogen in het bijzonder. Zodra hij met pensioen was, heeft hij zich voltijds aan deze passie gewijd. Als auteur maakt hij er een erezaak van om de platgetreden paden te verlaten en historische feiten die lang vergeten zijn of niet in de klassieke geschiedschrijving opgenomen werden, opnieuw een plaats te geven.
Leven en dood op zee. De Duitse U-bootoorlogen – Inclusief het geheime ‘Handboek van de U-bootkapitein’
€ 31,00
Tijdens de jaren die beide wereldoorlogen voorafgingen, zorgden toenemende internationale spanningen telkens voor de opbouw van de strijdkrachten bij de westerse grootmachten.
En over één zaak was men het daarbij tweemaal roerend eens: bij een eventueel gewapend conflict zouden onderzeeërs slechts een zeer beperkte bijrol kunnen spelen. Grote investeringen in dergelijke schepen waren dus absoluut niet noodzakelijk. Tijdens het interbellum werden de Amerikaanse submarine captains zelfs enkel voor verkenningsopdrachten opgeleid. Onderzeeërs werden niet eens als echte oorlogsschepen beschouwd. Al vrij snel na het uitbreken van de vijandelijkheden bleek dat echter zowel in 1914 als in 1940 een grove misvatting. Vooral de Duitse U-boten speelden in beide wereldoorlogen een sleutelrol.
Waarom? Hoe werd deze moordende strijd gevoerd? Welke tactieken wendde men aan en hoe evolueerden deze naarmate de oorlogen vorderden? Hoe bracht men schepen tot zinken? Welke types U-boten vertrokken op patrouille? Hoe zag de werving en de opleiding van de U-bootbemanningen eruit? Kon men nog ontsnappen uit een gezonken U-boot? Hoe werden dieptebommen ingezet? Wie was de jager en wie was de prooi? Hoe leefden de U-bootbemanningen en hoe kwamen ze om?
Luc Vanhixe werd gevormd aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Gedurende zijn hele loopbaan als officier was hij geboeid door militaire geschiedenis in het algemeen en de wereldoorlogen in het bijzonder. Zodra hij met pensioen was, heeft hij zich voltijds aan deze passie gewijd. Als auteur maakt hij er een erezaak van om de platgetreden paden te verlaten en historische feiten die lang vergeten zijn of niet in de klassieke geschiedschrijving opgenomen werden, opnieuw een plaats te geven.
Waarom? Hoe werd deze moordende strijd gevoerd? Welke tactieken wendde men aan en hoe evolueerden deze naarmate de oorlogen vorderden? Hoe bracht men schepen tot zinken? Welke types U-boten vertrokken op patrouille? Hoe zag de werving en de opleiding van de U-bootbemanningen eruit? Kon men nog ontsnappen uit een gezonken U-boot? Hoe werden dieptebommen ingezet? Wie was de jager en wie was de prooi? Hoe leefden de U-bootbemanningen en hoe kwamen ze om?
Luc Vanhixe werd gevormd aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Gedurende zijn hele loopbaan als officier was hij geboeid door militaire geschiedenis in het algemeen en de wereldoorlogen in het bijzonder. Zodra hij met pensioen was, heeft hij zich voltijds aan deze passie gewijd. Als auteur maakt hij er een erezaak van om de platgetreden paden te verlaten en historische feiten die lang vergeten zijn of niet in de klassieke geschiedschrijving opgenomen werden, opnieuw een plaats te geven.
School- en klaspraktijk (SKP) Jrg. 62 nr.1 (2021)
€ 10,75
In dit themanummer staat taal centraal. Taal als middel om dingen voor elkaar te krijgen. Taal als bindmiddel: uitdagende teksten lezen om samen dat ene bijzondere proefje uit te voeren, je eigen verhaal verzinnen of de taal leren van je meertalige vrienden.
In Goesting daagt Elisabeth Isabelle ons uit om op zoek te gaan naar onze eerste taal. Met drie meisjes van negen jaar zoekt ze naar hun innerlijke landschappen, hun wereld, hun verbeeldingskracht. Een ding is duidelijk: het borrelt er van de goesting!
Hoe motiveer je leerlingen om in het Frans een verhaal op te bouwen? In het artikel Hoezo, een verhaal? Interactief verhalen verzinnen tijdens de Franse les maken Karen Reekmans, Ellen Van den Berghe en Annelies Wangen je wegwijs in Teaching Proficiency through Reading and Storytelling (TPRS) en muzisch taalonderwijs.
Vreemde talen leren, daarmee kun je het best maar zo vroeg mogelijk beginnen, toch? Marieke Vanbuel, Hannelore Hooft en Goedele Vandommele gidsen ons in hun artikel Is vroeger écht beter? Een reviewstudie over wat werkt in vreemdetalenonderwijs in het basisonderwijs door het laatste wetenschappelijke onderzoek.
Hoe het komt dat zesjarigen Engelstalige woorden uitroepen, die vraag ligt aan de basis van het onderzoek van Eline Zenner en Laura Rosseel. In hun artikel Verenglishing, go! Ga jij de battle aan? doen ze hun onderzoeksresultaten uit de doeken. Exciting!
In BEELDig neemt Sarah Jácome-Alvarez de proef op de som: hoe ziet de klas eruit in de 21ste eeuw? En wat betekent onderwijs eigenlijk?
In het artikel Begrijpend lezen, hot in de media, nu nog in de taalmethodes doet Siel Vienne uit de doeken hoe sterk begrijpend leesonderwijs eruitziet volgens recente onderzoeken en in welke mate ingrediënten van effectief leesonderwijs terug te vinden zijn in taalmethodes.
Iris Vansteelandt en Hilde Van Keer delen in hun artikel Leraren die leesmotivatie promoten: continue professionalisering voor motiverend leesonderwijs hoe je het leesvuur bij kinderen kunt ontsteken én warm houden. Op naar een gouden leesticket voor alle leerlingen!
Themaverkenning bij jonge kinderen, hoe pak je dat aan? En hoe kun je zorgen voor een sterke taalontwikkeling? In Hoge betrokkenheid creëren bij jonge, kwetsbare kinderen geven Lien De Coninck, Hannelore De Greve, Jo Van de Weghe en Jan Van de Wiele concrete tips. Na dit artikel kun je meteen aan de slag met het sprokkelen van interessante insteken voor jouw klas.
De laatste tijd heeft het onderwijs heel wat veerkracht getoond. We sluiten dit nummer af met een Ofwa? van Lore Baeyens, Fien Degrande en Nele Decroos waarin ze de kracht van een Leuvens netwerk én het platform Begeleiders zonder grenzen toelichten. Wat hen drijft? Snel schakelen en samenwerken voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen.
Carolien Frijns, hoofdredacteur
In Goesting daagt Elisabeth Isabelle ons uit om op zoek te gaan naar onze eerste taal. Met drie meisjes van negen jaar zoekt ze naar hun innerlijke landschappen, hun wereld, hun verbeeldingskracht. Een ding is duidelijk: het borrelt er van de goesting!
Hoe motiveer je leerlingen om in het Frans een verhaal op te bouwen? In het artikel Hoezo, een verhaal? Interactief verhalen verzinnen tijdens de Franse les maken Karen Reekmans, Ellen Van den Berghe en Annelies Wangen je wegwijs in Teaching Proficiency through Reading and Storytelling (TPRS) en muzisch taalonderwijs.
Vreemde talen leren, daarmee kun je het best maar zo vroeg mogelijk beginnen, toch? Marieke Vanbuel, Hannelore Hooft en Goedele Vandommele gidsen ons in hun artikel Is vroeger écht beter? Een reviewstudie over wat werkt in vreemdetalenonderwijs in het basisonderwijs door het laatste wetenschappelijke onderzoek.
Hoe het komt dat zesjarigen Engelstalige woorden uitroepen, die vraag ligt aan de basis van het onderzoek van Eline Zenner en Laura Rosseel. In hun artikel Verenglishing, go! Ga jij de battle aan? doen ze hun onderzoeksresultaten uit de doeken. Exciting!
In BEELDig neemt Sarah Jácome-Alvarez de proef op de som: hoe ziet de klas eruit in de 21ste eeuw? En wat betekent onderwijs eigenlijk?
In het artikel Begrijpend lezen, hot in de media, nu nog in de taalmethodes doet Siel Vienne uit de doeken hoe sterk begrijpend leesonderwijs eruitziet volgens recente onderzoeken en in welke mate ingrediënten van effectief leesonderwijs terug te vinden zijn in taalmethodes.
Iris Vansteelandt en Hilde Van Keer delen in hun artikel Leraren die leesmotivatie promoten: continue professionalisering voor motiverend leesonderwijs hoe je het leesvuur bij kinderen kunt ontsteken én warm houden. Op naar een gouden leesticket voor alle leerlingen!
Themaverkenning bij jonge kinderen, hoe pak je dat aan? En hoe kun je zorgen voor een sterke taalontwikkeling? In Hoge betrokkenheid creëren bij jonge, kwetsbare kinderen geven Lien De Coninck, Hannelore De Greve, Jo Van de Weghe en Jan Van de Wiele concrete tips. Na dit artikel kun je meteen aan de slag met het sprokkelen van interessante insteken voor jouw klas.
De laatste tijd heeft het onderwijs heel wat veerkracht getoond. We sluiten dit nummer af met een Ofwa? van Lore Baeyens, Fien Degrande en Nele Decroos waarin ze de kracht van een Leuvens netwerk én het platform Begeleiders zonder grenzen toelichten. Wat hen drijft? Snel schakelen en samenwerken voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen.
Carolien Frijns, hoofdredacteur
School- en klaspraktijk (SKP) Jrg. 62 nr.1 (2021)
€ 10,75
In dit themanummer staat taal centraal. Taal als middel om dingen voor elkaar te krijgen. Taal als bindmiddel: uitdagende teksten lezen om samen dat ene bijzondere proefje uit te voeren, je eigen verhaal verzinnen of de taal leren van je meertalige vrienden.
In Goesting daagt Elisabeth Isabelle ons uit om op zoek te gaan naar onze eerste taal. Met drie meisjes van negen jaar zoekt ze naar hun innerlijke landschappen, hun wereld, hun verbeeldingskracht. Een ding is duidelijk: het borrelt er van de goesting!
Hoe motiveer je leerlingen om in het Frans een verhaal op te bouwen? In het artikel Hoezo, een verhaal? Interactief verhalen verzinnen tijdens de Franse les maken Karen Reekmans, Ellen Van den Berghe en Annelies Wangen je wegwijs in Teaching Proficiency through Reading and Storytelling (TPRS) en muzisch taalonderwijs.
Vreemde talen leren, daarmee kun je het best maar zo vroeg mogelijk beginnen, toch? Marieke Vanbuel, Hannelore Hooft en Goedele Vandommele gidsen ons in hun artikel Is vroeger écht beter? Een reviewstudie over wat werkt in vreemdetalenonderwijs in het basisonderwijs door het laatste wetenschappelijke onderzoek.
Hoe het komt dat zesjarigen Engelstalige woorden uitroepen, die vraag ligt aan de basis van het onderzoek van Eline Zenner en Laura Rosseel. In hun artikel Verenglishing, go! Ga jij de battle aan? doen ze hun onderzoeksresultaten uit de doeken. Exciting!
In BEELDig neemt Sarah Jácome-Alvarez de proef op de som: hoe ziet de klas eruit in de 21ste eeuw? En wat betekent onderwijs eigenlijk?
In het artikel Begrijpend lezen, hot in de media, nu nog in de taalmethodes doet Siel Vienne uit de doeken hoe sterk begrijpend leesonderwijs eruitziet volgens recente onderzoeken en in welke mate ingrediënten van effectief leesonderwijs terug te vinden zijn in taalmethodes.
Iris Vansteelandt en Hilde Van Keer delen in hun artikel Leraren die leesmotivatie promoten: continue professionalisering voor motiverend leesonderwijs hoe je het leesvuur bij kinderen kunt ontsteken én warm houden. Op naar een gouden leesticket voor alle leerlingen!
Themaverkenning bij jonge kinderen, hoe pak je dat aan? En hoe kun je zorgen voor een sterke taalontwikkeling? In Hoge betrokkenheid creëren bij jonge, kwetsbare kinderen geven Lien De Coninck, Hannelore De Greve, Jo Van de Weghe en Jan Van de Wiele concrete tips. Na dit artikel kun je meteen aan de slag met het sprokkelen van interessante insteken voor jouw klas.
De laatste tijd heeft het onderwijs heel wat veerkracht getoond. We sluiten dit nummer af met een Ofwa? van Lore Baeyens, Fien Degrande en Nele Decroos waarin ze de kracht van een Leuvens netwerk én het platform Begeleiders zonder grenzen toelichten. Wat hen drijft? Snel schakelen en samenwerken voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen.
Carolien Frijns, hoofdredacteur
In Goesting daagt Elisabeth Isabelle ons uit om op zoek te gaan naar onze eerste taal. Met drie meisjes van negen jaar zoekt ze naar hun innerlijke landschappen, hun wereld, hun verbeeldingskracht. Een ding is duidelijk: het borrelt er van de goesting!
Hoe motiveer je leerlingen om in het Frans een verhaal op te bouwen? In het artikel Hoezo, een verhaal? Interactief verhalen verzinnen tijdens de Franse les maken Karen Reekmans, Ellen Van den Berghe en Annelies Wangen je wegwijs in Teaching Proficiency through Reading and Storytelling (TPRS) en muzisch taalonderwijs.
Vreemde talen leren, daarmee kun je het best maar zo vroeg mogelijk beginnen, toch? Marieke Vanbuel, Hannelore Hooft en Goedele Vandommele gidsen ons in hun artikel Is vroeger écht beter? Een reviewstudie over wat werkt in vreemdetalenonderwijs in het basisonderwijs door het laatste wetenschappelijke onderzoek.
Hoe het komt dat zesjarigen Engelstalige woorden uitroepen, die vraag ligt aan de basis van het onderzoek van Eline Zenner en Laura Rosseel. In hun artikel Verenglishing, go! Ga jij de battle aan? doen ze hun onderzoeksresultaten uit de doeken. Exciting!
In BEELDig neemt Sarah Jácome-Alvarez de proef op de som: hoe ziet de klas eruit in de 21ste eeuw? En wat betekent onderwijs eigenlijk?
In het artikel Begrijpend lezen, hot in de media, nu nog in de taalmethodes doet Siel Vienne uit de doeken hoe sterk begrijpend leesonderwijs eruitziet volgens recente onderzoeken en in welke mate ingrediënten van effectief leesonderwijs terug te vinden zijn in taalmethodes.
Iris Vansteelandt en Hilde Van Keer delen in hun artikel Leraren die leesmotivatie promoten: continue professionalisering voor motiverend leesonderwijs hoe je het leesvuur bij kinderen kunt ontsteken én warm houden. Op naar een gouden leesticket voor alle leerlingen!
Themaverkenning bij jonge kinderen, hoe pak je dat aan? En hoe kun je zorgen voor een sterke taalontwikkeling? In Hoge betrokkenheid creëren bij jonge, kwetsbare kinderen geven Lien De Coninck, Hannelore De Greve, Jo Van de Weghe en Jan Van de Wiele concrete tips. Na dit artikel kun je meteen aan de slag met het sprokkelen van interessante insteken voor jouw klas.
De laatste tijd heeft het onderwijs heel wat veerkracht getoond. We sluiten dit nummer af met een Ofwa? van Lore Baeyens, Fien Degrande en Nele Decroos waarin ze de kracht van een Leuvens netwerk én het platform Begeleiders zonder grenzen toelichten. Wat hen drijft? Snel schakelen en samenwerken voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen.
Carolien Frijns, hoofdredacteur
Boksen met jongeren Een nieuwe kijk op pedagogisch en didactisch handelen Reeks: Psychofysiek werken met jongeren, nr. 2
€ 21,90
De laatste jaren merken we steeds meer interesse voor lichaamsgerichte methodieken in het werken met jongeren. Binnen verschillende sectoren zoals het onderwijs, jeugdwerk, sportverenigingsleven, straathoekwerk en hulpverlening gaan begeleiders aan de slag met diverse activiteiten en methodieken. In dit boek zoomen we in op het pedagogisch boksen. Het idee om boksen in te zetten als een therapeutische, gezondheidsgerichte of sociaalpedagogische interventie is niet nieuw, maar blijft een onderbenut en vaak ook onbekend terrein.
Om de lezer een concreet idee te geven over hoe een sportpedagogische methodiek eruit kan zien, beschrijven we een boksproject dat plaatsvond in een gesloten jeugdvoorziening. Het project beoogde de bevordering van het integratieperspectief van jongeren. We laten hierbij uitgebreid de jongeren en de begeleiders zelf aan het woord, en koppelen onze bevindingen aan internationale wetenschappelijke literatuur.
Het boek biedt ook een uitgewerkte sportspelmethodiek voor het pedagogisch boksen aan, waarmee de lezer zelf aan de slag kan gaan. Voor de meer ervaren bokstrainer kan dit hoofdstuk nieuwe inzichten bieden om de bestaande lessen te verrijken. Vanuit een beleids- en organisatorisch perspectief geven we bijkomend enkele concrete aandachtspunten voor het opzetten van bokspedagogische projecten.
We sluiten het boek af met een pleidooi om bokspedagogische projecten, en bij uitbreiding andere (vecht-)sporten, meer ingang te doen laten vinden binnen het onderwijs, het jeugdwerk en de jeugdhulp.
-- Dit is het tweede deel in de reeks Psychofysiek werken met jongeren. Eerder verscheen in deze reeks van dezelfde auteurs: Een nieuwe kijk op lichaamsgericht werken met jongeren (9789044136166). --
Renhard Haudenhuyse is als onderzoeker verbonden een de Vrije Universiteit Brussel, meer bepaald de onderzoeksgroepen Sport & Society en Voicing At-risk Youth. Zijn onderzoek focust op de maatschappelijke betekenis en waarde van sport met aandacht voor groepen en precaire en kwetsbare situaties. Mieke Matthyssen is verbonden een de vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent waar ze voor de Huoshen Stichting onderzoek doet naar psychofysiek werken met jongeren. Daarnaast werkt ze op de vakgroep Talen en Culturen van de Universiteit Gent rond gezondheids- en gelukstrategieên in China. Jan Naert is orthopedagoog en onderzoeker bij de vakgroep Orthopedagogiek aan de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar continuïteit in de jeugdhulpverlening, met specifieke aandacht voor de stem van jongeneren in kwetsbare situaties. Daarnaast is hij als vrijwilliger actief in het jeugdwelzijnswerk en voorziet hij trainingen in onder meer coaching, crisishantering en leefwereldgericht werken.
Om de lezer een concreet idee te geven over hoe een sportpedagogische methodiek eruit kan zien, beschrijven we een boksproject dat plaatsvond in een gesloten jeugdvoorziening. Het project beoogde de bevordering van het integratieperspectief van jongeren. We laten hierbij uitgebreid de jongeren en de begeleiders zelf aan het woord, en koppelen onze bevindingen aan internationale wetenschappelijke literatuur.
Het boek biedt ook een uitgewerkte sportspelmethodiek voor het pedagogisch boksen aan, waarmee de lezer zelf aan de slag kan gaan. Voor de meer ervaren bokstrainer kan dit hoofdstuk nieuwe inzichten bieden om de bestaande lessen te verrijken. Vanuit een beleids- en organisatorisch perspectief geven we bijkomend enkele concrete aandachtspunten voor het opzetten van bokspedagogische projecten.
We sluiten het boek af met een pleidooi om bokspedagogische projecten, en bij uitbreiding andere (vecht-)sporten, meer ingang te doen laten vinden binnen het onderwijs, het jeugdwerk en de jeugdhulp.
-- Dit is het tweede deel in de reeks Psychofysiek werken met jongeren. Eerder verscheen in deze reeks van dezelfde auteurs: Een nieuwe kijk op lichaamsgericht werken met jongeren (9789044136166). --
Renhard Haudenhuyse is als onderzoeker verbonden een de Vrije Universiteit Brussel, meer bepaald de onderzoeksgroepen Sport & Society en Voicing At-risk Youth. Zijn onderzoek focust op de maatschappelijke betekenis en waarde van sport met aandacht voor groepen en precaire en kwetsbare situaties. Mieke Matthyssen is verbonden een de vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent waar ze voor de Huoshen Stichting onderzoek doet naar psychofysiek werken met jongeren. Daarnaast werkt ze op de vakgroep Talen en Culturen van de Universiteit Gent rond gezondheids- en gelukstrategieên in China. Jan Naert is orthopedagoog en onderzoeker bij de vakgroep Orthopedagogiek aan de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar continuïteit in de jeugdhulpverlening, met specifieke aandacht voor de stem van jongeneren in kwetsbare situaties. Daarnaast is hij als vrijwilliger actief in het jeugdwelzijnswerk en voorziet hij trainingen in onder meer coaching, crisishantering en leefwereldgericht werken.
Boksen met jongeren Een nieuwe kijk op pedagogisch en didactisch handelen Reeks: Psychofysiek werken met jongeren, nr. 2
€ 21,90
De laatste jaren merken we steeds meer interesse voor lichaamsgerichte methodieken in het werken met jongeren. Binnen verschillende sectoren zoals het onderwijs, jeugdwerk, sportverenigingsleven, straathoekwerk en hulpverlening gaan begeleiders aan de slag met diverse activiteiten en methodieken. In dit boek zoomen we in op het pedagogisch boksen. Het idee om boksen in te zetten als een therapeutische, gezondheidsgerichte of sociaalpedagogische interventie is niet nieuw, maar blijft een onderbenut en vaak ook onbekend terrein.
Om de lezer een concreet idee te geven over hoe een sportpedagogische methodiek eruit kan zien, beschrijven we een boksproject dat plaatsvond in een gesloten jeugdvoorziening. Het project beoogde de bevordering van het integratieperspectief van jongeren. We laten hierbij uitgebreid de jongeren en de begeleiders zelf aan het woord, en koppelen onze bevindingen aan internationale wetenschappelijke literatuur.
Het boek biedt ook een uitgewerkte sportspelmethodiek voor het pedagogisch boksen aan, waarmee de lezer zelf aan de slag kan gaan. Voor de meer ervaren bokstrainer kan dit hoofdstuk nieuwe inzichten bieden om de bestaande lessen te verrijken. Vanuit een beleids- en organisatorisch perspectief geven we bijkomend enkele concrete aandachtspunten voor het opzetten van bokspedagogische projecten.
We sluiten het boek af met een pleidooi om bokspedagogische projecten, en bij uitbreiding andere (vecht-)sporten, meer ingang te doen laten vinden binnen het onderwijs, het jeugdwerk en de jeugdhulp.
-- Dit is het tweede deel in de reeks Psychofysiek werken met jongeren. Eerder verscheen in deze reeks van dezelfde auteurs: Een nieuwe kijk op lichaamsgericht werken met jongeren (9789044136166). --
Renhard Haudenhuyse is als onderzoeker verbonden een de Vrije Universiteit Brussel, meer bepaald de onderzoeksgroepen Sport & Society en Voicing At-risk Youth. Zijn onderzoek focust op de maatschappelijke betekenis en waarde van sport met aandacht voor groepen en precaire en kwetsbare situaties. Mieke Matthyssen is verbonden een de vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent waar ze voor de Huoshen Stichting onderzoek doet naar psychofysiek werken met jongeren. Daarnaast werkt ze op de vakgroep Talen en Culturen van de Universiteit Gent rond gezondheids- en gelukstrategieên in China. Jan Naert is orthopedagoog en onderzoeker bij de vakgroep Orthopedagogiek aan de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar continuïteit in de jeugdhulpverlening, met specifieke aandacht voor de stem van jongeneren in kwetsbare situaties. Daarnaast is hij als vrijwilliger actief in het jeugdwelzijnswerk en voorziet hij trainingen in onder meer coaching, crisishantering en leefwereldgericht werken.
Om de lezer een concreet idee te geven over hoe een sportpedagogische methodiek eruit kan zien, beschrijven we een boksproject dat plaatsvond in een gesloten jeugdvoorziening. Het project beoogde de bevordering van het integratieperspectief van jongeren. We laten hierbij uitgebreid de jongeren en de begeleiders zelf aan het woord, en koppelen onze bevindingen aan internationale wetenschappelijke literatuur.
Het boek biedt ook een uitgewerkte sportspelmethodiek voor het pedagogisch boksen aan, waarmee de lezer zelf aan de slag kan gaan. Voor de meer ervaren bokstrainer kan dit hoofdstuk nieuwe inzichten bieden om de bestaande lessen te verrijken. Vanuit een beleids- en organisatorisch perspectief geven we bijkomend enkele concrete aandachtspunten voor het opzetten van bokspedagogische projecten.
We sluiten het boek af met een pleidooi om bokspedagogische projecten, en bij uitbreiding andere (vecht-)sporten, meer ingang te doen laten vinden binnen het onderwijs, het jeugdwerk en de jeugdhulp.
-- Dit is het tweede deel in de reeks Psychofysiek werken met jongeren. Eerder verscheen in deze reeks van dezelfde auteurs: Een nieuwe kijk op lichaamsgericht werken met jongeren (9789044136166). --
Renhard Haudenhuyse is als onderzoeker verbonden een de Vrije Universiteit Brussel, meer bepaald de onderzoeksgroepen Sport & Society en Voicing At-risk Youth. Zijn onderzoek focust op de maatschappelijke betekenis en waarde van sport met aandacht voor groepen en precaire en kwetsbare situaties. Mieke Matthyssen is verbonden een de vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent waar ze voor de Huoshen Stichting onderzoek doet naar psychofysiek werken met jongeren. Daarnaast werkt ze op de vakgroep Talen en Culturen van de Universiteit Gent rond gezondheids- en gelukstrategieên in China. Jan Naert is orthopedagoog en onderzoeker bij de vakgroep Orthopedagogiek aan de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar continuïteit in de jeugdhulpverlening, met specifieke aandacht voor de stem van jongeneren in kwetsbare situaties. Daarnaast is hij als vrijwilliger actief in het jeugdwelzijnswerk en voorziet hij trainingen in onder meer coaching, crisishantering en leefwereldgericht werken.
Waarom niet lezen? Themanr. Filosofie & Praktijk jg 41 nr. 4 (2020)
€ 15,00
Waarom niet lezen?” kun je uiteraard op meer dan één manier lezen. Het zou uitleg kunnen geven over de redenen om niet te lezen. En aanbevelen om daarvoor in de plaats alle praatshows op de televisie te bekijken. Het zou echter ook kunnen uitleggen waarom je niet zou lezen in plaats van alle praatshows op televisie te bekijken. Hoe dan ook, voorafgegaan door een toelichtend ‘woord vooraf’ van Leon Pijnenburg die voor de vertaling zorgde, volgt de bijdrage van Jürgen Habermas “Waarom niet lezen?”
Vervolgens breekt Patrick Delaere een lans voor het lezen van “een schrijver van buitencategorie proza, die meer literaire prijzen won dan welke andere auteur ook, en die samen met William Faulkner de ruggengraat vormde van de 20ste-eeuwse Amerikaanse literatuur, volgens collega-schrijver Philip Roth.” Daar komt nog als extra reden bij dat veel mensen onder de veertig de romancier en hoogleraar Saul Bellow – want om hem gaat het hier – vandaag de dag niet meer kennen. Zijn werk, aldus Delaere, lijkt nu al op het kerkhof van vergeten boeken te zijn beland. En dus spreekt hij in “Saul Bellows romaneske waarheid” de hoop uit dat literatuurminnaars het tij voor dit dreigende verlies snel zullen doen keren, waarbij hij tevens aannemelijk wil maken dat ook filosofen reden hebben zich dat mogelijke verlies aan te trekken.
In zijn bijdrage “Zwart en wit in het licht van de rede, over Kant en racisme” richt Herman van Erp zich op het betoog van de Nigeriaanse filosoof Emmanuel Eze, waarin deze stelt dat Kants begrip van rationaliteit, evenals dat van Habermas, racistisch is. Daarbij valt het zeker niet te ontkennen dat tot in het recente verleden antropologische theorieën het begrip rationaliteit vaak op racistische wijze hebben gebruikt, alsof niet-Westerse volkeren minder rationeel zouden zijn. Daarbij gaat Van Erp tevens in op de Kameroense filosoof Achille Mbembe en diens aansprekende cultuurfilosofische analyse van wat als ‘zwarte rede’ getypeerd kan worden. Het debat over racisme roept vandaag de dag heftige emoties op, juist vanwege het toenemende ‘identiteits-denken’ (zie daarvoor het voorafgaand themanummer van F&P). Standpunten en individuen botsen en je kunt je afvragen of het niet mogelijk is dat de deelnemers aan het debat “de botsing van hun kritiek met enige humor kunnen bezien en begrip voor elkaars standpunten kunnen opbrengen?”
Je zou kunnen zeggen dat dat laatste – humor en begrip – de uitkomst is, in elk geval ten dele, van de volgende bijdrage, “Twee voetnoten, over discriminatie en racisme bij David Hume” door Ton Vink. Vanwege een racistische voetnoot in een van de essays van David Hume besloot de universiteit van Edinburgh onlangs diens naam van een naar hem vernoemd universiteitsgebouw te schrappen. Het gebouw moest nu maar vernoemd worden naar de locatie ervan: 40 George Square. Helaas ontdekte een derdejaarsstudent dat de nieuwe naamgever, George Brown, een 18de-eeuwse soldaat was, wiens familie enkele van de grootste suikerplantages op Jamaica exploiteerde, met meer dan 1.000 slaven. Men is in gesprek met elkaar! Dat doet overigens niets af aan de vraag of Hume zich in het essay dat aanleiding tot deze commotie is, eigenlijk wel steeds aan zijn eigen kennistheoretische uitgangspunten heeft gehouden.
In zijn “Minima Philosophica: Optimisme of mooipraterij over natuur in het tijdperk van de mens?” onderzoekt Jozef Keulartz de vraag of, en zo ja tot op welke hoogte, het optimisme over de veronderstelde sterke vergroting van de biodiversiteit door de moderne mens gerechtvaardigd is. Worden we daar echt blij van?
Vervolgens bespreekt Kees Hellingman Hoe de evolutie onze kijk op de wereld verdiept geschreven door Mark van Vugt. Na informatie over een prijsvraag van de Vereniging van Ethici in Nederland besluit een korte rubriek Signalementen dit nummer van F&P.
Vervolgens breekt Patrick Delaere een lans voor het lezen van “een schrijver van buitencategorie proza, die meer literaire prijzen won dan welke andere auteur ook, en die samen met William Faulkner de ruggengraat vormde van de 20ste-eeuwse Amerikaanse literatuur, volgens collega-schrijver Philip Roth.” Daar komt nog als extra reden bij dat veel mensen onder de veertig de romancier en hoogleraar Saul Bellow – want om hem gaat het hier – vandaag de dag niet meer kennen. Zijn werk, aldus Delaere, lijkt nu al op het kerkhof van vergeten boeken te zijn beland. En dus spreekt hij in “Saul Bellows romaneske waarheid” de hoop uit dat literatuurminnaars het tij voor dit dreigende verlies snel zullen doen keren, waarbij hij tevens aannemelijk wil maken dat ook filosofen reden hebben zich dat mogelijke verlies aan te trekken.
In zijn bijdrage “Zwart en wit in het licht van de rede, over Kant en racisme” richt Herman van Erp zich op het betoog van de Nigeriaanse filosoof Emmanuel Eze, waarin deze stelt dat Kants begrip van rationaliteit, evenals dat van Habermas, racistisch is. Daarbij valt het zeker niet te ontkennen dat tot in het recente verleden antropologische theorieën het begrip rationaliteit vaak op racistische wijze hebben gebruikt, alsof niet-Westerse volkeren minder rationeel zouden zijn. Daarbij gaat Van Erp tevens in op de Kameroense filosoof Achille Mbembe en diens aansprekende cultuurfilosofische analyse van wat als ‘zwarte rede’ getypeerd kan worden. Het debat over racisme roept vandaag de dag heftige emoties op, juist vanwege het toenemende ‘identiteits-denken’ (zie daarvoor het voorafgaand themanummer van F&P). Standpunten en individuen botsen en je kunt je afvragen of het niet mogelijk is dat de deelnemers aan het debat “de botsing van hun kritiek met enige humor kunnen bezien en begrip voor elkaars standpunten kunnen opbrengen?”
Je zou kunnen zeggen dat dat laatste – humor en begrip – de uitkomst is, in elk geval ten dele, van de volgende bijdrage, “Twee voetnoten, over discriminatie en racisme bij David Hume” door Ton Vink. Vanwege een racistische voetnoot in een van de essays van David Hume besloot de universiteit van Edinburgh onlangs diens naam van een naar hem vernoemd universiteitsgebouw te schrappen. Het gebouw moest nu maar vernoemd worden naar de locatie ervan: 40 George Square. Helaas ontdekte een derdejaarsstudent dat de nieuwe naamgever, George Brown, een 18de-eeuwse soldaat was, wiens familie enkele van de grootste suikerplantages op Jamaica exploiteerde, met meer dan 1.000 slaven. Men is in gesprek met elkaar! Dat doet overigens niets af aan de vraag of Hume zich in het essay dat aanleiding tot deze commotie is, eigenlijk wel steeds aan zijn eigen kennistheoretische uitgangspunten heeft gehouden.
In zijn “Minima Philosophica: Optimisme of mooipraterij over natuur in het tijdperk van de mens?” onderzoekt Jozef Keulartz de vraag of, en zo ja tot op welke hoogte, het optimisme over de veronderstelde sterke vergroting van de biodiversiteit door de moderne mens gerechtvaardigd is. Worden we daar echt blij van?
Vervolgens bespreekt Kees Hellingman Hoe de evolutie onze kijk op de wereld verdiept geschreven door Mark van Vugt. Na informatie over een prijsvraag van de Vereniging van Ethici in Nederland besluit een korte rubriek Signalementen dit nummer van F&P.
Waarom niet lezen? Themanr. Filosofie & Praktijk jg 41 nr. 4 (2020)
€ 15,00
Waarom niet lezen?” kun je uiteraard op meer dan één manier lezen. Het zou uitleg kunnen geven over de redenen om niet te lezen. En aanbevelen om daarvoor in de plaats alle praatshows op de televisie te bekijken. Het zou echter ook kunnen uitleggen waarom je niet zou lezen in plaats van alle praatshows op televisie te bekijken. Hoe dan ook, voorafgegaan door een toelichtend ‘woord vooraf’ van Leon Pijnenburg die voor de vertaling zorgde, volgt de bijdrage van Jürgen Habermas “Waarom niet lezen?”
Vervolgens breekt Patrick Delaere een lans voor het lezen van “een schrijver van buitencategorie proza, die meer literaire prijzen won dan welke andere auteur ook, en die samen met William Faulkner de ruggengraat vormde van de 20ste-eeuwse Amerikaanse literatuur, volgens collega-schrijver Philip Roth.” Daar komt nog als extra reden bij dat veel mensen onder de veertig de romancier en hoogleraar Saul Bellow – want om hem gaat het hier – vandaag de dag niet meer kennen. Zijn werk, aldus Delaere, lijkt nu al op het kerkhof van vergeten boeken te zijn beland. En dus spreekt hij in “Saul Bellows romaneske waarheid” de hoop uit dat literatuurminnaars het tij voor dit dreigende verlies snel zullen doen keren, waarbij hij tevens aannemelijk wil maken dat ook filosofen reden hebben zich dat mogelijke verlies aan te trekken.
In zijn bijdrage “Zwart en wit in het licht van de rede, over Kant en racisme” richt Herman van Erp zich op het betoog van de Nigeriaanse filosoof Emmanuel Eze, waarin deze stelt dat Kants begrip van rationaliteit, evenals dat van Habermas, racistisch is. Daarbij valt het zeker niet te ontkennen dat tot in het recente verleden antropologische theorieën het begrip rationaliteit vaak op racistische wijze hebben gebruikt, alsof niet-Westerse volkeren minder rationeel zouden zijn. Daarbij gaat Van Erp tevens in op de Kameroense filosoof Achille Mbembe en diens aansprekende cultuurfilosofische analyse van wat als ‘zwarte rede’ getypeerd kan worden. Het debat over racisme roept vandaag de dag heftige emoties op, juist vanwege het toenemende ‘identiteits-denken’ (zie daarvoor het voorafgaand themanummer van F&P). Standpunten en individuen botsen en je kunt je afvragen of het niet mogelijk is dat de deelnemers aan het debat “de botsing van hun kritiek met enige humor kunnen bezien en begrip voor elkaars standpunten kunnen opbrengen?”
Je zou kunnen zeggen dat dat laatste – humor en begrip – de uitkomst is, in elk geval ten dele, van de volgende bijdrage, “Twee voetnoten, over discriminatie en racisme bij David Hume” door Ton Vink. Vanwege een racistische voetnoot in een van de essays van David Hume besloot de universiteit van Edinburgh onlangs diens naam van een naar hem vernoemd universiteitsgebouw te schrappen. Het gebouw moest nu maar vernoemd worden naar de locatie ervan: 40 George Square. Helaas ontdekte een derdejaarsstudent dat de nieuwe naamgever, George Brown, een 18de-eeuwse soldaat was, wiens familie enkele van de grootste suikerplantages op Jamaica exploiteerde, met meer dan 1.000 slaven. Men is in gesprek met elkaar! Dat doet overigens niets af aan de vraag of Hume zich in het essay dat aanleiding tot deze commotie is, eigenlijk wel steeds aan zijn eigen kennistheoretische uitgangspunten heeft gehouden.
In zijn “Minima Philosophica: Optimisme of mooipraterij over natuur in het tijdperk van de mens?” onderzoekt Jozef Keulartz de vraag of, en zo ja tot op welke hoogte, het optimisme over de veronderstelde sterke vergroting van de biodiversiteit door de moderne mens gerechtvaardigd is. Worden we daar echt blij van?
Vervolgens bespreekt Kees Hellingman Hoe de evolutie onze kijk op de wereld verdiept geschreven door Mark van Vugt. Na informatie over een prijsvraag van de Vereniging van Ethici in Nederland besluit een korte rubriek Signalementen dit nummer van F&P.
Vervolgens breekt Patrick Delaere een lans voor het lezen van “een schrijver van buitencategorie proza, die meer literaire prijzen won dan welke andere auteur ook, en die samen met William Faulkner de ruggengraat vormde van de 20ste-eeuwse Amerikaanse literatuur, volgens collega-schrijver Philip Roth.” Daar komt nog als extra reden bij dat veel mensen onder de veertig de romancier en hoogleraar Saul Bellow – want om hem gaat het hier – vandaag de dag niet meer kennen. Zijn werk, aldus Delaere, lijkt nu al op het kerkhof van vergeten boeken te zijn beland. En dus spreekt hij in “Saul Bellows romaneske waarheid” de hoop uit dat literatuurminnaars het tij voor dit dreigende verlies snel zullen doen keren, waarbij hij tevens aannemelijk wil maken dat ook filosofen reden hebben zich dat mogelijke verlies aan te trekken.
In zijn bijdrage “Zwart en wit in het licht van de rede, over Kant en racisme” richt Herman van Erp zich op het betoog van de Nigeriaanse filosoof Emmanuel Eze, waarin deze stelt dat Kants begrip van rationaliteit, evenals dat van Habermas, racistisch is. Daarbij valt het zeker niet te ontkennen dat tot in het recente verleden antropologische theorieën het begrip rationaliteit vaak op racistische wijze hebben gebruikt, alsof niet-Westerse volkeren minder rationeel zouden zijn. Daarbij gaat Van Erp tevens in op de Kameroense filosoof Achille Mbembe en diens aansprekende cultuurfilosofische analyse van wat als ‘zwarte rede’ getypeerd kan worden. Het debat over racisme roept vandaag de dag heftige emoties op, juist vanwege het toenemende ‘identiteits-denken’ (zie daarvoor het voorafgaand themanummer van F&P). Standpunten en individuen botsen en je kunt je afvragen of het niet mogelijk is dat de deelnemers aan het debat “de botsing van hun kritiek met enige humor kunnen bezien en begrip voor elkaars standpunten kunnen opbrengen?”
Je zou kunnen zeggen dat dat laatste – humor en begrip – de uitkomst is, in elk geval ten dele, van de volgende bijdrage, “Twee voetnoten, over discriminatie en racisme bij David Hume” door Ton Vink. Vanwege een racistische voetnoot in een van de essays van David Hume besloot de universiteit van Edinburgh onlangs diens naam van een naar hem vernoemd universiteitsgebouw te schrappen. Het gebouw moest nu maar vernoemd worden naar de locatie ervan: 40 George Square. Helaas ontdekte een derdejaarsstudent dat de nieuwe naamgever, George Brown, een 18de-eeuwse soldaat was, wiens familie enkele van de grootste suikerplantages op Jamaica exploiteerde, met meer dan 1.000 slaven. Men is in gesprek met elkaar! Dat doet overigens niets af aan de vraag of Hume zich in het essay dat aanleiding tot deze commotie is, eigenlijk wel steeds aan zijn eigen kennistheoretische uitgangspunten heeft gehouden.
In zijn “Minima Philosophica: Optimisme of mooipraterij over natuur in het tijdperk van de mens?” onderzoekt Jozef Keulartz de vraag of, en zo ja tot op welke hoogte, het optimisme over de veronderstelde sterke vergroting van de biodiversiteit door de moderne mens gerechtvaardigd is. Worden we daar echt blij van?
Vervolgens bespreekt Kees Hellingman Hoe de evolutie onze kijk op de wereld verdiept geschreven door Mark van Vugt. Na informatie over een prijsvraag van de Vereniging van Ethici in Nederland besluit een korte rubriek Signalementen dit nummer van F&P.
Sensoa Vlaggensysteem voor volwassenen (7e)- Bespreekbaar maken van seksueel (grensoverschrijdend) gedrag
€ 29,00
Het Sensoa Vlaggensysteem is een methodiek die het voor mensen makkelijker maakt om met elkaar in gesprek te gaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het Vlaggensysteem werkt met situatietekeningen, een systeem van kleuren van vlaggen bij de inschatting van een seksuele situatie en bij het beoordelen van de ernst van eventueel seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het duiden van de ernst van het gedrag is een belangrijk onderdeel: het geeft houvast met behulp van zes objectieve criteria. Hierdoor ontstaat inzicht bij alle partijen in de principes van seksueel gewenst en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Het concept is een een onderbouwde en herziene versie van het Vlaggensysteem voor begeleiders die werken met kinderen en jongeren (Frans & Franck, 2010, 2014). In de versie voor volwassenen nemen we de professional die zorgt voor het welzijn van volwassenen als focus. Nog sterker dan bij kinderen en jongeren echter zal de betrokken volwassene zelf ook eigen inschattingen maken, eigen handelingen bewust sturen en afwegen.
De methodiek is bedoeld om als professional te gebruiken op 3 niveaus, namelijk:
• op niveau van de cliënt, als agogisch instrument voor het werken met cliënten, in het bespreekbaar maken van seksueel gedrag waarbij ze betrokken (kunnen) zijn;
• op niveau van het team en de professional kan men de methodiek gebruiken om te reflecteren op hoe men bepaalde situaties kan inschatten, hoe men ermee kan omgaan, en welke competenties daarvoor nodig zijn bij professionals;
• op niveau van de organisatie kan men proactief of reactief werken aan een beter beleid, aan de hand van reflectie op incidenten, tekorten, evoluties enzovoort.
Situatiekaarten, oefeningen en instrumenten zijn te vinden op www.vlaggensysteem.be.
Erika Frans (°1957) is sociaal agoog en gezondheidspsycholoog en werkt sinds een dertigtal jaar bij Sensoa en CGSO Trefpunt als opleider, coördinator, beleidsmedewerker en expert. Thema’s als seksuele vorming, seksuele ontwikkeling en seksueel grensoverschrijdend gedrag maken de kern uit van haar activiteiten als professional. In 2008 ontwikkelde ze samen met collega’s het Sensoa Vlaggensysteem als methodiek om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken, en de vele positieve reacties inspireerden ons tot het verder in praktijk brengen van deze methodiek voor volwassenen.
Het concept is een een onderbouwde en herziene versie van het Vlaggensysteem voor begeleiders die werken met kinderen en jongeren (Frans & Franck, 2010, 2014). In de versie voor volwassenen nemen we de professional die zorgt voor het welzijn van volwassenen als focus. Nog sterker dan bij kinderen en jongeren echter zal de betrokken volwassene zelf ook eigen inschattingen maken, eigen handelingen bewust sturen en afwegen.
De methodiek is bedoeld om als professional te gebruiken op 3 niveaus, namelijk:
• op niveau van de cliënt, als agogisch instrument voor het werken met cliënten, in het bespreekbaar maken van seksueel gedrag waarbij ze betrokken (kunnen) zijn;
• op niveau van het team en de professional kan men de methodiek gebruiken om te reflecteren op hoe men bepaalde situaties kan inschatten, hoe men ermee kan omgaan, en welke competenties daarvoor nodig zijn bij professionals;
• op niveau van de organisatie kan men proactief of reactief werken aan een beter beleid, aan de hand van reflectie op incidenten, tekorten, evoluties enzovoort.
Situatiekaarten, oefeningen en instrumenten zijn te vinden op www.vlaggensysteem.be.
Erika Frans (°1957) is sociaal agoog en gezondheidspsycholoog en werkt sinds een dertigtal jaar bij Sensoa en CGSO Trefpunt als opleider, coördinator, beleidsmedewerker en expert. Thema’s als seksuele vorming, seksuele ontwikkeling en seksueel grensoverschrijdend gedrag maken de kern uit van haar activiteiten als professional. In 2008 ontwikkelde ze samen met collega’s het Sensoa Vlaggensysteem als methodiek om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken, en de vele positieve reacties inspireerden ons tot het verder in praktijk brengen van deze methodiek voor volwassenen.
Sensoa Vlaggensysteem voor volwassenen (7e)- Bespreekbaar maken van seksueel (grensoverschrijdend) gedrag
€ 29,00
Het Sensoa Vlaggensysteem is een methodiek die het voor mensen makkelijker maakt om met elkaar in gesprek te gaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het Vlaggensysteem werkt met situatietekeningen, een systeem van kleuren van vlaggen bij de inschatting van een seksuele situatie en bij het beoordelen van de ernst van eventueel seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het duiden van de ernst van het gedrag is een belangrijk onderdeel: het geeft houvast met behulp van zes objectieve criteria. Hierdoor ontstaat inzicht bij alle partijen in de principes van seksueel gewenst en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Het concept is een een onderbouwde en herziene versie van het Vlaggensysteem voor begeleiders die werken met kinderen en jongeren (Frans & Franck, 2010, 2014). In de versie voor volwassenen nemen we de professional die zorgt voor het welzijn van volwassenen als focus. Nog sterker dan bij kinderen en jongeren echter zal de betrokken volwassene zelf ook eigen inschattingen maken, eigen handelingen bewust sturen en afwegen.
De methodiek is bedoeld om als professional te gebruiken op 3 niveaus, namelijk:
• op niveau van de cliënt, als agogisch instrument voor het werken met cliënten, in het bespreekbaar maken van seksueel gedrag waarbij ze betrokken (kunnen) zijn;
• op niveau van het team en de professional kan men de methodiek gebruiken om te reflecteren op hoe men bepaalde situaties kan inschatten, hoe men ermee kan omgaan, en welke competenties daarvoor nodig zijn bij professionals;
• op niveau van de organisatie kan men proactief of reactief werken aan een beter beleid, aan de hand van reflectie op incidenten, tekorten, evoluties enzovoort.
Situatiekaarten, oefeningen en instrumenten zijn te vinden op www.vlaggensysteem.be.
Erika Frans (°1957) is sociaal agoog en gezondheidspsycholoog en werkt sinds een dertigtal jaar bij Sensoa en CGSO Trefpunt als opleider, coördinator, beleidsmedewerker en expert. Thema’s als seksuele vorming, seksuele ontwikkeling en seksueel grensoverschrijdend gedrag maken de kern uit van haar activiteiten als professional. In 2008 ontwikkelde ze samen met collega’s het Sensoa Vlaggensysteem als methodiek om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken, en de vele positieve reacties inspireerden ons tot het verder in praktijk brengen van deze methodiek voor volwassenen.
Het concept is een een onderbouwde en herziene versie van het Vlaggensysteem voor begeleiders die werken met kinderen en jongeren (Frans & Franck, 2010, 2014). In de versie voor volwassenen nemen we de professional die zorgt voor het welzijn van volwassenen als focus. Nog sterker dan bij kinderen en jongeren echter zal de betrokken volwassene zelf ook eigen inschattingen maken, eigen handelingen bewust sturen en afwegen.
De methodiek is bedoeld om als professional te gebruiken op 3 niveaus, namelijk:
• op niveau van de cliënt, als agogisch instrument voor het werken met cliënten, in het bespreekbaar maken van seksueel gedrag waarbij ze betrokken (kunnen) zijn;
• op niveau van het team en de professional kan men de methodiek gebruiken om te reflecteren op hoe men bepaalde situaties kan inschatten, hoe men ermee kan omgaan, en welke competenties daarvoor nodig zijn bij professionals;
• op niveau van de organisatie kan men proactief of reactief werken aan een beter beleid, aan de hand van reflectie op incidenten, tekorten, evoluties enzovoort.
Situatiekaarten, oefeningen en instrumenten zijn te vinden op www.vlaggensysteem.be.
Erika Frans (°1957) is sociaal agoog en gezondheidspsycholoog en werkt sinds een dertigtal jaar bij Sensoa en CGSO Trefpunt als opleider, coördinator, beleidsmedewerker en expert. Thema’s als seksuele vorming, seksuele ontwikkeling en seksueel grensoverschrijdend gedrag maken de kern uit van haar activiteiten als professional. In 2008 ontwikkelde ze samen met collega’s het Sensoa Vlaggensysteem als methodiek om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken, en de vele positieve reacties inspireerden ons tot het verder in praktijk brengen van deze methodiek voor volwassenen.
Onrust en samenleven in Europa Over rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie
€ 18,50
Het boek ‘Onrust en samenleven in Europa. Over rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie’ gaat in op de actuele onvrede in onze samenleving en de oorzaken daarvan. We onderscheiden 3 hoofdoorzaken: de onvrede over een maatschappij die niet als rechtvaardig gepercipieerd wordt, de zorg rond duurzaamheid en het gevoel onvoldoende te kunnen participeren in de samenleving (of een gebrek aan verbondenheid). Na een algemeen deel over de hedendaagse context (diversiteit en globalisering) en basisbegrippen voor een goede samenlevingsopbouw (mensenrechten, het algemeen belang) werkt de auteur achtereenvolgens de 3 hoofdthema’s uit. De nadruk ligt daarbij minder op analyse (daarvoor wordt eerder verwezen naar andere werken), maar vooral op principes, ideeën en concrete voorstellen om tot meer rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie te komen. De samenhang tussen deze 3 kernbegrippen wordt beklemtoond.
In het deel over rechtvaardigheid gaat de auteur in op gelijke kansen, minimale welvaart voor iedereen, de verdeling van inkomens en vermogen, werk en zekerheid (dit laatste zowel op sociaal, economisch als financieel vlak). Onder het thema duurzaamheid worden behandeld: een leefbaar milieu, de energieproblematiek, grondstoffen en afval, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Ten slotte handelt het deel over participatie over het behoren tot gemeenschappen, een geïntegreerde maatschappij, een democratie voor de 21ste eeuw, de rechtstaat en sociaaleconomische betrokkenheid.
Het werk is geschreven voor de geïnteresseerde en geïnformeerde burger, zonder dat deze een specialist hoeft te zijn. Het wil de zaken tegelijk bevattelijk en met de nodige diepgang weergeven. Met allerhande ideeën en voorstellen wil het vooral aanzetten tot verder denken en handelen. De doelgroep is het groeiend aantal burgers dat begaan is met deze maatschappelijke thema’s en zich hierin verder wil verdiepen. Het voordeel van dit werk is dat het niet enkel ingaat op één bepaald aspect, maar door de behandeling van de drie hoofdthema’s een globale visie wil bieden, waarin de onderlinge samenhang van interactie van de deelterreinen recht wordt gedaan.
Werner Van laer is econoom en theoloog. Hij werkt voor het aartsbisdom Mechelen-Brussel, maar dit werk is geschreven in persoonlijke naam. Zijn masterthesis ‘L.J. Cardinal Suenens. Mémoires du le Concile Vatican II, édités et annotés’ werd in 2014 uitgebracht als boek bij uitgeverij Peeters in Leuven. In 2019 publiceerde hij ‘Een regenboog van vernieuwing. Pleidooi voor kerkhervorming’ bij uitgeverij Garant, Antwerpen-Apeldoorn.
In het deel over rechtvaardigheid gaat de auteur in op gelijke kansen, minimale welvaart voor iedereen, de verdeling van inkomens en vermogen, werk en zekerheid (dit laatste zowel op sociaal, economisch als financieel vlak). Onder het thema duurzaamheid worden behandeld: een leefbaar milieu, de energieproblematiek, grondstoffen en afval, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Ten slotte handelt het deel over participatie over het behoren tot gemeenschappen, een geïntegreerde maatschappij, een democratie voor de 21ste eeuw, de rechtstaat en sociaaleconomische betrokkenheid.
Het werk is geschreven voor de geïnteresseerde en geïnformeerde burger, zonder dat deze een specialist hoeft te zijn. Het wil de zaken tegelijk bevattelijk en met de nodige diepgang weergeven. Met allerhande ideeën en voorstellen wil het vooral aanzetten tot verder denken en handelen. De doelgroep is het groeiend aantal burgers dat begaan is met deze maatschappelijke thema’s en zich hierin verder wil verdiepen. Het voordeel van dit werk is dat het niet enkel ingaat op één bepaald aspect, maar door de behandeling van de drie hoofdthema’s een globale visie wil bieden, waarin de onderlinge samenhang van interactie van de deelterreinen recht wordt gedaan.
Werner Van laer is econoom en theoloog. Hij werkt voor het aartsbisdom Mechelen-Brussel, maar dit werk is geschreven in persoonlijke naam. Zijn masterthesis ‘L.J. Cardinal Suenens. Mémoires du le Concile Vatican II, édités et annotés’ werd in 2014 uitgebracht als boek bij uitgeverij Peeters in Leuven. In 2019 publiceerde hij ‘Een regenboog van vernieuwing. Pleidooi voor kerkhervorming’ bij uitgeverij Garant, Antwerpen-Apeldoorn.
Onrust en samenleven in Europa Over rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie
€ 18,50
Het boek ‘Onrust en samenleven in Europa. Over rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie’ gaat in op de actuele onvrede in onze samenleving en de oorzaken daarvan. We onderscheiden 3 hoofdoorzaken: de onvrede over een maatschappij die niet als rechtvaardig gepercipieerd wordt, de zorg rond duurzaamheid en het gevoel onvoldoende te kunnen participeren in de samenleving (of een gebrek aan verbondenheid). Na een algemeen deel over de hedendaagse context (diversiteit en globalisering) en basisbegrippen voor een goede samenlevingsopbouw (mensenrechten, het algemeen belang) werkt de auteur achtereenvolgens de 3 hoofdthema’s uit. De nadruk ligt daarbij minder op analyse (daarvoor wordt eerder verwezen naar andere werken), maar vooral op principes, ideeën en concrete voorstellen om tot meer rechtvaardigheid, duurzaamheid en participatie te komen. De samenhang tussen deze 3 kernbegrippen wordt beklemtoond.
In het deel over rechtvaardigheid gaat de auteur in op gelijke kansen, minimale welvaart voor iedereen, de verdeling van inkomens en vermogen, werk en zekerheid (dit laatste zowel op sociaal, economisch als financieel vlak). Onder het thema duurzaamheid worden behandeld: een leefbaar milieu, de energieproblematiek, grondstoffen en afval, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Ten slotte handelt het deel over participatie over het behoren tot gemeenschappen, een geïntegreerde maatschappij, een democratie voor de 21ste eeuw, de rechtstaat en sociaaleconomische betrokkenheid.
Het werk is geschreven voor de geïnteresseerde en geïnformeerde burger, zonder dat deze een specialist hoeft te zijn. Het wil de zaken tegelijk bevattelijk en met de nodige diepgang weergeven. Met allerhande ideeën en voorstellen wil het vooral aanzetten tot verder denken en handelen. De doelgroep is het groeiend aantal burgers dat begaan is met deze maatschappelijke thema’s en zich hierin verder wil verdiepen. Het voordeel van dit werk is dat het niet enkel ingaat op één bepaald aspect, maar door de behandeling van de drie hoofdthema’s een globale visie wil bieden, waarin de onderlinge samenhang van interactie van de deelterreinen recht wordt gedaan.
Werner Van laer is econoom en theoloog. Hij werkt voor het aartsbisdom Mechelen-Brussel, maar dit werk is geschreven in persoonlijke naam. Zijn masterthesis ‘L.J. Cardinal Suenens. Mémoires du le Concile Vatican II, édités et annotés’ werd in 2014 uitgebracht als boek bij uitgeverij Peeters in Leuven. In 2019 publiceerde hij ‘Een regenboog van vernieuwing. Pleidooi voor kerkhervorming’ bij uitgeverij Garant, Antwerpen-Apeldoorn.
In het deel over rechtvaardigheid gaat de auteur in op gelijke kansen, minimale welvaart voor iedereen, de verdeling van inkomens en vermogen, werk en zekerheid (dit laatste zowel op sociaal, economisch als financieel vlak). Onder het thema duurzaamheid worden behandeld: een leefbaar milieu, de energieproblematiek, grondstoffen en afval, klimaatverandering, vrede en veiligheid. Ten slotte handelt het deel over participatie over het behoren tot gemeenschappen, een geïntegreerde maatschappij, een democratie voor de 21ste eeuw, de rechtstaat en sociaaleconomische betrokkenheid.
Het werk is geschreven voor de geïnteresseerde en geïnformeerde burger, zonder dat deze een specialist hoeft te zijn. Het wil de zaken tegelijk bevattelijk en met de nodige diepgang weergeven. Met allerhande ideeën en voorstellen wil het vooral aanzetten tot verder denken en handelen. De doelgroep is het groeiend aantal burgers dat begaan is met deze maatschappelijke thema’s en zich hierin verder wil verdiepen. Het voordeel van dit werk is dat het niet enkel ingaat op één bepaald aspect, maar door de behandeling van de drie hoofdthema’s een globale visie wil bieden, waarin de onderlinge samenhang van interactie van de deelterreinen recht wordt gedaan.
Werner Van laer is econoom en theoloog. Hij werkt voor het aartsbisdom Mechelen-Brussel, maar dit werk is geschreven in persoonlijke naam. Zijn masterthesis ‘L.J. Cardinal Suenens. Mémoires du le Concile Vatican II, édités et annotés’ werd in 2014 uitgebracht als boek bij uitgeverij Peeters in Leuven. In 2019 publiceerde hij ‘Een regenboog van vernieuwing. Pleidooi voor kerkhervorming’ bij uitgeverij Garant, Antwerpen-Apeldoorn.
Ontwarring en ordening van de draad (hc). Verbindend werken met cliënten met probleemgedrag
€ 42,00
In het werkveld van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking zijn de ontwikkelingspsychologie en -pedagogie erg belangrijk om antwoorden te vinden op eenvoudige en complexe opvoedings- en begeleidingsvragen. ‘De draad’ is een indeling van de ontwikkeling in een aantal stappen, vrij vertaald in typen draden. Het is een metafoor voor hechting en voor de verbinding tussen mensen die groeit door de verschillende ontwikkelingsstappen heen. Anders dan in ontwikkelingspsychologie gaat het daarbij niet alleen om de ontwikkelingsfasen van de cliënt, maar om de verbondenheid met zijn zorgfiguren.
Dit is het derde boek over ‘de draad’. Het is een praktijkboek, geworteld in de twee eerste boeken. Van een metafoor werd ‘de draad’ een model en een methode om cliënten te bespreken en gepaste ingangen te zoeken. Het boek wil helpen om een interpretatie voor het gedrag van een cliënt te vinden die hem recht doet. Orthopedagogen, psychologen en begeleiders kunnen het gebruiken in hun handelingsplanning, bij de bespreking van cliënten, in het zoeken naar antwoorden bij moeilijk gedrag en in vastlopende situaties.
Dit boek biedt enerzijds ‘ontwarring’ als handleiding bij de methode ‘de draad’ om het verbindende verhaal van de cliënt en zijn begeleider, ouder of leerkracht te helpen schrijven. Het wil anderzijds ‘ordening’ aanreiken met concrete handvatten om anders met (probleem)gedrag van cliënten om te gaan.
Gerrit Vignero werkt als orthopedagoog in het MPC Terbank in Heverlee. Zijn doelgroep bestaat uit kinderen en jongeren met een matig tot ernstig verstandelijke handicap. Hij is geschoold in de methode Heijkoop en lid van de regiegroep SEN-SEO. Hij geeft vorming rond de draad, geeft les aan de opleiding orthopedagogie van het CVO Heverlee en hij begeleidt casusbesprekingen aan de hand van de methode ‘de draad’.
Dit is het derde boek over ‘de draad’. Het is een praktijkboek, geworteld in de twee eerste boeken. Van een metafoor werd ‘de draad’ een model en een methode om cliënten te bespreken en gepaste ingangen te zoeken. Het boek wil helpen om een interpretatie voor het gedrag van een cliënt te vinden die hem recht doet. Orthopedagogen, psychologen en begeleiders kunnen het gebruiken in hun handelingsplanning, bij de bespreking van cliënten, in het zoeken naar antwoorden bij moeilijk gedrag en in vastlopende situaties.
Dit boek biedt enerzijds ‘ontwarring’ als handleiding bij de methode ‘de draad’ om het verbindende verhaal van de cliënt en zijn begeleider, ouder of leerkracht te helpen schrijven. Het wil anderzijds ‘ordening’ aanreiken met concrete handvatten om anders met (probleem)gedrag van cliënten om te gaan.
Gerrit Vignero werkt als orthopedagoog in het MPC Terbank in Heverlee. Zijn doelgroep bestaat uit kinderen en jongeren met een matig tot ernstig verstandelijke handicap. Hij is geschoold in de methode Heijkoop en lid van de regiegroep SEN-SEO. Hij geeft vorming rond de draad, geeft les aan de opleiding orthopedagogie van het CVO Heverlee en hij begeleidt casusbesprekingen aan de hand van de methode ‘de draad’.
Ontwarring en ordening van de draad (hc). Verbindend werken met cliënten met probleemgedrag
€ 42,00
In het werkveld van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking zijn de ontwikkelingspsychologie en -pedagogie erg belangrijk om antwoorden te vinden op eenvoudige en complexe opvoedings- en begeleidingsvragen. ‘De draad’ is een indeling van de ontwikkeling in een aantal stappen, vrij vertaald in typen draden. Het is een metafoor voor hechting en voor de verbinding tussen mensen die groeit door de verschillende ontwikkelingsstappen heen. Anders dan in ontwikkelingspsychologie gaat het daarbij niet alleen om de ontwikkelingsfasen van de cliënt, maar om de verbondenheid met zijn zorgfiguren.
Dit is het derde boek over ‘de draad’. Het is een praktijkboek, geworteld in de twee eerste boeken. Van een metafoor werd ‘de draad’ een model en een methode om cliënten te bespreken en gepaste ingangen te zoeken. Het boek wil helpen om een interpretatie voor het gedrag van een cliënt te vinden die hem recht doet. Orthopedagogen, psychologen en begeleiders kunnen het gebruiken in hun handelingsplanning, bij de bespreking van cliënten, in het zoeken naar antwoorden bij moeilijk gedrag en in vastlopende situaties.
Dit boek biedt enerzijds ‘ontwarring’ als handleiding bij de methode ‘de draad’ om het verbindende verhaal van de cliënt en zijn begeleider, ouder of leerkracht te helpen schrijven. Het wil anderzijds ‘ordening’ aanreiken met concrete handvatten om anders met (probleem)gedrag van cliënten om te gaan.
Gerrit Vignero werkt als orthopedagoog in het MPC Terbank in Heverlee. Zijn doelgroep bestaat uit kinderen en jongeren met een matig tot ernstig verstandelijke handicap. Hij is geschoold in de methode Heijkoop en lid van de regiegroep SEN-SEO. Hij geeft vorming rond de draad, geeft les aan de opleiding orthopedagogie van het CVO Heverlee en hij begeleidt casusbesprekingen aan de hand van de methode ‘de draad’.
Dit is het derde boek over ‘de draad’. Het is een praktijkboek, geworteld in de twee eerste boeken. Van een metafoor werd ‘de draad’ een model en een methode om cliënten te bespreken en gepaste ingangen te zoeken. Het boek wil helpen om een interpretatie voor het gedrag van een cliënt te vinden die hem recht doet. Orthopedagogen, psychologen en begeleiders kunnen het gebruiken in hun handelingsplanning, bij de bespreking van cliënten, in het zoeken naar antwoorden bij moeilijk gedrag en in vastlopende situaties.
Dit boek biedt enerzijds ‘ontwarring’ als handleiding bij de methode ‘de draad’ om het verbindende verhaal van de cliënt en zijn begeleider, ouder of leerkracht te helpen schrijven. Het wil anderzijds ‘ordening’ aanreiken met concrete handvatten om anders met (probleem)gedrag van cliënten om te gaan.
Gerrit Vignero werkt als orthopedagoog in het MPC Terbank in Heverlee. Zijn doelgroep bestaat uit kinderen en jongeren met een matig tot ernstig verstandelijke handicap. Hij is geschoold in de methode Heijkoop en lid van de regiegroep SEN-SEO. Hij geeft vorming rond de draad, geeft les aan de opleiding orthopedagogie van het CVO Heverlee en hij begeleidt casusbesprekingen aan de hand van de methode ‘de draad’.
Natiestaat contra Republiek De ‘verloren schat’ van het republikeinse universalisme
€ 22,00
“Nationalisten beweren dat de liberale natiestaat de noodzakelijke voorwaarde is voor een moderne democratie. Maar is dat zo? Stefaan Marteel breekt een lans voor republicanisme gegrond in universele mensenrechten en postnationaal burgerschap op basis van gelaagde politieke participatie. Zijn pleidooi staat op de schouders van republikeinse denkers die het nationalistisch postulaat al eeuwen uitdagen. Het is een herontdekking en herwaardering van een uitdagend gedachtengoed en verplichte lectuur voor nationalisten en hun tegenstanders.”
Bruno De Wever, Universiteit Gent
“In Natiestaat contra Republiek herontdekt Stefaan Marteel een belangrijk maar vergeten alternatief voor het nationalisme: het republikeinse universalisme. Klassieke republikeinen zetten zich af tegen het Hobbesiaanse idee van de soevereine, ondeelbare staat en pleitten in plaats daarvan voor een federatie van republieken – een model dat de inspiratie vormde voor de Verenigde Staten van Amerika. Nu het rechts-nationalisme aan een opmars bezig is in Europa en de VS is dit boek actueler dan ooit.”
Annelien de Dijn, Universiteit Utrecht
“Op het ogenblik dat we zowat overal in Europa te kampen hebben met krachten die ons tot een nationalistische terugplooi aanzetten, houdt Stefaan Marteel een pleidooi voor de rehabilitatie van het republikeinse universalisme. Deskundig, overtuigend en inspirerend.”
Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen
Sinds enkele decennia voeren democratische nationalisten en liberale universalisten debatten over soevereiniteit, identiteit, en de vraag naar de (on)aangepastheid van het natiestaatmodel aan de geglobaliseerde economie en cultuur – een tegenstelling die echter vooralsnog weinig productief is gebleken. Dit essay wil het debat vooruithelpen door terug te koppelen naar de ontstaansperiode van de moderne democratie. Daarbij wordt de opkomst van de natiestaat herbekeken in een brede politieke en intellectuele context, en worden de ideologische drijfveren achter het introduceren van het nationalisme in het politiek discours blootgelegd.
Het centrale betoog luidt dat het duurzaam succes van het 19de-eeuwse natiestaatmodel, en van de politiek van het nationalisme, alleen begrepen kan worden als keerzijde van de teloorgang van het (neo)klassieke republicanisme – een denkstroming over vrijheid, soevereiniteit en burgerschap die haar oorsprong in de renaissance vond en aan de basis lag van de revolutionaire gebeurtenissen op het einde van de 18de eeuw. Het essay geeft zo een aanzet tot de herontdekking van dit gedachtegoed, en onderkent hierin de belofte van een hernieuwd politiek engagement voor transnationalisme en universalisme.
Stefaan Marteel (1977) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en behaalde in 2009 zijn doctoraat aan het Europees Universitair Instituut in Firenze. Hij gaf les aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is de auteur van The Intellectual Origins of the Belgian Revolution: Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands (Palgrave 2018). Natiestaat contra Republiek is zijn eerste publieksboek .
Bruno De Wever, Universiteit Gent
“In Natiestaat contra Republiek herontdekt Stefaan Marteel een belangrijk maar vergeten alternatief voor het nationalisme: het republikeinse universalisme. Klassieke republikeinen zetten zich af tegen het Hobbesiaanse idee van de soevereine, ondeelbare staat en pleitten in plaats daarvan voor een federatie van republieken – een model dat de inspiratie vormde voor de Verenigde Staten van Amerika. Nu het rechts-nationalisme aan een opmars bezig is in Europa en de VS is dit boek actueler dan ooit.”
Annelien de Dijn, Universiteit Utrecht
“Op het ogenblik dat we zowat overal in Europa te kampen hebben met krachten die ons tot een nationalistische terugplooi aanzetten, houdt Stefaan Marteel een pleidooi voor de rehabilitatie van het republikeinse universalisme. Deskundig, overtuigend en inspirerend.”
Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen
Sinds enkele decennia voeren democratische nationalisten en liberale universalisten debatten over soevereiniteit, identiteit, en de vraag naar de (on)aangepastheid van het natiestaatmodel aan de geglobaliseerde economie en cultuur – een tegenstelling die echter vooralsnog weinig productief is gebleken. Dit essay wil het debat vooruithelpen door terug te koppelen naar de ontstaansperiode van de moderne democratie. Daarbij wordt de opkomst van de natiestaat herbekeken in een brede politieke en intellectuele context, en worden de ideologische drijfveren achter het introduceren van het nationalisme in het politiek discours blootgelegd.
Het centrale betoog luidt dat het duurzaam succes van het 19de-eeuwse natiestaatmodel, en van de politiek van het nationalisme, alleen begrepen kan worden als keerzijde van de teloorgang van het (neo)klassieke republicanisme – een denkstroming over vrijheid, soevereiniteit en burgerschap die haar oorsprong in de renaissance vond en aan de basis lag van de revolutionaire gebeurtenissen op het einde van de 18de eeuw. Het essay geeft zo een aanzet tot de herontdekking van dit gedachtegoed, en onderkent hierin de belofte van een hernieuwd politiek engagement voor transnationalisme en universalisme.
Stefaan Marteel (1977) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en behaalde in 2009 zijn doctoraat aan het Europees Universitair Instituut in Firenze. Hij gaf les aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is de auteur van The Intellectual Origins of the Belgian Revolution: Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands (Palgrave 2018). Natiestaat contra Republiek is zijn eerste publieksboek .
Natiestaat contra Republiek De ‘verloren schat’ van het republikeinse universalisme
€ 22,00
“Nationalisten beweren dat de liberale natiestaat de noodzakelijke voorwaarde is voor een moderne democratie. Maar is dat zo? Stefaan Marteel breekt een lans voor republicanisme gegrond in universele mensenrechten en postnationaal burgerschap op basis van gelaagde politieke participatie. Zijn pleidooi staat op de schouders van republikeinse denkers die het nationalistisch postulaat al eeuwen uitdagen. Het is een herontdekking en herwaardering van een uitdagend gedachtengoed en verplichte lectuur voor nationalisten en hun tegenstanders.”
Bruno De Wever, Universiteit Gent
“In Natiestaat contra Republiek herontdekt Stefaan Marteel een belangrijk maar vergeten alternatief voor het nationalisme: het republikeinse universalisme. Klassieke republikeinen zetten zich af tegen het Hobbesiaanse idee van de soevereine, ondeelbare staat en pleitten in plaats daarvan voor een federatie van republieken – een model dat de inspiratie vormde voor de Verenigde Staten van Amerika. Nu het rechts-nationalisme aan een opmars bezig is in Europa en de VS is dit boek actueler dan ooit.”
Annelien de Dijn, Universiteit Utrecht
“Op het ogenblik dat we zowat overal in Europa te kampen hebben met krachten die ons tot een nationalistische terugplooi aanzetten, houdt Stefaan Marteel een pleidooi voor de rehabilitatie van het republikeinse universalisme. Deskundig, overtuigend en inspirerend.”
Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen
Sinds enkele decennia voeren democratische nationalisten en liberale universalisten debatten over soevereiniteit, identiteit, en de vraag naar de (on)aangepastheid van het natiestaatmodel aan de geglobaliseerde economie en cultuur – een tegenstelling die echter vooralsnog weinig productief is gebleken. Dit essay wil het debat vooruithelpen door terug te koppelen naar de ontstaansperiode van de moderne democratie. Daarbij wordt de opkomst van de natiestaat herbekeken in een brede politieke en intellectuele context, en worden de ideologische drijfveren achter het introduceren van het nationalisme in het politiek discours blootgelegd.
Het centrale betoog luidt dat het duurzaam succes van het 19de-eeuwse natiestaatmodel, en van de politiek van het nationalisme, alleen begrepen kan worden als keerzijde van de teloorgang van het (neo)klassieke republicanisme – een denkstroming over vrijheid, soevereiniteit en burgerschap die haar oorsprong in de renaissance vond en aan de basis lag van de revolutionaire gebeurtenissen op het einde van de 18de eeuw. Het essay geeft zo een aanzet tot de herontdekking van dit gedachtegoed, en onderkent hierin de belofte van een hernieuwd politiek engagement voor transnationalisme en universalisme.
Stefaan Marteel (1977) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en behaalde in 2009 zijn doctoraat aan het Europees Universitair Instituut in Firenze. Hij gaf les aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is de auteur van The Intellectual Origins of the Belgian Revolution: Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands (Palgrave 2018). Natiestaat contra Republiek is zijn eerste publieksboek .
Bruno De Wever, Universiteit Gent
“In Natiestaat contra Republiek herontdekt Stefaan Marteel een belangrijk maar vergeten alternatief voor het nationalisme: het republikeinse universalisme. Klassieke republikeinen zetten zich af tegen het Hobbesiaanse idee van de soevereine, ondeelbare staat en pleitten in plaats daarvan voor een federatie van republieken – een model dat de inspiratie vormde voor de Verenigde Staten van Amerika. Nu het rechts-nationalisme aan een opmars bezig is in Europa en de VS is dit boek actueler dan ooit.”
Annelien de Dijn, Universiteit Utrecht
“Op het ogenblik dat we zowat overal in Europa te kampen hebben met krachten die ons tot een nationalistische terugplooi aanzetten, houdt Stefaan Marteel een pleidooi voor de rehabilitatie van het republikeinse universalisme. Deskundig, overtuigend en inspirerend.”
Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen
Sinds enkele decennia voeren democratische nationalisten en liberale universalisten debatten over soevereiniteit, identiteit, en de vraag naar de (on)aangepastheid van het natiestaatmodel aan de geglobaliseerde economie en cultuur – een tegenstelling die echter vooralsnog weinig productief is gebleken. Dit essay wil het debat vooruithelpen door terug te koppelen naar de ontstaansperiode van de moderne democratie. Daarbij wordt de opkomst van de natiestaat herbekeken in een brede politieke en intellectuele context, en worden de ideologische drijfveren achter het introduceren van het nationalisme in het politiek discours blootgelegd.
Het centrale betoog luidt dat het duurzaam succes van het 19de-eeuwse natiestaatmodel, en van de politiek van het nationalisme, alleen begrepen kan worden als keerzijde van de teloorgang van het (neo)klassieke republicanisme – een denkstroming over vrijheid, soevereiniteit en burgerschap die haar oorsprong in de renaissance vond en aan de basis lag van de revolutionaire gebeurtenissen op het einde van de 18de eeuw. Het essay geeft zo een aanzet tot de herontdekking van dit gedachtegoed, en onderkent hierin de belofte van een hernieuwd politiek engagement voor transnationalisme en universalisme.
Stefaan Marteel (1977) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en behaalde in 2009 zijn doctoraat aan het Europees Universitair Instituut in Firenze. Hij gaf les aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is de auteur van The Intellectual Origins of the Belgian Revolution: Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands (Palgrave 2018). Natiestaat contra Republiek is zijn eerste publieksboek .
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk
€ 24,50
Dit boek helpt je als leidinggevende in het onderwijs om op basis van vijf thema’s uit de filosofie denkinstrumenten in te zetten, waarmee je medewerkers kunt aansturen. Deze instrumenten ondersteunen je bovendien in het reflecteren op jouw werkwijze in het leidinggeven aan een team.
In Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk worden tweeëntwintig denkinstrumenten beschreven die helpen bij het leidinggeven op school. Voorbeelden zijn het werkoverleg (socratisch gesprek), de multitool (creatief denken), de passer (omtrekkende beweging) en het beeldgesprek (leiding geven op afstand). Alle instrumenten zijn ontleend aan de filosofie. Filosofen beschikken immers over een rijk denkrepertoire, waar leidinggevenden uitstekend gebruik van kunnen maken.
De gereedschappen zijn gerelateerd aan vijf thema’s: zijn, denken, doen (ethiek), taal en de mens. Deze wijsgerige thema’s sluiten aan bij onderwerpen waar leidinggevenden veel mee te maken hebben. De instrumenten zijn praktisch toepasbaar en kunnen worden benut bij onderwerpen als moreel leiderschap, het denken over vrijheid van handelen, het voeren van complexe gesprekken, de maakbaarheid van een team, diversiteit aan denkpatronen en zelfreflectie.
Dit boek beschrijft bovendien vijf typen denkers (leiders): de analytische denker, de creatieve denker, de humane denker, de wezensdenker en de holistische denker. Welk type denker past het meeste bij jou? En hoe kun je hier gebruik van maken? Dit boek biedt handreikingen aan jou als leider om te ontdekken welk type denkgereedschap het beste bij jou past. Welk instrument heeft jouw voorkeur in een specifieke situatie? De gereedschappen zijn gekoppeld aan (combinaties van) de typeringen.
In dit boek zijn interviews verwerkt die gehouden werden met tweeëntwintig prominente leiders in het onderwijs en van organisaties die functioneren in een educatieve setting. Er staan in dit boek tips van onder andere Hugo de Jonge, Henk Oosterling en Erik van ’t Zelfde; stuk voor stuk experts in het leidinggeven in het onderwijsveld. Hun good practices met bepaalde gereedschappen worden beschreven. Dat zorgt ervoor dat dit boek een praktisch karakter heeft; je kunt meteen met de teksten in de praktijk aan de slag.
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk levert een bijdrage aan het professioneel reflecteren en handelen van leidinggevenden, van basisscholen tot universiteiten.
Om Stephan Covey aan te halen: dit boek kan ervoor zorgen dat je je zaag scherp houdt.
Jan de Bas (1964) is docent filosofie en oprichter en eigenaar van het cursusbureau Filosofiegroep Rotterdam. Hij publiceerde Kan een bloemkool denken? Lessen in filosoferen (2016). Ed Verhage (1971) werkt als zelfstandig interim-directeur in het basisonderwijs en als adviseur aan leidinggevenden en bestuurders. Hij is oprichter en eigenaar van Sqope, een bureau voor training en advies in het onderwijs.
In Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk worden tweeëntwintig denkinstrumenten beschreven die helpen bij het leidinggeven op school. Voorbeelden zijn het werkoverleg (socratisch gesprek), de multitool (creatief denken), de passer (omtrekkende beweging) en het beeldgesprek (leiding geven op afstand). Alle instrumenten zijn ontleend aan de filosofie. Filosofen beschikken immers over een rijk denkrepertoire, waar leidinggevenden uitstekend gebruik van kunnen maken.
De gereedschappen zijn gerelateerd aan vijf thema’s: zijn, denken, doen (ethiek), taal en de mens. Deze wijsgerige thema’s sluiten aan bij onderwerpen waar leidinggevenden veel mee te maken hebben. De instrumenten zijn praktisch toepasbaar en kunnen worden benut bij onderwerpen als moreel leiderschap, het denken over vrijheid van handelen, het voeren van complexe gesprekken, de maakbaarheid van een team, diversiteit aan denkpatronen en zelfreflectie.
Dit boek beschrijft bovendien vijf typen denkers (leiders): de analytische denker, de creatieve denker, de humane denker, de wezensdenker en de holistische denker. Welk type denker past het meeste bij jou? En hoe kun je hier gebruik van maken? Dit boek biedt handreikingen aan jou als leider om te ontdekken welk type denkgereedschap het beste bij jou past. Welk instrument heeft jouw voorkeur in een specifieke situatie? De gereedschappen zijn gekoppeld aan (combinaties van) de typeringen.
In dit boek zijn interviews verwerkt die gehouden werden met tweeëntwintig prominente leiders in het onderwijs en van organisaties die functioneren in een educatieve setting. Er staan in dit boek tips van onder andere Hugo de Jonge, Henk Oosterling en Erik van ’t Zelfde; stuk voor stuk experts in het leidinggeven in het onderwijsveld. Hun good practices met bepaalde gereedschappen worden beschreven. Dat zorgt ervoor dat dit boek een praktisch karakter heeft; je kunt meteen met de teksten in de praktijk aan de slag.
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk levert een bijdrage aan het professioneel reflecteren en handelen van leidinggevenden, van basisscholen tot universiteiten.
Om Stephan Covey aan te halen: dit boek kan ervoor zorgen dat je je zaag scherp houdt.
Jan de Bas (1964) is docent filosofie en oprichter en eigenaar van het cursusbureau Filosofiegroep Rotterdam. Hij publiceerde Kan een bloemkool denken? Lessen in filosoferen (2016). Ed Verhage (1971) werkt als zelfstandig interim-directeur in het basisonderwijs en als adviseur aan leidinggevenden en bestuurders. Hij is oprichter en eigenaar van Sqope, een bureau voor training en advies in het onderwijs.
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk
€ 24,50
Dit boek helpt je als leidinggevende in het onderwijs om op basis van vijf thema’s uit de filosofie denkinstrumenten in te zetten, waarmee je medewerkers kunt aansturen. Deze instrumenten ondersteunen je bovendien in het reflecteren op jouw werkwijze in het leidinggeven aan een team.
In Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk worden tweeëntwintig denkinstrumenten beschreven die helpen bij het leidinggeven op school. Voorbeelden zijn het werkoverleg (socratisch gesprek), de multitool (creatief denken), de passer (omtrekkende beweging) en het beeldgesprek (leiding geven op afstand). Alle instrumenten zijn ontleend aan de filosofie. Filosofen beschikken immers over een rijk denkrepertoire, waar leidinggevenden uitstekend gebruik van kunnen maken.
De gereedschappen zijn gerelateerd aan vijf thema’s: zijn, denken, doen (ethiek), taal en de mens. Deze wijsgerige thema’s sluiten aan bij onderwerpen waar leidinggevenden veel mee te maken hebben. De instrumenten zijn praktisch toepasbaar en kunnen worden benut bij onderwerpen als moreel leiderschap, het denken over vrijheid van handelen, het voeren van complexe gesprekken, de maakbaarheid van een team, diversiteit aan denkpatronen en zelfreflectie.
Dit boek beschrijft bovendien vijf typen denkers (leiders): de analytische denker, de creatieve denker, de humane denker, de wezensdenker en de holistische denker. Welk type denker past het meeste bij jou? En hoe kun je hier gebruik van maken? Dit boek biedt handreikingen aan jou als leider om te ontdekken welk type denkgereedschap het beste bij jou past. Welk instrument heeft jouw voorkeur in een specifieke situatie? De gereedschappen zijn gekoppeld aan (combinaties van) de typeringen.
In dit boek zijn interviews verwerkt die gehouden werden met tweeëntwintig prominente leiders in het onderwijs en van organisaties die functioneren in een educatieve setting. Er staan in dit boek tips van onder andere Hugo de Jonge, Henk Oosterling en Erik van ’t Zelfde; stuk voor stuk experts in het leidinggeven in het onderwijsveld. Hun good practices met bepaalde gereedschappen worden beschreven. Dat zorgt ervoor dat dit boek een praktisch karakter heeft; je kunt meteen met de teksten in de praktijk aan de slag.
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk levert een bijdrage aan het professioneel reflecteren en handelen van leidinggevenden, van basisscholen tot universiteiten.
Om Stephan Covey aan te halen: dit boek kan ervoor zorgen dat je je zaag scherp houdt.
Jan de Bas (1964) is docent filosofie en oprichter en eigenaar van het cursusbureau Filosofiegroep Rotterdam. Hij publiceerde Kan een bloemkool denken? Lessen in filosoferen (2016). Ed Verhage (1971) werkt als zelfstandig interim-directeur in het basisonderwijs en als adviseur aan leidinggevenden en bestuurders. Hij is oprichter en eigenaar van Sqope, een bureau voor training en advies in het onderwijs.
In Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk worden tweeëntwintig denkinstrumenten beschreven die helpen bij het leidinggeven op school. Voorbeelden zijn het werkoverleg (socratisch gesprek), de multitool (creatief denken), de passer (omtrekkende beweging) en het beeldgesprek (leiding geven op afstand). Alle instrumenten zijn ontleend aan de filosofie. Filosofen beschikken immers over een rijk denkrepertoire, waar leidinggevenden uitstekend gebruik van kunnen maken.
De gereedschappen zijn gerelateerd aan vijf thema’s: zijn, denken, doen (ethiek), taal en de mens. Deze wijsgerige thema’s sluiten aan bij onderwerpen waar leidinggevenden veel mee te maken hebben. De instrumenten zijn praktisch toepasbaar en kunnen worden benut bij onderwerpen als moreel leiderschap, het denken over vrijheid van handelen, het voeren van complexe gesprekken, de maakbaarheid van een team, diversiteit aan denkpatronen en zelfreflectie.
Dit boek beschrijft bovendien vijf typen denkers (leiders): de analytische denker, de creatieve denker, de humane denker, de wezensdenker en de holistische denker. Welk type denker past het meeste bij jou? En hoe kun je hier gebruik van maken? Dit boek biedt handreikingen aan jou als leider om te ontdekken welk type denkgereedschap het beste bij jou past. Welk instrument heeft jouw voorkeur in een specifieke situatie? De gereedschappen zijn gekoppeld aan (combinaties van) de typeringen.
In dit boek zijn interviews verwerkt die gehouden werden met tweeëntwintig prominente leiders in het onderwijs en van organisaties die functioneren in een educatieve setting. Er staan in dit boek tips van onder andere Hugo de Jonge, Henk Oosterling en Erik van ’t Zelfde; stuk voor stuk experts in het leidinggeven in het onderwijsveld. Hun good practices met bepaalde gereedschappen worden beschreven. Dat zorgt ervoor dat dit boek een praktisch karakter heeft; je kunt meteen met de teksten in de praktijk aan de slag.
Denkinstrumenten voor leidinggevenden in het onderwijs. Onderwijsbegeerte in de praktijk levert een bijdrage aan het professioneel reflecteren en handelen van leidinggevenden, van basisscholen tot universiteiten.
Om Stephan Covey aan te halen: dit boek kan ervoor zorgen dat je je zaag scherp houdt.
Jan de Bas (1964) is docent filosofie en oprichter en eigenaar van het cursusbureau Filosofiegroep Rotterdam. Hij publiceerde Kan een bloemkool denken? Lessen in filosoferen (2016). Ed Verhage (1971) werkt als zelfstandig interim-directeur in het basisonderwijs en als adviseur aan leidinggevenden en bestuurders. Hij is oprichter en eigenaar van Sqope, een bureau voor training en advies in het onderwijs.
De Ontwarde draad. Intervisiespel over de emotionele ontwikkeling – clipbox en spelbord
€ 75,00
Het model en de methode ‘de draad’ heeft als doel de sociaalemotionele ontwikkeling bespreekbaar te maken, in eenvoudige taal en heel visueel. Edda en Katrijn hebben het model en de methode verwerkt in een spelvorm, een extra mogelijkheid om met de draad aan de slag te gaan. Zicht krijgen op sociaal-emotionele ontwikkeling geeft immers kansen op een betere afstemming in opvoeding en begeleiding.
- Gerrit Vignero -
Van een wild idee naar ‘Ontwarde draad’
Het intervisiespel ‘Ontwarde draad’ is ontstaan vanuit de drive om de kennis rond sociaal-emotionele ontwikkeling en de methodiek van de draad van Gerrit Vignero te verspreiden. In de ondersteuning van kinderen, jongeren en volwassen cliënten merken we dat de aangereikte tools en handvatten steun bieden in de dagelijkse praktijk.
Het intervisiespel is bedoeld om een team te coachen om de draad te ontwarren en te ordenen. Op die manier komt men tot een verbindend verhaal over het kind of de volwassen cliënt.
Er wordt ingezoomd op de eerste drie draden: de begeleider trekt de draad, de hechte draad en de lus in de draad. Via het spel krijgt men zicht op het hechtingstraject en de verbinding tussen het kind of de volwassen cliënt met zijn zorgfiguren.
Het intervisiespel is ontwikkeld door Katrijn Van Acker en Edda Janssens met een stevige draad naar Gerrit Vignero.
KATRIJN VAN ACKER studeerde in 1999 af als licentiaat in de pedagogische wetenschappen aan Universiteit Gent. Professioneel is zij al jaren vertrouwd met kinderen en jongeren die het moeilijk hebben op vlak van gedrag en/of emoties. Vanuit hun emotionele ontwikkeling en de groei in verbinding met anderen schrijft ze draadverhalen in onderwijs. Regelmatig geeft ze vanuit haar expertise vormingen en gaat ze met schoolteams aan de slag wanneer moeilijk gedrag een knoopje in de draad wordt…
EDDA JANSSENS is bachelor in de orthopedagogie en creatief agoog. Ze heeft reeds meer dan 20 jaar ervaring met het thema sociaal-emotionele ontwikkeling bij volwassenen met een beperking in de residentiële en mobiele ondersteuning. Ze werkt op de diagnosedienst van vzw Tordale als deskundige in de draad van Gerrit Vignero en coacht ortho’s en begeleiders in de draad. Als freelancer richtte ze edda. TRIGGERT op en ondersteunt ze ouders tijdens Koffie met een Verhaal. Enkele jaren geleden bracht ze samen met een gezin het kinderboek Pette uit.
Wil je meer weten over dit intervisiespel of over de methodiek van de draad? Ben je op zoek naar een vorming op maat voor jouw organisatie? Neem contact met:
katrijnvanacker.draadverhalen@gmail.com
edda@eddatriggert.be
gerritvignero@gmail.com
- Gerrit Vignero -
Van een wild idee naar ‘Ontwarde draad’
Het intervisiespel ‘Ontwarde draad’ is ontstaan vanuit de drive om de kennis rond sociaal-emotionele ontwikkeling en de methodiek van de draad van Gerrit Vignero te verspreiden. In de ondersteuning van kinderen, jongeren en volwassen cliënten merken we dat de aangereikte tools en handvatten steun bieden in de dagelijkse praktijk.
Het intervisiespel is bedoeld om een team te coachen om de draad te ontwarren en te ordenen. Op die manier komt men tot een verbindend verhaal over het kind of de volwassen cliënt.
Er wordt ingezoomd op de eerste drie draden: de begeleider trekt de draad, de hechte draad en de lus in de draad. Via het spel krijgt men zicht op het hechtingstraject en de verbinding tussen het kind of de volwassen cliënt met zijn zorgfiguren.
Het intervisiespel is ontwikkeld door Katrijn Van Acker en Edda Janssens met een stevige draad naar Gerrit Vignero.
KATRIJN VAN ACKER studeerde in 1999 af als licentiaat in de pedagogische wetenschappen aan Universiteit Gent. Professioneel is zij al jaren vertrouwd met kinderen en jongeren die het moeilijk hebben op vlak van gedrag en/of emoties. Vanuit hun emotionele ontwikkeling en de groei in verbinding met anderen schrijft ze draadverhalen in onderwijs. Regelmatig geeft ze vanuit haar expertise vormingen en gaat ze met schoolteams aan de slag wanneer moeilijk gedrag een knoopje in de draad wordt…
EDDA JANSSENS is bachelor in de orthopedagogie en creatief agoog. Ze heeft reeds meer dan 20 jaar ervaring met het thema sociaal-emotionele ontwikkeling bij volwassenen met een beperking in de residentiële en mobiele ondersteuning. Ze werkt op de diagnosedienst van vzw Tordale als deskundige in de draad van Gerrit Vignero en coacht ortho’s en begeleiders in de draad. Als freelancer richtte ze edda. TRIGGERT op en ondersteunt ze ouders tijdens Koffie met een Verhaal. Enkele jaren geleden bracht ze samen met een gezin het kinderboek Pette uit.
Wil je meer weten over dit intervisiespel of over de methodiek van de draad? Ben je op zoek naar een vorming op maat voor jouw organisatie? Neem contact met:
katrijnvanacker.draadverhalen@gmail.com
edda@eddatriggert.be
gerritvignero@gmail.com
De Ontwarde draad. Intervisiespel over de emotionele ontwikkeling – clipbox en spelbord
€ 75,00
Het model en de methode ‘de draad’ heeft als doel de sociaalemotionele ontwikkeling bespreekbaar te maken, in eenvoudige taal en heel visueel. Edda en Katrijn hebben het model en de methode verwerkt in een spelvorm, een extra mogelijkheid om met de draad aan de slag te gaan. Zicht krijgen op sociaal-emotionele ontwikkeling geeft immers kansen op een betere afstemming in opvoeding en begeleiding.
- Gerrit Vignero -
Van een wild idee naar ‘Ontwarde draad’
Het intervisiespel ‘Ontwarde draad’ is ontstaan vanuit de drive om de kennis rond sociaal-emotionele ontwikkeling en de methodiek van de draad van Gerrit Vignero te verspreiden. In de ondersteuning van kinderen, jongeren en volwassen cliënten merken we dat de aangereikte tools en handvatten steun bieden in de dagelijkse praktijk.
Het intervisiespel is bedoeld om een team te coachen om de draad te ontwarren en te ordenen. Op die manier komt men tot een verbindend verhaal over het kind of de volwassen cliënt.
Er wordt ingezoomd op de eerste drie draden: de begeleider trekt de draad, de hechte draad en de lus in de draad. Via het spel krijgt men zicht op het hechtingstraject en de verbinding tussen het kind of de volwassen cliënt met zijn zorgfiguren.
Het intervisiespel is ontwikkeld door Katrijn Van Acker en Edda Janssens met een stevige draad naar Gerrit Vignero.
KATRIJN VAN ACKER studeerde in 1999 af als licentiaat in de pedagogische wetenschappen aan Universiteit Gent. Professioneel is zij al jaren vertrouwd met kinderen en jongeren die het moeilijk hebben op vlak van gedrag en/of emoties. Vanuit hun emotionele ontwikkeling en de groei in verbinding met anderen schrijft ze draadverhalen in onderwijs. Regelmatig geeft ze vanuit haar expertise vormingen en gaat ze met schoolteams aan de slag wanneer moeilijk gedrag een knoopje in de draad wordt…
EDDA JANSSENS is bachelor in de orthopedagogie en creatief agoog. Ze heeft reeds meer dan 20 jaar ervaring met het thema sociaal-emotionele ontwikkeling bij volwassenen met een beperking in de residentiële en mobiele ondersteuning. Ze werkt op de diagnosedienst van vzw Tordale als deskundige in de draad van Gerrit Vignero en coacht ortho’s en begeleiders in de draad. Als freelancer richtte ze edda. TRIGGERT op en ondersteunt ze ouders tijdens Koffie met een Verhaal. Enkele jaren geleden bracht ze samen met een gezin het kinderboek Pette uit.
Wil je meer weten over dit intervisiespel of over de methodiek van de draad? Ben je op zoek naar een vorming op maat voor jouw organisatie? Neem contact met:
katrijnvanacker.draadverhalen@gmail.com
edda@eddatriggert.be
gerritvignero@gmail.com
- Gerrit Vignero -
Van een wild idee naar ‘Ontwarde draad’
Het intervisiespel ‘Ontwarde draad’ is ontstaan vanuit de drive om de kennis rond sociaal-emotionele ontwikkeling en de methodiek van de draad van Gerrit Vignero te verspreiden. In de ondersteuning van kinderen, jongeren en volwassen cliënten merken we dat de aangereikte tools en handvatten steun bieden in de dagelijkse praktijk.
Het intervisiespel is bedoeld om een team te coachen om de draad te ontwarren en te ordenen. Op die manier komt men tot een verbindend verhaal over het kind of de volwassen cliënt.
Er wordt ingezoomd op de eerste drie draden: de begeleider trekt de draad, de hechte draad en de lus in de draad. Via het spel krijgt men zicht op het hechtingstraject en de verbinding tussen het kind of de volwassen cliënt met zijn zorgfiguren.
Het intervisiespel is ontwikkeld door Katrijn Van Acker en Edda Janssens met een stevige draad naar Gerrit Vignero.
KATRIJN VAN ACKER studeerde in 1999 af als licentiaat in de pedagogische wetenschappen aan Universiteit Gent. Professioneel is zij al jaren vertrouwd met kinderen en jongeren die het moeilijk hebben op vlak van gedrag en/of emoties. Vanuit hun emotionele ontwikkeling en de groei in verbinding met anderen schrijft ze draadverhalen in onderwijs. Regelmatig geeft ze vanuit haar expertise vormingen en gaat ze met schoolteams aan de slag wanneer moeilijk gedrag een knoopje in de draad wordt…
EDDA JANSSENS is bachelor in de orthopedagogie en creatief agoog. Ze heeft reeds meer dan 20 jaar ervaring met het thema sociaal-emotionele ontwikkeling bij volwassenen met een beperking in de residentiële en mobiele ondersteuning. Ze werkt op de diagnosedienst van vzw Tordale als deskundige in de draad van Gerrit Vignero en coacht ortho’s en begeleiders in de draad. Als freelancer richtte ze edda. TRIGGERT op en ondersteunt ze ouders tijdens Koffie met een Verhaal. Enkele jaren geleden bracht ze samen met een gezin het kinderboek Pette uit.
Wil je meer weten over dit intervisiespel of over de methodiek van de draad? Ben je op zoek naar een vorming op maat voor jouw organisatie? Neem contact met:
katrijnvanacker.draadverhalen@gmail.com
edda@eddatriggert.be
gerritvignero@gmail.com

