Rechtspersonen – 5de, herziene uitgave (Praktijkreeks IPR, deel 9)
In dit boek wordt aandacht besteed aan de behandeling van rechtspersonen (met inbegrip van personenvennootschappen) in het Nederlandse IPR. Centraal staat de vraag welk recht van toepassing is op geschillen met betrekking tot buitenlandse rechtspersonen. Ook wordt ingegaan op de kwestie of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van dergelijke geschillen kennis te nemen. Ten aanzien van de internationale bevoegdheid komt uitgebreid de (herschikte) EEX-Verordening aan de orde, maar wordt ook ingegaan op het commune internationale bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in art. 1-14 Rv. Voor het bepalen van het toepasselijke recht op rechtspersonen wordt uitvoerig aandacht geschonken aan art. 117-124 van Boek 10 BW, waarin de gelding van het incorporatiestelsel voor het Nederlandse IPR is neergelegd, en worden de conflictregels besproken voor de verschillende onderwerpen van rechtspersonenrecht (zoals oprichting, interne structuur, aandelenoverdracht, ontbinding en vereffening). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de conflictregels van de Verordeningen Rome I en Rome II. De behandeling van buitenlandse rechtspersonen wordt beïnvloed door de vestigingsvrijheid van art. 49 en 54 VWEU en door de uitleg die het HvJ EU daaraan heeft gegeven. Het toepassingsgebied van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen, waarin de wetgever een regeling heeft getroffen voor pseudo buitenlandse vennootschappen, is door deze rechtspraak ingeperkt.
Het onderhavige boek tracht door een geïntegreerde behandeling van procesrechtelijke en materieelrechtelijke vragen van IPR op het terrein van rechtspersonen een gids voor de praktijk te zijn.
Rechtspersonen – 5de, herziene uitgave (Praktijkreeks IPR, deel 9)
In dit boek wordt aandacht besteed aan de behandeling van rechtspersonen (met inbegrip van personenvennootschappen) in het Nederlandse IPR. Centraal staat de vraag welk recht van toepassing is op geschillen met betrekking tot buitenlandse rechtspersonen. Ook wordt ingegaan op de kwestie of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van dergelijke geschillen kennis te nemen. Ten aanzien van de internationale bevoegdheid komt uitgebreid de (herschikte) EEX-Verordening aan de orde, maar wordt ook ingegaan op het commune internationale bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in art. 1-14 Rv. Voor het bepalen van het toepasselijke recht op rechtspersonen wordt uitvoerig aandacht geschonken aan art. 117-124 van Boek 10 BW, waarin de gelding van het incorporatiestelsel voor het Nederlandse IPR is neergelegd, en worden de conflictregels besproken voor de verschillende onderwerpen van rechtspersonenrecht (zoals oprichting, interne structuur, aandelenoverdracht, ontbinding en vereffening). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de conflictregels van de Verordeningen Rome I en Rome II. De behandeling van buitenlandse rechtspersonen wordt beïnvloed door de vestigingsvrijheid van art. 49 en 54 VWEU en door de uitleg die het HvJ EU daaraan heeft gegeven. Het toepassingsgebied van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen, waarin de wetgever een regeling heeft getroffen voor pseudo buitenlandse vennootschappen, is door deze rechtspraak ingeperkt.
Het onderhavige boek tracht door een geïntegreerde behandeling van procesrechtelijke en materieelrechtelijke vragen van IPR op het terrein van rechtspersonen een gids voor de praktijk te zijn.
Spel van replicatoren. Evolutietheorie als aansporing tot bescheidenheid.
Dit boek is bedoeld voor lezers die niet hoeven te worden overtuigd van de juistheid van de evolutietheorie. Darwin had ongetwijfeld gelijk. Maar hebben we het darwinisme ook grondig doordacht als iets wat echt bij ons hoort? De auteur nodigt uit om naar antwoorden te zoeken op de vraag: ‘Wat betekent de evolutietheorie nu eigenlijk voor wat ik van mijzelf en van anderen mag verwachten?’
De titel Spel van replicatoren verwijst naar de genen en memen die ons gedrag en onze mogelijkheden voor een belangrijk deel determineren. Genen erf je van je ouders; ze bestemmen ons tot passanten die biologische eigenschappen doorgeven in een evolutionair proces dat al 3,8 miljard jaar aan de gang is. Memen zijn ideeën die zich grotendeels onbewust in ons brein nestelen via leerprocessen en imitatie; ze bestemmen ons tot doorgevers van culturele kenmerken in een evolutionair proces dat slechts enkele miljoenen jaren geleden een aanvang nam.
Een consequent darwinistische interpretatie van deze processen zou kunnen leiden tot matiging van ambitieuze pretenties voor de menselijke soort. We zijn minder vrij dan we onszelf graag wijsmaken.
Sikko Argelo is Delfts ingenieur toegepaste wiskunde. Na een loopbaan in de informatica besloot hij tot een switch naar de filosofie. Hij voltooide een academisch programma filosofie aan de Open Universiteit in Eindhoven en participeert sindsdien in wijsgerige lees- en praatgroepen. Daarbij heeft hij zich vooral verdiept in het evolutionaire naturalisme.
Spel van replicatoren. Evolutietheorie als aansporing tot bescheidenheid.
Dit boek is bedoeld voor lezers die niet hoeven te worden overtuigd van de juistheid van de evolutietheorie. Darwin had ongetwijfeld gelijk. Maar hebben we het darwinisme ook grondig doordacht als iets wat echt bij ons hoort? De auteur nodigt uit om naar antwoorden te zoeken op de vraag: ‘Wat betekent de evolutietheorie nu eigenlijk voor wat ik van mijzelf en van anderen mag verwachten?’
De titel Spel van replicatoren verwijst naar de genen en memen die ons gedrag en onze mogelijkheden voor een belangrijk deel determineren. Genen erf je van je ouders; ze bestemmen ons tot passanten die biologische eigenschappen doorgeven in een evolutionair proces dat al 3,8 miljard jaar aan de gang is. Memen zijn ideeën die zich grotendeels onbewust in ons brein nestelen via leerprocessen en imitatie; ze bestemmen ons tot doorgevers van culturele kenmerken in een evolutionair proces dat slechts enkele miljoenen jaren geleden een aanvang nam.
Een consequent darwinistische interpretatie van deze processen zou kunnen leiden tot matiging van ambitieuze pretenties voor de menselijke soort. We zijn minder vrij dan we onszelf graag wijsmaken.
Sikko Argelo is Delfts ingenieur toegepaste wiskunde. Na een loopbaan in de informatica besloot hij tot een switch naar de filosofie. Hij voltooide een academisch programma filosofie aan de Open Universiteit in Eindhoven en participeert sindsdien in wijsgerige lees- en praatgroepen. Daarbij heeft hij zich vooral verdiept in het evolutionaire naturalisme.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar. Halve eeuw op zoek naar een eigen(zinnige) pedagogie.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar biedt de gelegenheid om de ontwikkeling en wijziging van het pedagogisch regime in een jeugdhulpvoorziening te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is een weinig betreden terrein in de pedagogiek. Toch ligt hier een schat aan onderzoeksmateriaal om de ontwikkeling van pedagogisch handelen te begrijpen en te duiden. De zoektocht naar een eigen(zinnige) pedagogie wordt in verband gebracht met de jeugdhulpregimes van de Wet op de Jeugdbescherming (1965), van de decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990) en van de Integrale Jeugdhulp (2013).
Sociaal-pedagogisch onderzoek is niet neutraal: vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar mondt uit in een pleidooi om de jeugdhulp op te vatten als communicatieve opbouw van jeugdhulp en niet als toepassing van hulpverleningsvoorschriften. Betekenis geven aan sociale grondrechten wordt dan een rode draad in de dagelijkse praktijk van de jeugdhulp.
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar. Halve eeuw op zoek naar een eigen(zinnige) pedagogie.
Vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar biedt de gelegenheid om de ontwikkeling en wijziging van het pedagogisch regime in een jeugdhulpvoorziening te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is een weinig betreden terrein in de pedagogiek. Toch ligt hier een schat aan onderzoeksmateriaal om de ontwikkeling van pedagogisch handelen te begrijpen en te duiden. De zoektocht naar een eigen(zinnige) pedagogie wordt in verband gebracht met de jeugdhulpregimes van de Wet op de Jeugdbescherming (1965), van de decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990) en van de Integrale Jeugdhulp (2013).
Sociaal-pedagogisch onderzoek is niet neutraal: vijftig jaar jeugdhulp in Jongerencentrum Cidar mondt uit in een pleidooi om de jeugdhulp op te vatten als communicatieve opbouw van jeugdhulp en niet als toepassing van hulpverleningsvoorschriften. Betekenis geven aan sociale grondrechten wordt dan een rode draad in de dagelijkse praktijk van de jeugdhulp.
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Onderzocht en ondervonden. Over de wetten van de passies / Met voorwoord van Arnon Grunberg
Filosofie is rationeel op zoek gaan naar de waarheid: van het zijn, het weten, de geest, het goede, het rechtvaardige, het schone enzovoort. Al redenerend, nu eens in redetwist, dan in dialoog met anderen, ontwikkelt de filosofie hierover een oorspronkelijk denken.
Psychoanalyse probeert van haar kant mensen in voeling te brengen met de eigen waarheid. Ze streeft naar waarachtigheid door te onderzoeken en te ondervinden wat zich in de levende ontmoeting afspeelt. Het hare is niet het domein van de waarheid, maar van waarheden.
In dit boek wordt geanalyseerd en gefilosofeerd over drift, seks, trauma, passie, geweld, creativiteit, oorlog en kunst. Bij wijze van schrijven, wordt er bewogen tussen de kunst van de rede en de wetten van de passies.
Arnon Grunberg in zijn voorwoord: ‘Ik wens Kinet veel lezers toe’.
Mark Kinet is psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus. Hij is auteur van Freud & co in de psychiatrie. Klinisch psychotherapeutisch perspectief (2006), De wetenschap van de liefde en de kunst van de computeranalyse (2008), Psychopathologie van het hedendaags leven (2013) en Psychologie van de kunst. Een abecedarium (2013).
Onderzocht en ondervonden. Over de wetten van de passies / Met voorwoord van Arnon Grunberg
Filosofie is rationeel op zoek gaan naar de waarheid: van het zijn, het weten, de geest, het goede, het rechtvaardige, het schone enzovoort. Al redenerend, nu eens in redetwist, dan in dialoog met anderen, ontwikkelt de filosofie hierover een oorspronkelijk denken.
Psychoanalyse probeert van haar kant mensen in voeling te brengen met de eigen waarheid. Ze streeft naar waarachtigheid door te onderzoeken en te ondervinden wat zich in de levende ontmoeting afspeelt. Het hare is niet het domein van de waarheid, maar van waarheden.
In dit boek wordt geanalyseerd en gefilosofeerd over drift, seks, trauma, passie, geweld, creativiteit, oorlog en kunst. Bij wijze van schrijven, wordt er bewogen tussen de kunst van de rede en de wetten van de passies.
Arnon Grunberg in zijn voorwoord: ‘Ik wens Kinet veel lezers toe’.
Mark Kinet is psychiater, psychotherapeut en psychoanalyticus. Hij is auteur van Freud & co in de psychiatrie. Klinisch psychotherapeutisch perspectief (2006), De wetenschap van de liefde en de kunst van de computeranalyse (2008), Psychopathologie van het hedendaags leven (2013) en Psychologie van de kunst. Een abecedarium (2013).
Tussen repressie en provocatie. Geschiedenis van de homo- en lesbische emancipatie in Eindhoven 1948-1990.
Tussen 1948 en 1990 liggen bijna veertig jaar. Een periode waarin in Eindhoven zich grotendeels het proces van emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen voltrok. Van repressie in de jaren veertig en vijftig, waarin de Eindhovense Zedenpolitie homoseksualiteit actief ‘bestreed’, via een periode van voorzichtige zelforganisatie in de jaren zestig en zeventig naar een periode van openlijke homoseksualiteit en provocatie in de jaren tachtig naar de erkenning van de homoseksuele en lesbische burgers door de gemeentelijke overheid in 1990, toen de gemeenteraad een integraal emancipatiebeleid voor homoseksuele mannen en lesbische vrouwen vaststelde.
Dit boek gaat over dit proces, waarin veel Eindhovense mannen en vrouwen actief hebben deelgenomen en zo hun eigen emancipatie mede hebben mogelijk gemaakt. Het is vooral een verhaal van mensen, die uitdrukking wilden kunnen geven aan hun eigen seksualiteit. Zij gingen daarvoor over grenzen, in zichzelf en van de samenleving als geheel, soms met kleine stapjes en soms in sneltreinvaart. Uiteindelijk heeft dit tot een mentaliteitsverandering ten opzichte van seksualiteit, sekse en sekserollen in de samenleving als geheel geleid, die met onder meer in 2001 de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van gelijk geslacht.
Aan dit boek is ook een documentaire verbonden met onder andere filmmateriaal uit de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig.
Luc Brants is cultureel antropoloog en glazenier. Hij publiceerde eerder over onder meer het ontstaan van de ambulante zorg voor mensen met een beperking in de samenleving. Hij werkte met nieuwkomers in Nederland en rondom de relatie tussen homoseksualiteit en de multiculturele samenleving.
Het COC Eindhoven en regio is sinds 1962 de oudste zelforganisatie in Eindhoven rondom vraagstukken van seksualiteit, sekse- en genderrollen.
Tussen repressie en provocatie. Geschiedenis van de homo- en lesbische emancipatie in Eindhoven 1948-1990.
Tussen 1948 en 1990 liggen bijna veertig jaar. Een periode waarin in Eindhoven zich grotendeels het proces van emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen voltrok. Van repressie in de jaren veertig en vijftig, waarin de Eindhovense Zedenpolitie homoseksualiteit actief ‘bestreed’, via een periode van voorzichtige zelforganisatie in de jaren zestig en zeventig naar een periode van openlijke homoseksualiteit en provocatie in de jaren tachtig naar de erkenning van de homoseksuele en lesbische burgers door de gemeentelijke overheid in 1990, toen de gemeenteraad een integraal emancipatiebeleid voor homoseksuele mannen en lesbische vrouwen vaststelde.
Dit boek gaat over dit proces, waarin veel Eindhovense mannen en vrouwen actief hebben deelgenomen en zo hun eigen emancipatie mede hebben mogelijk gemaakt. Het is vooral een verhaal van mensen, die uitdrukking wilden kunnen geven aan hun eigen seksualiteit. Zij gingen daarvoor over grenzen, in zichzelf en van de samenleving als geheel, soms met kleine stapjes en soms in sneltreinvaart. Uiteindelijk heeft dit tot een mentaliteitsverandering ten opzichte van seksualiteit, sekse en sekserollen in de samenleving als geheel geleid, die met onder meer in 2001 de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van gelijk geslacht.
Aan dit boek is ook een documentaire verbonden met onder andere filmmateriaal uit de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig.
Luc Brants is cultureel antropoloog en glazenier. Hij publiceerde eerder over onder meer het ontstaan van de ambulante zorg voor mensen met een beperking in de samenleving. Hij werkte met nieuwkomers in Nederland en rondom de relatie tussen homoseksualiteit en de multiculturele samenleving.
Het COC Eindhoven en regio is sinds 1962 de oudste zelforganisatie in Eindhoven rondom vraagstukken van seksualiteit, sekse- en genderrollen.
Institutionalisering van een pedagogische paradox. Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013.
De jeugdhulp in Vlaanderen vandaag wordt opgebouwd op fundamenten die ontworpen werden in de 19e eeuw, in de context van de nieuwe Belgische natiestaat. In de loop van de 19e eeuw ontstaat de overtuiging dat sociale problemen verholpen en vermeden kunnen worden, door tussen beide te komen in de opvoeding van kinderen. Die opvatting bouwt verder op de pedagogische paradox in de klassieke opvatting over de functie van opvoeding: opvoeding in de privésfeer dient de publieke functie van het gepaste burgerschapsideaal te realiseren. De geschiedenis van de jeugdzorg laat zich lezen als de institutionalisering van deze pedagogische paradox, terwijl tegelijk het bereik van de jeugdzorg exponentieel uitbreidt. In die uitbreiding van de jeugdzorg is een sociale logica aan het werk, waarin de confrontatie aangegaan wordt tussen opvoedingssituaties “achter de voordeur” met maatschappelijke, openbaar vertolkte verwachtingen jegens de opvoeding van kinderen. Die confrontatie wordt aangegaan via de tussenkomst van personen die daartoe gemandateerd werden. Ook de professionalisering van de jeugdzorg neemt door de geschiedenis heen exponentieel toe.
Dit sociaal-pedagogisch perspectief leidt tot een kritische behandeling van het regime onder de Wet op de Kinderbescherming (1912), de Wet op de Jeugdbescherming (1965), de Decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990), het Decreet inzake de Integrale Jeugdhulp (2013). De verwevenheid van pedagogische paradox en sociale logica wordt in elk stelsel verder verfijnd.
De jeugdhulp heeft in die verwevenheid gestalte gegeven aan sociaal beleid, in de context van de zich ontwikkelende democratische welvaartsstaat. Merkwaardig is het dan ook dat het ingrijpen in de opvoeding, vooral vanuit de ongeargumenteerde noodzaak tot ingrijpen werd ingezet.
Hierin schemert tegelijk de zorg om de samenleving te beschermen door, en tegelijk de zorg aan kinderen een recht op goede opvoeding toe te verlenen. Door de verwijzing naar sociale grondrechten in de integrale Jeugdhulp vandaag, staat de jeugdhulp voor de opgave op een communicatieve manier vorm te geven aan haar tussenkomsten, door vatbaar te blijven voor de vraag waarom?
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Institutionalisering van een pedagogische paradox. Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013.
De jeugdhulp in Vlaanderen vandaag wordt opgebouwd op fundamenten die ontworpen werden in de 19e eeuw, in de context van de nieuwe Belgische natiestaat. In de loop van de 19e eeuw ontstaat de overtuiging dat sociale problemen verholpen en vermeden kunnen worden, door tussen beide te komen in de opvoeding van kinderen. Die opvatting bouwt verder op de pedagogische paradox in de klassieke opvatting over de functie van opvoeding: opvoeding in de privésfeer dient de publieke functie van het gepaste burgerschapsideaal te realiseren. De geschiedenis van de jeugdzorg laat zich lezen als de institutionalisering van deze pedagogische paradox, terwijl tegelijk het bereik van de jeugdzorg exponentieel uitbreidt. In die uitbreiding van de jeugdzorg is een sociale logica aan het werk, waarin de confrontatie aangegaan wordt tussen opvoedingssituaties “achter de voordeur” met maatschappelijke, openbaar vertolkte verwachtingen jegens de opvoeding van kinderen. Die confrontatie wordt aangegaan via de tussenkomst van personen die daartoe gemandateerd werden. Ook de professionalisering van de jeugdzorg neemt door de geschiedenis heen exponentieel toe.
Dit sociaal-pedagogisch perspectief leidt tot een kritische behandeling van het regime onder de Wet op de Kinderbescherming (1912), de Wet op de Jeugdbescherming (1965), de Decreten inzake de Bijzondere Jeugdbijstand (1985/1990), het Decreet inzake de Integrale Jeugdhulp (2013). De verwevenheid van pedagogische paradox en sociale logica wordt in elk stelsel verder verfijnd.
De jeugdhulp heeft in die verwevenheid gestalte gegeven aan sociaal beleid, in de context van de zich ontwikkelende democratische welvaartsstaat. Merkwaardig is het dan ook dat het ingrijpen in de opvoeding, vooral vanuit de ongeargumenteerde noodzaak tot ingrijpen werd ingezet.
Hierin schemert tegelijk de zorg om de samenleving te beschermen door, en tegelijk de zorg aan kinderen een recht op goede opvoeding toe te verlenen. Door de verwijzing naar sociale grondrechten in de integrale Jeugdhulp vandaag, staat de jeugdhulp voor de opgave op een communicatieve manier vorm te geven aan haar tussenkomsten, door vatbaar te blijven voor de vraag waarom?
Karel De Vos is sinds 1986 directeur van Jongerencentrum Cidar, jeugdhulpvoorziening in Vlaams-Brabant, die een Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum, en een dienst voor intensieve contextbegeleiding (De Vuurvogel) herbergt. Daarnaast richt het centrum Naadloze en Flexibele trajecten in voor jongeren met moeilijkheden op school (Koïnoor). In 2015 promoveerde Karel De Vos tot Doctor in de Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hij is gedurende zijn beroepsloopbaan gefascineerd geraakt door de spanning tussen dominante pedagogie en feitelijk handelen in de jeugdzorg.
Geloven in Jezus Christus: waarom niet? Een zinvol leven met toekomst! (Fracarita-reeks, nr. 8)
Het toenemende geweld, de labiele financiële, economische en politieke toestand en de recente immigratiestromen in onze westerse samenleving leiden bij vele tijdgenoten tot vertwijfeling en angst voor de toekomst. In plaats van een leven vanuit angst, wanhoop en valse zekerheden nodigt Christus ook vandaag elke mens uit om samen met Hem de weg van geloof, liefde en hoop te bewandelen. Een leven op basis van deze drie goddelijke deugden is een zinvol en gelukkig leven met toekomst. Daarvoor staat Jezus Christus zelf garant.
Dit boek wil de lezer Jezus Christus beter leren kennen en het geloof in Hem laten groeien om steeds meer volgens de Geest van Jezus Christus te kunnen leven. Met het oog op een vruchtbare dialoog tussen alle mensen van goede wil reiken de teksten aspecten van een christelijke spiritualiteit aan, die mensen kunnen verbinden veeleer dan hen te scheiden.
Het boek is gebaseerd op twee essays van Fernand Van Neste s.J: ‘Over hoop. Hoe ver reikt de hoop die het evangelie ons brengt?’ (Kerk en Wereld, 2009) en ‘Geloven in Jezus Christus, hoe kom je ertoe? Wat heb je eraan’ (Halewijn, 2011). Redacteur Marc Keuleneer heeft uit deze publicaties de essentiële grondgedachten tot een nieuw geheel verwerkt.
Fernand Van Neste s.J. is emeritus hoogleraar aan de Faculteit
Rechten van de Universiteit Antwerpen. Hij is auteur
van juridische publicaties en van tal van artikels over
thema’s in het grensgebied tussen recht, bio-ethiek en medische
ethiek. Tot 2012 was hij ook lid van de Controle- en
Evaluatiecommissie Euthanasie.
Marc Keuleneer studeerde rechten en kerkelijk recht aan de
Universiteit Antwerpen en de KU Leuven. Hij was docent
recht en godsdienst aan de Thomas More Hogeschool in
Antwerpen en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit
Antwerpen. Sinds 2005 is hij algemeen directeur
van Vormingscentrum Guislain - Broeders van Liefde in
Gent.
Geloven in Jezus Christus: waarom niet? Een zinvol leven met toekomst! (Fracarita-reeks, nr. 8)
Het toenemende geweld, de labiele financiële, economische en politieke toestand en de recente immigratiestromen in onze westerse samenleving leiden bij vele tijdgenoten tot vertwijfeling en angst voor de toekomst. In plaats van een leven vanuit angst, wanhoop en valse zekerheden nodigt Christus ook vandaag elke mens uit om samen met Hem de weg van geloof, liefde en hoop te bewandelen. Een leven op basis van deze drie goddelijke deugden is een zinvol en gelukkig leven met toekomst. Daarvoor staat Jezus Christus zelf garant.
Dit boek wil de lezer Jezus Christus beter leren kennen en het geloof in Hem laten groeien om steeds meer volgens de Geest van Jezus Christus te kunnen leven. Met het oog op een vruchtbare dialoog tussen alle mensen van goede wil reiken de teksten aspecten van een christelijke spiritualiteit aan, die mensen kunnen verbinden veeleer dan hen te scheiden.
Het boek is gebaseerd op twee essays van Fernand Van Neste s.J: ‘Over hoop. Hoe ver reikt de hoop die het evangelie ons brengt?’ (Kerk en Wereld, 2009) en ‘Geloven in Jezus Christus, hoe kom je ertoe? Wat heb je eraan’ (Halewijn, 2011). Redacteur Marc Keuleneer heeft uit deze publicaties de essentiële grondgedachten tot een nieuw geheel verwerkt.
Fernand Van Neste s.J. is emeritus hoogleraar aan de Faculteit
Rechten van de Universiteit Antwerpen. Hij is auteur
van juridische publicaties en van tal van artikels over
thema’s in het grensgebied tussen recht, bio-ethiek en medische
ethiek. Tot 2012 was hij ook lid van de Controle- en
Evaluatiecommissie Euthanasie.
Marc Keuleneer studeerde rechten en kerkelijk recht aan de
Universiteit Antwerpen en de KU Leuven. Hij was docent
recht en godsdienst aan de Thomas More Hogeschool in
Antwerpen en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit
Antwerpen. Sinds 2005 is hij algemeen directeur
van Vormingscentrum Guislain - Broeders van Liefde in
Gent.
Jaarboek KMSKA 2013-2014
At various points over the course of the 20th century, the Belgian State and its various ministries and provinces consciously chose to subsidise not only the fine arts but also the applied and decorative arts, and in particular the art of weaving tapestry. On the one hand, orders were placed for World Exhibitions and for Belgian embassies, and on the other competitions were held for tapestries to be hung in important locations such as the United Nations and NATO headquarters, and the exhibitions that were organized by the various ministries over the years. They provided an overview of the ways in which this branch of the arts was changing as well as representative work by the best tapestry designers. The exhibitions organized by the provincial authorities give quite a different image. There were the highly conventional exhibitions of Brabantine tapestries to promote the craftsmanship of the province and there were the more innovative textile exhibitions.
Taken as a whole, the commissions, competitions and exhibitions give a good overview of what was happening in Belgium in the field of tapestry over the period 1945-1980. They also make it clear what image was being projected abroad: that of a country with rich traditions, master craftsmanship in weaving, and in the 1970s some affiliation to the latest developments in European textile art.
Jaarboek KMSKA 2013-2014
At various points over the course of the 20th century, the Belgian State and its various ministries and provinces consciously chose to subsidise not only the fine arts but also the applied and decorative arts, and in particular the art of weaving tapestry. On the one hand, orders were placed for World Exhibitions and for Belgian embassies, and on the other competitions were held for tapestries to be hung in important locations such as the United Nations and NATO headquarters, and the exhibitions that were organized by the various ministries over the years. They provided an overview of the ways in which this branch of the arts was changing as well as representative work by the best tapestry designers. The exhibitions organized by the provincial authorities give quite a different image. There were the highly conventional exhibitions of Brabantine tapestries to promote the craftsmanship of the province and there were the more innovative textile exhibitions.
Taken as a whole, the commissions, competitions and exhibitions give a good overview of what was happening in Belgium in the field of tapestry over the period 1945-1980. They also make it clear what image was being projected abroad: that of a country with rich traditions, master craftsmanship in weaving, and in the 1970s some affiliation to the latest developments in European textile art.
Culture. A Philosophical Perspective
This book attempts to grant a clear insight into the problem of culture. Thinking about culture, we are faced with the inevitable, and apparently insuperable, problem of how to study culture in the absence of a consensual definition of this notion. For several reasons, the anthropologists Claude Lévi-Strauss and Clifford Geertz provide an ideal starting point for tackling this issue. Firstly, both graduated in philosophy before turning to anthropology. Secondly, the linguisticmodel- based approach they initiated is founded on the general belief that language is a feature which all men have in common. And thirdly, when taken together, the conclusions reached by Lévi-Strauss and Geertz, which contradict one another, yield a clear view on the conceptual complexity of culture.
Martine Lejeune has a PhD in Philosophy. She is currently a visiting professor at the Faculty of Arts and Philosophy of the University of Ghent, where she teaches a course about interculturality.
Culture. A Philosophical Perspective
This book attempts to grant a clear insight into the problem of culture. Thinking about culture, we are faced with the inevitable, and apparently insuperable, problem of how to study culture in the absence of a consensual definition of this notion. For several reasons, the anthropologists Claude Lévi-Strauss and Clifford Geertz provide an ideal starting point for tackling this issue. Firstly, both graduated in philosophy before turning to anthropology. Secondly, the linguisticmodel- based approach they initiated is founded on the general belief that language is a feature which all men have in common. And thirdly, when taken together, the conclusions reached by Lévi-Strauss and Geertz, which contradict one another, yield a clear view on the conceptual complexity of culture.
Martine Lejeune has a PhD in Philosophy. She is currently a visiting professor at the Faculty of Arts and Philosophy of the University of Ghent, where she teaches a course about interculturality.
Mentemo-spel+boek. (vBL)Een reflectiespel voor teams rond emotionele beschikbaarheid (Clipbox/spelbord&-kaarten+boek: Emotionele ontwikkeling in verbinding/BVol)
Het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding handelt over begeleiders in relatie met een bijzonder uitdagende doelgroep, met name personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Binnen deze complexe ondersteuningscontext ervaren zowel de begeleider als de cliënt een dagelijkse druk op de relatie. Gevoelens van onmacht, vertwijfeling, angst, frustratie en kwaadheid kunnen soms geruisloos evolueren naar grote vermoeidheid, stress en burn-out.
Hoe kunnen begeleiders adequaat ondersteund worden in hun relatie met deze doelgroep en wat hebben ze daarvoor nodig? Om hierop antwoorden te bieden, sloegen onderzoekers van Hogeschool Gent een jaar hun tenten op bij een team voor volwassenen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Het resultaat is een ondersteuningsmethodiek voor begeleiders en het middenkader, gebaseerd op het model van emotionele ontwikkeling (Došen e.a.) in verbinding met de principes van emotionele beschikbaarheid en mentaliseren (De Belie e.a.). Emotionele ontwikkeling, emotionele afstemming en emotionele beschikbaarheid worden hierbij met elkaar verbonden in een onlosmakelijke triade. MENTEMO is een spel dat je door de vier begeleiderdimensies van wederzijdse emotionele beschikbaarheid loodst, met aandacht voor het belang van stressregulatie en mentaliseren. Zo zijn vragen aan de orde over sensitieve responsiviteit, structuur bieden, ruimte laten en mildheid. Er zijn ook vragen gericht op de begeleider; hierin worden parallellen onderzocht tussen de beleving van de begeleiders en die van cliënten/ouders. MENTEMO heeft als doel reflectie en dialoog over de eigen praktijk te ondersteunen.
Deze doos bevat het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding, een MENTEMO- spelbord, kaartjes met vragen en handige schema’s ter ondersteuning. Kortom, alles wat je nodig hebt om met je team deze ondersteuningsmethodiek toe te passen.
Filip Morisse, Erik De Belie, Mieke Blontrock, Jolien Verhasselt en Claudia Claes zijn allen orthopedagogen en verbonden aan Hogeschool Gent, Faculteit Mens en Welzijn, vakgroep orthopedagogie en E-QUAL (expertisecentrum Quality of Life). Met bijdragen van Anton Došen, Arno Willems, Chris van Dam en Johan De Groef.
Mentemo-spel+boek. (vBL)Een reflectiespel voor teams rond emotionele beschikbaarheid (Clipbox/spelbord&-kaarten+boek: Emotionele ontwikkeling in verbinding/BVol)
Het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding handelt over begeleiders in relatie met een bijzonder uitdagende doelgroep, met name personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Binnen deze complexe ondersteuningscontext ervaren zowel de begeleider als de cliënt een dagelijkse druk op de relatie. Gevoelens van onmacht, vertwijfeling, angst, frustratie en kwaadheid kunnen soms geruisloos evolueren naar grote vermoeidheid, stress en burn-out.
Hoe kunnen begeleiders adequaat ondersteund worden in hun relatie met deze doelgroep en wat hebben ze daarvoor nodig? Om hierop antwoorden te bieden, sloegen onderzoekers van Hogeschool Gent een jaar hun tenten op bij een team voor volwassenen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Het resultaat is een ondersteuningsmethodiek voor begeleiders en het middenkader, gebaseerd op het model van emotionele ontwikkeling (Došen e.a.) in verbinding met de principes van emotionele beschikbaarheid en mentaliseren (De Belie e.a.). Emotionele ontwikkeling, emotionele afstemming en emotionele beschikbaarheid worden hierbij met elkaar verbonden in een onlosmakelijke triade. MENTEMO is een spel dat je door de vier begeleiderdimensies van wederzijdse emotionele beschikbaarheid loodst, met aandacht voor het belang van stressregulatie en mentaliseren. Zo zijn vragen aan de orde over sensitieve responsiviteit, structuur bieden, ruimte laten en mildheid. Er zijn ook vragen gericht op de begeleider; hierin worden parallellen onderzocht tussen de beleving van de begeleiders en die van cliënten/ouders. MENTEMO heeft als doel reflectie en dialoog over de eigen praktijk te ondersteunen.
Deze doos bevat het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding, een MENTEMO- spelbord, kaartjes met vragen en handige schema’s ter ondersteuning. Kortom, alles wat je nodig hebt om met je team deze ondersteuningsmethodiek toe te passen.
Filip Morisse, Erik De Belie, Mieke Blontrock, Jolien Verhasselt en Claudia Claes zijn allen orthopedagogen en verbonden aan Hogeschool Gent, Faculteit Mens en Welzijn, vakgroep orthopedagogie en E-QUAL (expertisecentrum Quality of Life). Met bijdragen van Anton Došen, Arno Willems, Chris van Dam en Johan De Groef.
Emotionele ontwikkeling in verbinding. Coachingsmethodiek voor begeleiders van cliënten met probleemgedrag(B/Vol)
Het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding handelt over begeleiders in relatie met een bijzonder uitdagende doelgroep, met name personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Binnen deze complexe ondersteuningscontext ervaren zowel de begeleider als de cliënt een dagelijkse druk op de relatie. Gevoelens van onmacht, vertwijfeling, angst, frustratie en kwaadheid kunnen soms geruisloos evolueren naar grote vermoeidheid, stress en burn-out.
Hoe kunnen begeleiders adequaat ondersteund worden in hun relatie met deze doelgroep en wat hebben ze daarvoor nodig? Om hierop antwoorden te bieden, sloegen onderzoekers van Hogeschool Gent een jaar hun tenten op bij een team voor volwassenen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Het resultaat is een ondersteuningsmethodiek voor begeleiders en het middenkader, gebaseerd op het model van emotionele ontwikkeling (Došen e.a.) in verbinding met de principes van emotionele beschikbaarheid en mentaliseren (De Belie e.a.). Emotionele ontwikkeling, emotionele afstemming en emotionele beschikbaarheid worden hierbij met elkaar verbonden in een onlosmakelijke triade. MENTEMO is een spel dat je door de vier begeleiderdimensies van wederzijdse emotionele beschikbaarheid loodst, met aandacht voor het belang van stressregulatie en mentaliseren. Zo zijn vragen aan de orde over sensitieve responsiviteit, structuur bieden, ruimte laten en mildheid. Er zijn ook vragen gericht op de begeleider; hierin worden parallellen onderzocht tussen de beleving van de begeleiders en die van cliënten/ouders. MENTEMO heeft als doel reflectie en dialoog over de eigen praktijk te ondersteunen.
Filip Morisse, Erik De Belie, Mieke Blontrock, Jolien Verhasselt en Claudia Claes zijn allen orthopedagogen en verbonden aan Hogeschool Gent, Faculteit Mens en Welzijn, vakgroep orthopedagogie en E-QUAL (expertisecentrum Quality of Life). Met bijdragen van Anton Došen, Arno Willems, Chris van Dam en Johan De Groef.
Emotionele ontwikkeling in verbinding. Coachingsmethodiek voor begeleiders van cliënten met probleemgedrag(B/Vol)
Het boek Emotionele ontwikkeling in verbinding handelt over begeleiders in relatie met een bijzonder uitdagende doelgroep, met name personen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Binnen deze complexe ondersteuningscontext ervaren zowel de begeleider als de cliënt een dagelijkse druk op de relatie. Gevoelens van onmacht, vertwijfeling, angst, frustratie en kwaadheid kunnen soms geruisloos evolueren naar grote vermoeidheid, stress en burn-out.
Hoe kunnen begeleiders adequaat ondersteund worden in hun relatie met deze doelgroep en wat hebben ze daarvoor nodig? Om hierop antwoorden te bieden, sloegen onderzoekers van Hogeschool Gent een jaar hun tenten op bij een team voor volwassenen met een verstandelijke beperking en geestelijke gezondheidsproblemen. Het resultaat is een ondersteuningsmethodiek voor begeleiders en het middenkader, gebaseerd op het model van emotionele ontwikkeling (Došen e.a.) in verbinding met de principes van emotionele beschikbaarheid en mentaliseren (De Belie e.a.). Emotionele ontwikkeling, emotionele afstemming en emotionele beschikbaarheid worden hierbij met elkaar verbonden in een onlosmakelijke triade. MENTEMO is een spel dat je door de vier begeleiderdimensies van wederzijdse emotionele beschikbaarheid loodst, met aandacht voor het belang van stressregulatie en mentaliseren. Zo zijn vragen aan de orde over sensitieve responsiviteit, structuur bieden, ruimte laten en mildheid. Er zijn ook vragen gericht op de begeleider; hierin worden parallellen onderzocht tussen de beleving van de begeleiders en die van cliënten/ouders. MENTEMO heeft als doel reflectie en dialoog over de eigen praktijk te ondersteunen.
Filip Morisse, Erik De Belie, Mieke Blontrock, Jolien Verhasselt en Claudia Claes zijn allen orthopedagogen en verbonden aan Hogeschool Gent, Faculteit Mens en Welzijn, vakgroep orthopedagogie en E-QUAL (expertisecentrum Quality of Life). Met bijdragen van Anton Došen, Arno Willems, Chris van Dam en Johan De Groef.
Changing Social Norms to Universalize Girls’ Education in East Africa. Lessons from a Pilot Project.
The educational experience reproduces gender ideologies and social norms, which interact with schooling for girls in very particular ways and are implicated in their persistent gendered exclusion and marginalization. The authors in this volume focus on this link by taking a social norms approach to profile the processes, strategies of and research on community-led interventions. The chapters are paced around a pilot project that critically adapted a successful model in India to develop context-appropriate integrated approaches to universalizing secondary education for girls in purposively selected rural and urban poor contexts in Kenya and Uganda.
The analyses provide reflexive documentation of the successes and challenges of project implementation activities that have successfully contested girls’ exclusion and marginalization in education. This requires a sustained focus on the link between social and educational institutions and policies and working in an integrated manner with a range of policy actors including young people and targeted communities to bring about significant and sustainable change.
AUMA OKWANY, International Institute of Social Studies of Erasmus University Rotterdam
REKHA WAZIR, International Child Development Initiatives, Leiden
Changing Social Norms to Universalize Girls’ Education in East Africa. Lessons from a Pilot Project.
The educational experience reproduces gender ideologies and social norms, which interact with schooling for girls in very particular ways and are implicated in their persistent gendered exclusion and marginalization. The authors in this volume focus on this link by taking a social norms approach to profile the processes, strategies of and research on community-led interventions. The chapters are paced around a pilot project that critically adapted a successful model in India to develop context-appropriate integrated approaches to universalizing secondary education for girls in purposively selected rural and urban poor contexts in Kenya and Uganda.
The analyses provide reflexive documentation of the successes and challenges of project implementation activities that have successfully contested girls’ exclusion and marginalization in education. This requires a sustained focus on the link between social and educational institutions and policies and working in an integrated manner with a range of policy actors including young people and targeted communities to bring about significant and sustainable change.
AUMA OKWANY, International Institute of Social Studies of Erasmus University Rotterdam
REKHA WAZIR, International Child Development Initiatives, Leiden


