


Wat eten we? Over voeding en chemie
Dit boek biedt een wetenschappelijke onderbouw van de voedingsstoffen: water, koolhydraten (suikers, zetmeel en voedingsvezels), vetten (omegavetzuren en transvetten), eiwitten, vitaminen, minerale elementen en sporenelementen. Het besteedt de nodige aandacht aan de energetische waarde van voedingsstoffen, voedseladditieven, ggo’s, de kwaliteit van voeding en gezonde voeding.
In afzonderlijke hoofdstukken worden van elke voedingsstof het voorkomen in de natuur, het belang in onze voeding, de indeling, chemische structuur, eigenschappen, stofwisseling en de technologie beschreven. Heel wat weetjes en interessante historische aspecten, met illustraties van tekenaar Castor, verhogen de leesbaarheid. Bovendien is de tekst verrijkt met talrijke eenvoudige experimenten om thuis of in het lab uit te voeren. Elk hoofdstuk eindigt met een reeks vragen om de opgedane kennis te testen.
Deze uitgave, die tot stand kwam in samenwerking met de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging, is bedoeld voor iedereen die meer over voeding wil weten.
Jean Van de Weerdt, scheikundige, was jarenlang leraar en werd daarna pedagogisch adviseur biologie, chemie en land- en tuinbouw. Hij is auteur van talrijke didactische chemie-uitgaven. Daarnaast is hij voorzitter van de sectie Onderwijs & Opleidingen van de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging.
Natalie Chiaverini, doctor in de wetenschappen, is lector chemie en biochemie aan de opleiding Voedings- en Dieetkunde, Chemie en Biomedische Laboratoriumtechnologie van het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven.
Tom Mortier, doctor in de wetenschappen, is lector chemie aan het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven. Hij is lid van de redactie van NVOX, magazine voor onderwijs in de natuurwetenschappen en van de Vlaamse redactieraad van Mens & Molecule. Daarnaast publiceert hij over medische en wetenschappelijke ethiek in onder meer Artsenkrant, Psychiatrie en Verpleging, en Ethische Perspectieven.
Wat eten we? Over voeding en chemie
Dit boek biedt een wetenschappelijke onderbouw van de voedingsstoffen: water, koolhydraten (suikers, zetmeel en voedingsvezels), vetten (omegavetzuren en transvetten), eiwitten, vitaminen, minerale elementen en sporenelementen. Het besteedt de nodige aandacht aan de energetische waarde van voedingsstoffen, voedseladditieven, ggo’s, de kwaliteit van voeding en gezonde voeding.
In afzonderlijke hoofdstukken worden van elke voedingsstof het voorkomen in de natuur, het belang in onze voeding, de indeling, chemische structuur, eigenschappen, stofwisseling en de technologie beschreven. Heel wat weetjes en interessante historische aspecten, met illustraties van tekenaar Castor, verhogen de leesbaarheid. Bovendien is de tekst verrijkt met talrijke eenvoudige experimenten om thuis of in het lab uit te voeren. Elk hoofdstuk eindigt met een reeks vragen om de opgedane kennis te testen.
Deze uitgave, die tot stand kwam in samenwerking met de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging, is bedoeld voor iedereen die meer over voeding wil weten.
Jean Van de Weerdt, scheikundige, was jarenlang leraar en werd daarna pedagogisch adviseur biologie, chemie en land- en tuinbouw. Hij is auteur van talrijke didactische chemie-uitgaven. Daarnaast is hij voorzitter van de sectie Onderwijs & Opleidingen van de KVCV Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging.
Natalie Chiaverini, doctor in de wetenschappen, is lector chemie en biochemie aan de opleiding Voedings- en Dieetkunde, Chemie en Biomedische Laboratoriumtechnologie van het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven.
Tom Mortier, doctor in de wetenschappen, is lector chemie aan het Departement Gezondheidszorg en Technologie van de Katholieke Hogeschool Leuven. Hij is lid van de redactie van NVOX, magazine voor onderwijs in de natuurwetenschappen en van de Vlaamse redactieraad van Mens & Molecule. Daarnaast publiceert hij over medische en wetenschappelijke ethiek in onder meer Artsenkrant, Psychiatrie en Verpleging, en Ethische Perspectieven.

Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA) – Handleiding en scoreformulieren (1E DRUK)
In de logopedische en klinisch linguïstische praktijk heeft men behoefte aan een volledige testbatterij voor het onderzoek van alle taalaspecten. In het Nederlands taalgebied zijn reeds enkele waardevolle tests voorhanden om problemen op vlak van semantiek, morfologie en syntaxis te onderkennen. Het aanbod om pragmatische vaardigheden en meer specifiek de narratieve vaardigheid te evalueren, is eerder beperkt. Nochtans is het essentieel pragmatiek nauwkeurig te onderzoeken vanwege de relatie met de alledaagse communicatie en in het kader van differentiële diagnostiek tussen bepaalde vormen van ontwikkelingsstoornissen (Russell, 2007).
Naast het tekort aan genormeerde instrumenten voor narratieve vaardigheden, merken we dat er nog geen test beschikbaar is die de woordvinding analyseert. Woordvinding verwijst naar de snelheid waarmee een woord kan worden opgeroepen uit het lexicon. De woordenschattests die momenteel gehanteerd worden in de klinische praktijk, laten niet toe uitspraken te doen over woordvinding daar er geen tijdslimiet wordt vastgelegd. Tot slot is er nog geen test die kinderen spontaan zinnen laat uiten en waarbij men rekening dient te houden met de voorkennis van de luisteraar. De Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing lijkt deze leemtes te kunnen opvullen.
Kino Jansonius, klinisch psycholinguïst en logopedist,
wetenschappelijk medewerker ACLC (Amsterdam Centre for
Language and Communication), Algemene Taalwetenschappen,
Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
Mieke Ketelaars, orthopedagoog, universitair docent
Orthopedagogiek,
Faculteit Sociale Wetenschappen,
Rijksuniversiteit Leiden.
Marja Borgers, linguïst, zelfstandig werkend adviseur
voor taalonderwijs en taalstoornissen, www.taalweb.nl.
Ellen Van Den Heuvel, master Logopedische en Audiologische
Wetenschappen, doctorandus KU Leuven, Departement
Neurowetenschappen, ExpORL.
Hilde Roeyers, opleidingshoofd Logopedie-Audiologie,
Katholieke Hogeschool VIVES, campus Brugge.
Eric Manders, deeltijds docent KU Leuven (Logopedische en
Audiologische Wetenschappen) en Thomas More Antwerpen
(Departement Logopedie en Audiologie).
Inge Zink, deeltijds hoogleraar KU Leuven (programmadirecteur
Logopedische en Audiologische Wetenschappen) en logopedist UZ
Leuven (taaldiagnostiek MUCLA).

Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA) – Handleiding en scoreformulieren (1E DRUK)
In de logopedische en klinisch linguïstische praktijk heeft men behoefte aan een volledige testbatterij voor het onderzoek van alle taalaspecten. In het Nederlands taalgebied zijn reeds enkele waardevolle tests voorhanden om problemen op vlak van semantiek, morfologie en syntaxis te onderkennen. Het aanbod om pragmatische vaardigheden en meer specifiek de narratieve vaardigheid te evalueren, is eerder beperkt. Nochtans is het essentieel pragmatiek nauwkeurig te onderzoeken vanwege de relatie met de alledaagse communicatie en in het kader van differentiële diagnostiek tussen bepaalde vormen van ontwikkelingsstoornissen (Russell, 2007).
Naast het tekort aan genormeerde instrumenten voor narratieve vaardigheden, merken we dat er nog geen test beschikbaar is die de woordvinding analyseert. Woordvinding verwijst naar de snelheid waarmee een woord kan worden opgeroepen uit het lexicon. De woordenschattests die momenteel gehanteerd worden in de klinische praktijk, laten niet toe uitspraken te doen over woordvinding daar er geen tijdslimiet wordt vastgelegd. Tot slot is er nog geen test die kinderen spontaan zinnen laat uiten en waarbij men rekening dient te houden met de voorkennis van de luisteraar. De Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing lijkt deze leemtes te kunnen opvullen.
Kino Jansonius, klinisch psycholinguïst en logopedist,
wetenschappelijk medewerker ACLC (Amsterdam Centre for
Language and Communication), Algemene Taalwetenschappen,
Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
Mieke Ketelaars, orthopedagoog, universitair docent
Orthopedagogiek,
Faculteit Sociale Wetenschappen,
Rijksuniversiteit Leiden.
Marja Borgers, linguïst, zelfstandig werkend adviseur
voor taalonderwijs en taalstoornissen, www.taalweb.nl.
Ellen Van Den Heuvel, master Logopedische en Audiologische
Wetenschappen, doctorandus KU Leuven, Departement
Neurowetenschappen, ExpORL.
Hilde Roeyers, opleidingshoofd Logopedie-Audiologie,
Katholieke Hogeschool VIVES, campus Brugge.
Eric Manders, deeltijds docent KU Leuven (Logopedische en
Audiologische Wetenschappen) en Thomas More Antwerpen
(Departement Logopedie en Audiologie).
Inge Zink, deeltijds hoogleraar KU Leuven (programmadirecteur
Logopedische en Audiologische Wetenschappen) en logopedist UZ
Leuven (taaldiagnostiek MUCLA).
Leer(r)echt in Rizsas. Institutionele pedagogie (IP). Praktijk en reflectie
Rizsas is een schoolvervangend dagcentrum in Wezemaal. Rizsas voert een pedagogische praktijk die ‘werkt’, zelfs voor jongeren die op geen enkele school nog welkom zijn.
Leer(r)echt heeft een dubbele betekenis. Enerzijds betreft het een engagement om ook voor de meest kwetsbare jongeren het recht op leren blijvend te garanderen. Er bestaan immers geen ‘onschoolbare’ jongeren, enkel eindige schoolsystemen. Anderzijds gaat het om een andere visie op leren. Het gaat over de groei en de ontwikkeling van de jongere in relatie met een gepassioneerde andere, door een ervaring of activiteit die voor de jongere zelf de moeite waard is.
Het louter psychologiseren van wat er met de jongere aan de hand is, wordt bij Rizsas vermeden. Deze actueel overheersende benadering focust immers op het tekort, leidt vaak tot reducerende diagnoses, vergroot het risico op een standaardbehandeling en legitimeert de schijnbare eindigheid van een schoolsysteem. In de werking van Rizsas is de institutionele pedagogie een inspiratiebron en bezielende kracht. Ze staat voor het samen maken en dragen van een geheel waarin ieder met zijn bijzonderheden een eigen plaats kan vinden. De nadruk ligt op de instituten, die tussen alle deelnemers staan en het samenzijn vormgeven, niet op de jongere en zijn problematiek. Het werken met de jongeren gebeurt onrechtstreeks. Het is een visie die werkt bij de organisatie van leefgroepen in residentiële centra en wellicht toepasbaar is in vele andere pedagogische contexten die het samenleven centraal stellen.
Dit boek brengt verhalen, getuigenissen en reflecties van de mensen die dagelijks
Rizsas (mee)maken. Ze worden aangevuld met diverse theoretische bijdragen van
professoren, beleidsmakers en een kunstenaar. Zo wordt duidelijk wat er zich afspeelt
op Rizsas en waartoe deze bevrijdende pedagogie kan leiden.
Koen Elsen (°1955) is maatschappelijk
werker die na een gevarieerde
loopbaan o.a. als ondernemer, ongeveer
10 jaar geleden startte als
vrijwillige opvoeder in De Wissel
een open voorziening voor Bijzondere
Jeugdbijstand voor meisjes te Leuven. Hij is
momenteel voltijds begeleider en coördinator op
Rizsas/Centrum Molenmoes en werkt vanuit deze
positie mee aan de uitbouw en de werking van het
Netwerk Leerrecht Vlaams-Brabant’.
Laurent Thys (°1948) is pedagoog.
Na een loopbaan als wetenschappelijk
onderzoeker, PMS-begeleider
en CLB-directeur engageerde hij
zich in verschillende pedagogische
projecten ten behoeve van de meest
kwetsbare kinderen en jongeren.
Laurent stond mee aan de wieg van
het Netwerk Leerrecht Vlaams Brabant
en coördineerde het Ris-K project van het LOP
SO Leuven (Ris-K = Risicosituatie op school (uitval)
positief doen kantelen). Sedert vorig jaar is hij actief
als vrijwilligers op Rizsas.
Luc Deneffe (°1962) was als economist
verschillende jaren werkzaam
in het bankwezen tot hij besliste
zijn actieterrein te verleggen naar
de Bijzondere Jeugdzorg. Hij werd
directeur van de vzw De Wissel en
lag van daar uit mee aan de basis
van innoverende projecten in de
Jeugdzorg, waaronder dus ook Rizsas.
Luc is momenteel voorzitter van het netwerk
van CANO-voorzieningen in Vlaanderen en van het
Platform Bijzonder Jeugdbijstand Vlaams-Brabant.
Leer(r)echt in Rizsas. Institutionele pedagogie (IP). Praktijk en reflectie
Rizsas is een schoolvervangend dagcentrum in Wezemaal. Rizsas voert een pedagogische praktijk die ‘werkt’, zelfs voor jongeren die op geen enkele school nog welkom zijn.
Leer(r)echt heeft een dubbele betekenis. Enerzijds betreft het een engagement om ook voor de meest kwetsbare jongeren het recht op leren blijvend te garanderen. Er bestaan immers geen ‘onschoolbare’ jongeren, enkel eindige schoolsystemen. Anderzijds gaat het om een andere visie op leren. Het gaat over de groei en de ontwikkeling van de jongere in relatie met een gepassioneerde andere, door een ervaring of activiteit die voor de jongere zelf de moeite waard is.
Het louter psychologiseren van wat er met de jongere aan de hand is, wordt bij Rizsas vermeden. Deze actueel overheersende benadering focust immers op het tekort, leidt vaak tot reducerende diagnoses, vergroot het risico op een standaardbehandeling en legitimeert de schijnbare eindigheid van een schoolsysteem. In de werking van Rizsas is de institutionele pedagogie een inspiratiebron en bezielende kracht. Ze staat voor het samen maken en dragen van een geheel waarin ieder met zijn bijzonderheden een eigen plaats kan vinden. De nadruk ligt op de instituten, die tussen alle deelnemers staan en het samenzijn vormgeven, niet op de jongere en zijn problematiek. Het werken met de jongeren gebeurt onrechtstreeks. Het is een visie die werkt bij de organisatie van leefgroepen in residentiële centra en wellicht toepasbaar is in vele andere pedagogische contexten die het samenleven centraal stellen.
Dit boek brengt verhalen, getuigenissen en reflecties van de mensen die dagelijks
Rizsas (mee)maken. Ze worden aangevuld met diverse theoretische bijdragen van
professoren, beleidsmakers en een kunstenaar. Zo wordt duidelijk wat er zich afspeelt
op Rizsas en waartoe deze bevrijdende pedagogie kan leiden.
Koen Elsen (°1955) is maatschappelijk
werker die na een gevarieerde
loopbaan o.a. als ondernemer, ongeveer
10 jaar geleden startte als
vrijwillige opvoeder in De Wissel
een open voorziening voor Bijzondere
Jeugdbijstand voor meisjes te Leuven. Hij is
momenteel voltijds begeleider en coördinator op
Rizsas/Centrum Molenmoes en werkt vanuit deze
positie mee aan de uitbouw en de werking van het
Netwerk Leerrecht Vlaams-Brabant’.
Laurent Thys (°1948) is pedagoog.
Na een loopbaan als wetenschappelijk
onderzoeker, PMS-begeleider
en CLB-directeur engageerde hij
zich in verschillende pedagogische
projecten ten behoeve van de meest
kwetsbare kinderen en jongeren.
Laurent stond mee aan de wieg van
het Netwerk Leerrecht Vlaams Brabant
en coördineerde het Ris-K project van het LOP
SO Leuven (Ris-K = Risicosituatie op school (uitval)
positief doen kantelen). Sedert vorig jaar is hij actief
als vrijwilligers op Rizsas.
Luc Deneffe (°1962) was als economist
verschillende jaren werkzaam
in het bankwezen tot hij besliste
zijn actieterrein te verleggen naar
de Bijzondere Jeugdzorg. Hij werd
directeur van de vzw De Wissel en
lag van daar uit mee aan de basis
van innoverende projecten in de
Jeugdzorg, waaronder dus ook Rizsas.
Luc is momenteel voorzitter van het netwerk
van CANO-voorzieningen in Vlaanderen en van het
Platform Bijzonder Jeugdbijstand Vlaams-Brabant.


Leren innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie
Innoveren in onderwijs is van alle tijden. Maar zeker de laatste decennia
is er sprake van een bijna permanent vernieuwen van het onderwijs.
Niet alleen willen ouders, overheid en onderwijsprofessionals zelf het
beste uit kinderen halen. Ook onze kennis over leren en onderwijzen
verandert. Dat leidt tot het invoeren van nieuwe werkwijzen in het
onderwijs. Bovendien vraagt ook de groeiende autonomie van scholen
een toenemend beleidsvoerend vermogen van schoolorganisaties.
Ook dit leidt tot innovaties in de school. Succesvol innoveren in het
onderwijs is geen luxe maar noodzaak geworden.
Leren Innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie situeert
onderwijsinnovatie in de maatschappelijke context en bespreekt
de belangrijkste opvattingen over onderwijsinnovatie zoals die,
vooral sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, ontwikkeld zijn.
De verschillende opvattingen komen in hun onderlinge relatie aan
de orde, evenals de sterktes en zwaktes van die benaderingen. De
nadruk ligt hierbij op het proces van innoveren. Ook worden enkele
belangrijke thema’s verder uitgediept: interventies, het leren van
onderwijs professionals, het beleidsvoerend vermogen van scholen
en gedifferentieerd innoveren.
Het boek is van belang voor ieder die via studie of beroep betrokken
is bij onderwijs en onderwijsvernieuwingen.
Eric Verbiest was lector Schoolontwikkeling en Schoolmanagement bij Fontys Hogescholen in Nederland en is zelfstandig gevestigd onderwijsadviseur. Hij is tevens gastprofessor Onderwijsinnovatie aan de Universiteit Antwerpen.
Leren innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie
Innoveren in onderwijs is van alle tijden. Maar zeker de laatste decennia
is er sprake van een bijna permanent vernieuwen van het onderwijs.
Niet alleen willen ouders, overheid en onderwijsprofessionals zelf het
beste uit kinderen halen. Ook onze kennis over leren en onderwijzen
verandert. Dat leidt tot het invoeren van nieuwe werkwijzen in het
onderwijs. Bovendien vraagt ook de groeiende autonomie van scholen
een toenemend beleidsvoerend vermogen van schoolorganisaties.
Ook dit leidt tot innovaties in de school. Succesvol innoveren in het
onderwijs is geen luxe maar noodzaak geworden.
Leren Innoveren. Een inleiding in de onderwijsinnovatie situeert
onderwijsinnovatie in de maatschappelijke context en bespreekt
de belangrijkste opvattingen over onderwijsinnovatie zoals die,
vooral sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, ontwikkeld zijn.
De verschillende opvattingen komen in hun onderlinge relatie aan
de orde, evenals de sterktes en zwaktes van die benaderingen. De
nadruk ligt hierbij op het proces van innoveren. Ook worden enkele
belangrijke thema’s verder uitgediept: interventies, het leren van
onderwijs professionals, het beleidsvoerend vermogen van scholen
en gedifferentieerd innoveren.
Het boek is van belang voor ieder die via studie of beroep betrokken
is bij onderwijs en onderwijsvernieuwingen.
Eric Verbiest was lector Schoolontwikkeling en Schoolmanagement bij Fontys Hogescholen in Nederland en is zelfstandig gevestigd onderwijsadviseur. Hij is tevens gastprofessor Onderwijsinnovatie aan de Universiteit Antwerpen.

School- en klaspraktijk – nr. 220 (jrg 55) (dec- jan – febr 2013-2014). – Themanummer Wetenschap in het basisonderwijs
Dit nummer van SKP bevat:
- Aandacht voor wetenschapsonderwijs in de basisschool
- Visie op wetenschappelijk denken
- Onderzoekend leren vanuit de eindtermen
- Wetenschapsonderwijs vorm geven
Inhoudstafel
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)

School- en klaspraktijk – nr. 220 (jrg 55) (dec- jan – febr 2013-2014). – Themanummer Wetenschap in het basisonderwijs
Dit nummer van SKP bevat:
- Aandacht voor wetenschapsonderwijs in de basisschool
- Visie op wetenschappelijk denken
- Onderzoekend leren vanuit de eindtermen
- Wetenschapsonderwijs vorm geven
Inhoudstafel
Ten Geleide
Over School-en klaspraktijk:
SKP is een pedagogisch-didactisch tijdschrift.Het biedt een handreiking bij de dagelijkse onderwijsleerpraktijk: bredeachtergrondinformatie, lesschetsen, leermaterialen.
Daarnaast besteedt het tijdschrift ruimeaandacht aan een brede onderwijsvisie, aan onderwijsvernieuwingenen -verbeteringen die vanuit overheid, begeleidingsdiensten,navormingscentra enz. worden aangeboden.
Doelgroep:
Leerkrachten, directies en begeleiders lager onderwijs en studenten van de initiële lerarenopleiding.
Abonnement:
School- en klaspraktijk verschijnt viermaal per jaargang (schooljaar).
Een gewoon abonnement kost € 34,-.
Een studentenabonnement kost € 25,50.
Een groepsabonnement (vanaf 5 exemplaren) kost € 18,-.
Een los nummer kost € 10,75. (Bestel dit nummer)


Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 2 – Themanummer Jonggestorven schrijvers

Passage – Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur – Jrg. 1 (2013-2014), nr. 2 – Themanummer Jonggestorven schrijvers
Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.
Omgaan met agressie in de jeugdzorg
Dit boek brengt de kennis over agressie in de jeugdzorg bij elkaar. Het eerste deel biedt een overzicht van de theorie. Alle aspecten van het ontstaan en de ontwikkeling van agressief gedrag van kinderen en jeugdigen worden behandeld. Fop Verheij, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht. Lonneke Neve en Manuelle Flos bespreken in drie hoofdstukken de invloed van het kind zelf, de ouders en andere opvoeders en de maatschappelijke omstandigheden. De andere hoofdstukken gaan over agressie van kinderen en jeugdigen in de dagbehandeling, de residentiële jeugdzorg en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Naast de algemene factoren zijn ook de fysieke inrichting van het gebouw en de leefruimten, de persoon van de hulpverlener en diverse andere factoren van invloed op de kans dat een kind of jeugdige agressief gedrag gaat vertonen.
Marije Valenkamp, Lonneke Neve en Frouke Sondeijker behandelen deze dimensies in aparte hoofdstukken. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan het veiligheidsbeleid van de professionele instelling en aan training en borging. Daarmee is dit boek van belang voor de praktijk van de dagbehandeling en de residentiële zorg voor kinderen en jeugdigen.
Het boek helpt werkers in de jeugdzorg, gedragsdeskundigen en andere specialisten, managers en bestuurders om agressie beter te begrijpen, te voorkomen en te beheersen. Het is een basis voor opleidingen in het HBO, post-HBO en universitair onderwijs.
Het rijke casusmateriaal in dit boek en de vlotte schrijfstijl maken het een goede toegankelijke publicatie die hopelijk zijn weg vindt naar vele hulpverleners in de jeugdzorg en daarbuiten.
Zorg+Welzijn Magazine, jrg. 20, nr. 7/8, blz. 34
Manuelle Flos is kinder- en jeugdpsychiater bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam.
Lonneke Neve, orthopedagoog, is momenteel werkzaam als instellingssupervisor en agressietrainer op de afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus mc–Sophia te Rotterdam. Hiervoor was ze negen jaar werkzaam als pedagogisch medewerker op twee van de leefgroepen aldaar.
Frouke Sondeijker, kinder- en jeugdpsycholoog, werkte als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij Van Montfoort, Woerden. Momenteel is ze werkzaam als psycholoog en projectleider onderzoek bij de Opvoedpoli te Amsterdam.
Marije Valenkamp, orthopedagoog, is werkzaam als onderzoeker en methodeontwikkelaar bij Van Montfoort te Woerden en bij de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/ psychologie van het Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Zij ontwikkelde de Individuele Proactieve AgressiehanteringsMethode (ipam).
Fop Verheij is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, afdeling Kinder- en Jeugd psychiatrie/psychologie, Erasmus mc-Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam en opleider kinder- en jeugdpsychotherapie, rino Groep, Utrecht.

