Start to teach. Inspiratiegids over aanvangsbegeleiding in het onderwijs
Starters in het onderwijs worden keer op keer als een probleem voorgesteld in de media.
Ze vallen bij bosjes uit en hun contracten deugen niet. Maar een bredere kijk op hun
positie ontbreekt. Wat kunnen de onderwijscollega’s, mentoren, directieleden, pedagogisch
begeleiders, lerarenopleiders en beleidsmakers doen om hen te helpen? En omgekeerd:
hoe kunnen starters hun collega’s helpen?
Deze inspiratiegids heeft een dubbele rol: enerzijds het thema vanuit een breder
perspectief bekijken, anderzijds realistische en ambitieuze praktijkvoorbeelden van
aanvangsbegeleiding van zowel pennen uit het werkveld als de academische wereld
voorstellen. Met andere woorden, de inspiratiegids zoomt in op belangrijke factoren
die bepalend zijn voor het slagen van de eerste jaren in de onderwijspraktijk, zoals de
zin om de job te doen, het belang van samenwerking, levenslang leren met elkaar en
(gedeeld) leiderschap. Daarnaast hebben deze voorbeelden één gemeenschappelijk
doel: vanuit een brede, vernieuwende kijk en op onderbouwde wijze de startende
leraar welkom heten in het onderwijslandschap. Er worden prikkelende initiatieven
over taal- en landsgrenzen heen gepresenteerd waarmee beleidsverantwoordelijken,
lerarenopleiders, pedagogisch begeleiders, (coördinerend) directeurs, mentoren en
leraren hun voordeel zullen doen.
Het boek biedt een inspiratiebron voor iedereen die de starter op een voetstuk wil
plaatsen en daarbij oog heeft voor passie en talenten.
Sanne De Vos is bachelor kleuteronderwijzeres en master in de pedagogische wetenschappen.
Zij is werkzaam in de Lerarenopleidingen Kleuter- en Lager Onderwijs van
Hogeschool Odisee, Campus Aalst. Daarnaast heeft ze de afgelopen jaren zowel kwalitatief
als kwantitatief onderzoek naar starters in het basis- en secundair onderwijs
uitgevoerd.
Johan De Wilde werkt als lerarenopleider. Behalve het kleuteronderwijs waar hij dagelijks
mee bezig is en over blogt op www.kleutergewijs.be, heeft hij een grote interesse
voor de professionalisering van lerarenopleiders. Hij werkte voorheen in diverse vormingscontexten.
Hij was in binnen- en buitenland actief in formeel onderwijs en in
non-formele educatie bij nationale en internationale ngo’s, onderwijsinstellingen en
UNESCO.
Simon Beausaert is associate professor Werkplekleren aan Universiteit Maastricht. Hij
doet onderzoek naar antecedenten en effecten van formeel en informeel leren alsook
van assessmentpraktijken. Ook is hij programmacoördinator van de Management of
Learning Master, die zich focust op het ondersteunen van leren en ontwikkelen op de
werkplek. Hij is employability coördinator, medeverantwoordelijk voor docentenprofessionalisering
in de faculteit en fungeert vaak als consultant voor scholen en organisaties.
Start to teach. Inspiratiegids over aanvangsbegeleiding in het onderwijs
Starters in het onderwijs worden keer op keer als een probleem voorgesteld in de media.
Ze vallen bij bosjes uit en hun contracten deugen niet. Maar een bredere kijk op hun
positie ontbreekt. Wat kunnen de onderwijscollega’s, mentoren, directieleden, pedagogisch
begeleiders, lerarenopleiders en beleidsmakers doen om hen te helpen? En omgekeerd:
hoe kunnen starters hun collega’s helpen?
Deze inspiratiegids heeft een dubbele rol: enerzijds het thema vanuit een breder
perspectief bekijken, anderzijds realistische en ambitieuze praktijkvoorbeelden van
aanvangsbegeleiding van zowel pennen uit het werkveld als de academische wereld
voorstellen. Met andere woorden, de inspiratiegids zoomt in op belangrijke factoren
die bepalend zijn voor het slagen van de eerste jaren in de onderwijspraktijk, zoals de
zin om de job te doen, het belang van samenwerking, levenslang leren met elkaar en
(gedeeld) leiderschap. Daarnaast hebben deze voorbeelden één gemeenschappelijk
doel: vanuit een brede, vernieuwende kijk en op onderbouwde wijze de startende
leraar welkom heten in het onderwijslandschap. Er worden prikkelende initiatieven
over taal- en landsgrenzen heen gepresenteerd waarmee beleidsverantwoordelijken,
lerarenopleiders, pedagogisch begeleiders, (coördinerend) directeurs, mentoren en
leraren hun voordeel zullen doen.
Het boek biedt een inspiratiebron voor iedereen die de starter op een voetstuk wil
plaatsen en daarbij oog heeft voor passie en talenten.
Sanne De Vos is bachelor kleuteronderwijzeres en master in de pedagogische wetenschappen.
Zij is werkzaam in de Lerarenopleidingen Kleuter- en Lager Onderwijs van
Hogeschool Odisee, Campus Aalst. Daarnaast heeft ze de afgelopen jaren zowel kwalitatief
als kwantitatief onderzoek naar starters in het basis- en secundair onderwijs
uitgevoerd.
Johan De Wilde werkt als lerarenopleider. Behalve het kleuteronderwijs waar hij dagelijks
mee bezig is en over blogt op www.kleutergewijs.be, heeft hij een grote interesse
voor de professionalisering van lerarenopleiders. Hij werkte voorheen in diverse vormingscontexten.
Hij was in binnen- en buitenland actief in formeel onderwijs en in
non-formele educatie bij nationale en internationale ngo’s, onderwijsinstellingen en
UNESCO.
Simon Beausaert is associate professor Werkplekleren aan Universiteit Maastricht. Hij
doet onderzoek naar antecedenten en effecten van formeel en informeel leren alsook
van assessmentpraktijken. Ook is hij programmacoördinator van de Management of
Learning Master, die zich focust op het ondersteunen van leren en ontwikkelen op de
werkplek. Hij is employability coördinator, medeverantwoordelijk voor docentenprofessionalisering
in de faculteit en fungeert vaak als consultant voor scholen en organisaties.
Burn-out ontmaskerd.De dieperliggende oorzaken van een burn-out
Check ook haar website www.coachingbijburnout.be
Ann Meesschaert (1960, Oostende) is sociaal verpleegkundige, ze heeft ervaring in arbeidsgeneeskunde en werkte 18 jaar als productspecialist in de vertegenwoordiging van medisch materiaal.
Burn-out ontmaskerd.De dieperliggende oorzaken van een burn-out
Check ook haar website www.coachingbijburnout.be
Ann Meesschaert (1960, Oostende) is sociaal verpleegkundige, ze heeft ervaring in arbeidsgeneeskunde en werkte 18 jaar als productspecialist in de vertegenwoordiging van medisch materiaal.
Wat moet? En wat is nodig? Over de filosofie van Rudolf Boehm (Reeks: Sociale Wetenschappen – Kruispunten nr. 6)
Rudolf Boehm heeft een omvangrijk oeuvre gepubliceerd, het resultaat van vele jaren onderzoek. Het betreft enerzijds werken die heel concreet stelling nemen tegen het klassieke filosofische denken, anderzijds bouwstenen voor een nieuwe grondslag van de fenomenologie. Het is een tragische denkwijze. Dit kan verwondering wekken. Immers, gewoonlijk geldt dat in onze moderne, sentimentele cultuur de zin voor tragiek verloren is gegaan. De filosofie van Boehm, geïnspireerd door een lectuur van Schillers Wallenstein, wijst op het tegendeel. Ze omschrijft de moderniteit als een cultuur die zichzelf verscheurt in een ideaal dat haar ondergang bezegelt. Het gaat weliswaar om een zelfverschuldigde verlorenheid. Dit boek toont hoe deze filosofie een inspiratiebron kan zijn voor vandaag.
Boehm is in het Nederlands taalgebied vooral bekend vanwege zijn publieke
stellingnames tegen de omkering van doel en middelen in de economie en politiek
en als voorvechter van een zorg voor onze eindige kwetsbare omgeving
(Aan het einde van een tijdperk, (1984) en Dwaalsporen, (2000)). De laatste jaren
kwamen een zestal boeken deze politieke standpunten filosofisch onderbouwen:
Tragiek (2001, 2009), Topica (2002, 2012), Politiek (2002), Ekonomie en metafysiek
(2004), De dialektiek en het einde van de ontwikkeling (2005), Schets
van een Politiek (2006).
Met bijdragen van Ludo Abicht, Giorgio Agamben, Rudolf Bernet, Willy
Coolsaet, Jacques De Visscher, Lode Frederix, Iso Kern, Sonja Lavaert, Bernard
Stiegler, Henk Vandaele, Christian Van Kerckhove, Luc Vanneste, Judith
Wambacq en Paul Willemarck.
Wat moet? En wat is nodig? Over de filosofie van Rudolf Boehm (Reeks: Sociale Wetenschappen – Kruispunten nr. 6)
Rudolf Boehm heeft een omvangrijk oeuvre gepubliceerd, het resultaat van vele jaren onderzoek. Het betreft enerzijds werken die heel concreet stelling nemen tegen het klassieke filosofische denken, anderzijds bouwstenen voor een nieuwe grondslag van de fenomenologie. Het is een tragische denkwijze. Dit kan verwondering wekken. Immers, gewoonlijk geldt dat in onze moderne, sentimentele cultuur de zin voor tragiek verloren is gegaan. De filosofie van Boehm, geïnspireerd door een lectuur van Schillers Wallenstein, wijst op het tegendeel. Ze omschrijft de moderniteit als een cultuur die zichzelf verscheurt in een ideaal dat haar ondergang bezegelt. Het gaat weliswaar om een zelfverschuldigde verlorenheid. Dit boek toont hoe deze filosofie een inspiratiebron kan zijn voor vandaag.
Boehm is in het Nederlands taalgebied vooral bekend vanwege zijn publieke
stellingnames tegen de omkering van doel en middelen in de economie en politiek
en als voorvechter van een zorg voor onze eindige kwetsbare omgeving
(Aan het einde van een tijdperk, (1984) en Dwaalsporen, (2000)). De laatste jaren
kwamen een zestal boeken deze politieke standpunten filosofisch onderbouwen:
Tragiek (2001, 2009), Topica (2002, 2012), Politiek (2002), Ekonomie en metafysiek
(2004), De dialektiek en het einde van de ontwikkeling (2005), Schets
van een Politiek (2006).
Met bijdragen van Ludo Abicht, Giorgio Agamben, Rudolf Bernet, Willy
Coolsaet, Jacques De Visscher, Lode Frederix, Iso Kern, Sonja Lavaert, Bernard
Stiegler, Henk Vandaele, Christian Van Kerckhove, Luc Vanneste, Judith
Wambacq en Paul Willemarck.
Korte therapie. Handleiding bij het Brugse model voor psychotherapie met een toepassing op kinderen en jongeren
In dit boek wordt het ‘Brugse model’ van korte therapie voorgesteld. Dit model is ontstaan aan het Korzybski Instituut in Brugge, met Luc Isebaert, Marie-Christine Cabié, Louis Cauffman en Myriam Le Fevere de Ten Hove. Het werd door de Amerikaanse deelnemers op het ‘Therapeutic Conversation 3’-congres in Denver (Colorado – USA) omgedoopt tot ‘The Bruges Model’. Hierin is ‘kort’ geen doel op zich, maar het vanzelfsprekende gevolg van de respectvolle benadering van de cliënt, waarbij hij opnieuw de mogelijkheid ontdekt om zelf te kiezen in zijn doen en denken, om zijn leven zelf terug in handen te nemen, en zo te ontsnappen aan het keurslijf van de symptomen.
Vanuit de overtuiging dat de patiënt de meeste knowhow in huis heeft – maar vaak niet het besef of de strategie om deze te gebruiken – geven wij, als therapeut, onszelf niet de opdracht hem te vergezellen tot het probleem volledig is opgelost, maar stoppen we wanneer de patiënt voldoende op de goede weg is gezet. Deze coöperatieve werkwijze tussen cliënt en therapeut vermijdt ook het creëren van weerstand.
De leidraad voor het gebruiken van dit model van korte therapie wordt dan specifiek toegepast op kinderen en jongeren. Kinderen zijn voortdurend in evolutie: dit impliceert wisselende mogelijkheden en beperkingen. Pubers en adolescenten zijn niet happig op psychotherapie, zeker niet wanneer de ouders vragende partij zijn. Het boek toont aan hoe er kan mee omgegaan worden.
Korte therapie. Handleiding bij het Brugse model voor psychotherapie met een toepassing op kinderen en jongeren
In dit boek wordt het ‘Brugse model’ van korte therapie voorgesteld. Dit model is ontstaan aan het Korzybski Instituut in Brugge, met Luc Isebaert, Marie-Christine Cabié, Louis Cauffman en Myriam Le Fevere de Ten Hove. Het werd door de Amerikaanse deelnemers op het ‘Therapeutic Conversation 3’-congres in Denver (Colorado – USA) omgedoopt tot ‘The Bruges Model’. Hierin is ‘kort’ geen doel op zich, maar het vanzelfsprekende gevolg van de respectvolle benadering van de cliënt, waarbij hij opnieuw de mogelijkheid ontdekt om zelf te kiezen in zijn doen en denken, om zijn leven zelf terug in handen te nemen, en zo te ontsnappen aan het keurslijf van de symptomen.
Vanuit de overtuiging dat de patiënt de meeste knowhow in huis heeft – maar vaak niet het besef of de strategie om deze te gebruiken – geven wij, als therapeut, onszelf niet de opdracht hem te vergezellen tot het probleem volledig is opgelost, maar stoppen we wanneer de patiënt voldoende op de goede weg is gezet. Deze coöperatieve werkwijze tussen cliënt en therapeut vermijdt ook het creëren van weerstand.
De leidraad voor het gebruiken van dit model van korte therapie wordt dan specifiek toegepast op kinderen en jongeren. Kinderen zijn voortdurend in evolutie: dit impliceert wisselende mogelijkheden en beperkingen. Pubers en adolescenten zijn niet happig op psychotherapie, zeker niet wanneer de ouders vragende partij zijn. Het boek toont aan hoe er kan mee omgegaan worden.
Sensoa Flag System.Reacting to sexually (un)acceptable behaviour of children and young people
The Sensoa Flag System© is an evidence-based tool for identifying acceptable and
unacceptable sexual behaviour of children and young people.
“The Flag System helps to asses a situation when discussing it in team and to decide together
what behaviour to allow.”
“The Flag System helps us to create learning opportunities for the young people we attend
to and to examine our own discourse as educators and as an organization.”
“As a team the Flag System has made us pay more attention to which behaviour is acceptable
and how to support our young people in their sexual development.”
Sensoa Flag System is meant for child care workers and professionals working with
children and young people ages 0 – 18 years. It is used by professionals in different
settings (care, education, social work, sports and other fields) to discuss sexual (un)
acceptable behaviour amongst and toward children and young people with co-workers,
management, parents and other care-takers. It can also be used to have the conversation
with children and young people directly about which behaviour is okay and
which behaviour is not and why this is the case.
The Flag System uses six criteria for determining which sexual behaviour is (un)acceptable.
Based on these six criteria and using the Developmental Chart the behaviour
is assigned a flag. There are four flags ranging from behaviour that is okay to very seriously
unacceptable behaviour. An educational response is linked to each of the flags.
Drawings and case history help (professional) educators to assess and discuss (unacceptable)
sexual behaviour amongst and with respect to children and young people.
Sensoa Flag System.Reacting to sexually (un)acceptable behaviour of children and young people
The Sensoa Flag System© is an evidence-based tool for identifying acceptable and
unacceptable sexual behaviour of children and young people.
“The Flag System helps to asses a situation when discussing it in team and to decide together
what behaviour to allow.”
“The Flag System helps us to create learning opportunities for the young people we attend
to and to examine our own discourse as educators and as an organization.”
“As a team the Flag System has made us pay more attention to which behaviour is acceptable
and how to support our young people in their sexual development.”
Sensoa Flag System is meant for child care workers and professionals working with
children and young people ages 0 – 18 years. It is used by professionals in different
settings (care, education, social work, sports and other fields) to discuss sexual (un)
acceptable behaviour amongst and toward children and young people with co-workers,
management, parents and other care-takers. It can also be used to have the conversation
with children and young people directly about which behaviour is okay and
which behaviour is not and why this is the case.
The Flag System uses six criteria for determining which sexual behaviour is (un)acceptable.
Based on these six criteria and using the Developmental Chart the behaviour
is assigned a flag. There are four flags ranging from behaviour that is okay to very seriously
unacceptable behaviour. An educational response is linked to each of the flags.
Drawings and case history help (professional) educators to assess and discuss (unacceptable)
sexual behaviour amongst and with respect to children and young people.
Het bruggesprek. Een opstap naar vormend onderwijs
Onderwijs maakt toekomst en heeft daarom de taak om leerlingen voor te bereiden op een
samenleving die totaal onvoorspelbaar is en voortdurend verandert. Hoe doen leerkrachten
dat?
Bruggesprekken kunnen een aanzet zijn om kinderen te leren naar zichzelf te kijken, om
een beter zelfbeeld te ontwikkelen. Van daaruit kunnen ze stappen zetten naar anderen.
De wereld stopt niet aan de eigen gemeente. Kinderen worden later burgers die hun verantwoordelijkheid
opnemen en hun deel bijdragen om een betere wereld tot stand te brengen.
Bruggesprekken willen dat aanleren door het verbinden van gevoel, verstand en handelen,
vroeger en nu, ik en anderen.
In het bruggesprek is de leerkracht naast deskundige ook mens. Soms vertelt de leerkracht
uit eigen ervaringen, soms geeft hij een persoonlijke kijk of beleving. De leerkracht staat
model als mens. Dit is onderwijs met een visie. Een delicate, maar wezenlijke opdracht.
De vele voorbeelden in dit boek leren leerkrachten het bruggesprek stap voor stap in de
klas toe te passen en hun onderwijs diepgaander en spannender te maken.
Dit boek is bedoeld voor leerkrachten uit het basisonderwijs, maar kan zeker ook gebruikt
worden in het secundair onderwijs.
Wilfried Luyten studeerde in Mechelen voor onderwijzer en volgde daarna pedagogiek in Leuven. Jarenlang leidde hij leerkrachten op voor het basisonderwijs. Nadien bouwde hij het Hoger Instituut voor Opvoedkunde Nieuwland uit, een driejarige opleiding die meesterschap nastreeft voor leerkrachten. Na zijn carrière als docent werkte hij als vrijwilliger in basisscholen in St.-Jans-Molenbeek en Mechelen.
Het bruggesprek. Een opstap naar vormend onderwijs
Onderwijs maakt toekomst en heeft daarom de taak om leerlingen voor te bereiden op een
samenleving die totaal onvoorspelbaar is en voortdurend verandert. Hoe doen leerkrachten
dat?
Bruggesprekken kunnen een aanzet zijn om kinderen te leren naar zichzelf te kijken, om
een beter zelfbeeld te ontwikkelen. Van daaruit kunnen ze stappen zetten naar anderen.
De wereld stopt niet aan de eigen gemeente. Kinderen worden later burgers die hun verantwoordelijkheid
opnemen en hun deel bijdragen om een betere wereld tot stand te brengen.
Bruggesprekken willen dat aanleren door het verbinden van gevoel, verstand en handelen,
vroeger en nu, ik en anderen.
In het bruggesprek is de leerkracht naast deskundige ook mens. Soms vertelt de leerkracht
uit eigen ervaringen, soms geeft hij een persoonlijke kijk of beleving. De leerkracht staat
model als mens. Dit is onderwijs met een visie. Een delicate, maar wezenlijke opdracht.
De vele voorbeelden in dit boek leren leerkrachten het bruggesprek stap voor stap in de
klas toe te passen en hun onderwijs diepgaander en spannender te maken.
Dit boek is bedoeld voor leerkrachten uit het basisonderwijs, maar kan zeker ook gebruikt
worden in het secundair onderwijs.
Wilfried Luyten studeerde in Mechelen voor onderwijzer en volgde daarna pedagogiek in Leuven. Jarenlang leidde hij leerkrachten op voor het basisonderwijs. Nadien bouwde hij het Hoger Instituut voor Opvoedkunde Nieuwland uit, een driejarige opleiding die meesterschap nastreeft voor leerkrachten. Na zijn carrière als docent werkte hij als vrijwilliger in basisscholen in St.-Jans-Molenbeek en Mechelen.
Zonder schulden op de schoolbank.Omgaan met onbetaalde schoolrekening.Een inspiratiegids
Suzy is vorige zomer gescheiden. De drie kinderen, Sofie (13), Lena (10) en
Bas (7) wonen bij hun mama en gaan sporadisch op bezoek bij hun papa,
die vaak in het buitenland is voor zijn werk. Suzy kocht haar man uit en
betaalt nu de lening voor hun woning alleen af. Helaas blijkt al gauw dat
haar inkomen niet volstaat voor de afbetaling én het onderhoud van deze
woning. De rekeningen beginnen zich op te stapelen en er is geen geld
meer voor kledij, uitstapjes of andere leuke dingen. Wanneer Suzy ook de
schoolrekening niet meer kan betalen, is ze zo beschaamd dat ze haar kinderen
alleen naar school stuurt en niet meer naar het oudercontact gaat.
De toenemende armoede heeft een voelbare impact op het onderwijs.
Steeds meer scholen worden geconfronteerd met kinderen die met een
lege maag naar school komen, maar ook met kinderen van zogenaamde
‘nieuwe armen’, die het ooit goed hadden en door ziekte, scheiding
of het verlies van werk plots in armoede zijn beland. Vaak blijven de
schoolrekeningen van deze kinderen onbetaald.
Dit boek biedt heel wat inspiratie en handvatten om een oplossing te
vinden voor scholen, leerlingen en hun ouder(s). Het benadert het
probleem van onbetaalde schoolrekeningen in zijn totaliteit en vanuit
een duidelijke visie. Het biedt inzicht in de redenen waarom ouders de
schoolrekening niet betalen. Je vindt in dit boek ook praktijkvoorbeelden
en werkinstrumenten waar je meteen mee aan de slag kan.
SOS - vzw SOS Schulden Op School gaat uit van het feit dat armoede
een complex gegeven is waarbij verschillende levensdomeinen getroffen
worden, ook onderwijs. Kosten op school kunnen dan ook een
drempel zijn en uitsluiting in de hand werken. Schulden op School
pleit in dit boek voor een menswaardige aanpak van onbetaalde schoolrekeningen.
Zonder schulden op de schoolbank.Omgaan met onbetaalde schoolrekening.Een inspiratiegids
Suzy is vorige zomer gescheiden. De drie kinderen, Sofie (13), Lena (10) en
Bas (7) wonen bij hun mama en gaan sporadisch op bezoek bij hun papa,
die vaak in het buitenland is voor zijn werk. Suzy kocht haar man uit en
betaalt nu de lening voor hun woning alleen af. Helaas blijkt al gauw dat
haar inkomen niet volstaat voor de afbetaling én het onderhoud van deze
woning. De rekeningen beginnen zich op te stapelen en er is geen geld
meer voor kledij, uitstapjes of andere leuke dingen. Wanneer Suzy ook de
schoolrekening niet meer kan betalen, is ze zo beschaamd dat ze haar kinderen
alleen naar school stuurt en niet meer naar het oudercontact gaat.
De toenemende armoede heeft een voelbare impact op het onderwijs.
Steeds meer scholen worden geconfronteerd met kinderen die met een
lege maag naar school komen, maar ook met kinderen van zogenaamde
‘nieuwe armen’, die het ooit goed hadden en door ziekte, scheiding
of het verlies van werk plots in armoede zijn beland. Vaak blijven de
schoolrekeningen van deze kinderen onbetaald.
Dit boek biedt heel wat inspiratie en handvatten om een oplossing te
vinden voor scholen, leerlingen en hun ouder(s). Het benadert het
probleem van onbetaalde schoolrekeningen in zijn totaliteit en vanuit
een duidelijke visie. Het biedt inzicht in de redenen waarom ouders de
schoolrekening niet betalen. Je vindt in dit boek ook praktijkvoorbeelden
en werkinstrumenten waar je meteen mee aan de slag kan.
SOS - vzw SOS Schulden Op School gaat uit van het feit dat armoede
een complex gegeven is waarbij verschillende levensdomeinen getroffen
worden, ook onderwijs. Kosten op school kunnen dan ook een
drempel zijn en uitsluiting in de hand werken. Schulden op School
pleit in dit boek voor een menswaardige aanpak van onbetaalde schoolrekeningen.
De Oorlogsorde der Geneesheren 1941-1944.Beslechting van een broederstrijd.(Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en Gezondheidszorg, nr. 9)
Na de inval van de Duitse legers in mei 1940 legde het militair
bestuur aan de Belgische artsen een reorganisatie van
hun beroepsverenigingen op met vorming van één enkele organisatie.
De bestaande twee grote verenigingen gingen hierop in
maar al spoedig kwamen de communautaire geschillen die hen tijdens
het interbellum hadden verdeeld, aan de oppervlakte. Dit leidde tot een felle
tweestrijd en de oprichting van de Oorlogsorde, waaraan vooral flamingantische
artsen meewerkten. Ze werden wel gesteund door een aantal Waalse
artsen. De Oorlogsorde werd van nabij gecontroleerd door het Duitse militaire
bestuur en door het Belgische ministerie dat geleid werd door een
secretaris-generaal. Na haar oprichting poogde de Oorlogsorde de geneeskunde
en de volksgezondheid onder haar controle te brengen en te reorganiseren.
Ze kwam daarbij niet alleen in conflict met een belangrijk deel
van de Belgische artsen maar werd ook betrokken bij maatregelen die van
de bezetter uitgingen. Dit is haar leiders na de bezetting zwaar aangerekend
geweest. Het einde van de oorlog bracht niet alleen het verdwijnen van de
Oorlogsorde mee maar luidde tevens een nieuw tijdperk in de aanpak van de
volksgezondheid in België in.
Dit boek beschrijft het verloop van de gebeurtenissen. Gevoelige en controversiële
thema’s, zoals de soms betwistbare houding van de tegenstanders
van de Oorlogsorde, de mogelijke collaboratie met de bezetter, de radicale
houding van sommige bestuurders of de verhouding met de joodse artsen,
worden geenszins uit de weg gegaan. De auteur is er zich ten volle van
bewust hoe, meer dan 70 jaar na de feiten, deze aspecten nog bijzonder
gevoelig liggen.
>> Intekenen op de reeks (20% korting op dit en alle toekomstige delen)
Prof. em. dr. Karel J. Van Acker, doctor in de genees-, heel- en verloskunde en geneesheer-specialist in de kindergeneeskunde, werkte als gewoon hoogleraar kindergeneeskunde aan de Universiteit Antwerpen. Hij was ook diensthoofd van de afdeling kindergeneeskunde aan het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen.
De Oorlogsorde der Geneesheren 1941-1944.Beslechting van een broederstrijd.(Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en Gezondheidszorg, nr. 9)
Na de inval van de Duitse legers in mei 1940 legde het militair
bestuur aan de Belgische artsen een reorganisatie van
hun beroepsverenigingen op met vorming van één enkele organisatie.
De bestaande twee grote verenigingen gingen hierop in
maar al spoedig kwamen de communautaire geschillen die hen tijdens
het interbellum hadden verdeeld, aan de oppervlakte. Dit leidde tot een felle
tweestrijd en de oprichting van de Oorlogsorde, waaraan vooral flamingantische
artsen meewerkten. Ze werden wel gesteund door een aantal Waalse
artsen. De Oorlogsorde werd van nabij gecontroleerd door het Duitse militaire
bestuur en door het Belgische ministerie dat geleid werd door een
secretaris-generaal. Na haar oprichting poogde de Oorlogsorde de geneeskunde
en de volksgezondheid onder haar controle te brengen en te reorganiseren.
Ze kwam daarbij niet alleen in conflict met een belangrijk deel
van de Belgische artsen maar werd ook betrokken bij maatregelen die van
de bezetter uitgingen. Dit is haar leiders na de bezetting zwaar aangerekend
geweest. Het einde van de oorlog bracht niet alleen het verdwijnen van de
Oorlogsorde mee maar luidde tevens een nieuw tijdperk in de aanpak van de
volksgezondheid in België in.
Dit boek beschrijft het verloop van de gebeurtenissen. Gevoelige en controversiële
thema’s, zoals de soms betwistbare houding van de tegenstanders
van de Oorlogsorde, de mogelijke collaboratie met de bezetter, de radicale
houding van sommige bestuurders of de verhouding met de joodse artsen,
worden geenszins uit de weg gegaan. De auteur is er zich ten volle van
bewust hoe, meer dan 70 jaar na de feiten, deze aspecten nog bijzonder
gevoelig liggen.
>> Intekenen op de reeks (20% korting op dit en alle toekomstige delen)
Prof. em. dr. Karel J. Van Acker, doctor in de genees-, heel- en verloskunde en geneesheer-specialist in de kindergeneeskunde, werkte als gewoon hoogleraar kindergeneeskunde aan de Universiteit Antwerpen. Hij was ook diensthoofd van de afdeling kindergeneeskunde aan het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen.
De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat
Nathalie Fanoy studeerde Nederlands recht aan de rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Leiden. Van 1991 tot 2004 was zij werkzaam als advocaat. Haar promotieonderzoek verrichtte zij aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam.
De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat
Nathalie Fanoy studeerde Nederlands recht aan de rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Leiden. Van 1991 tot 2004 was zij werkzaam als advocaat. Haar promotieonderzoek verrichtte zij aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam.
Macht en slavernij. En verzet,bevrijding en vrijheid (Cahiers Campus Gelbergen Nr.7)
De meest uitgesproken vorm van negatief, vaak gewelddadige dwang
en bevel, is slavernij. Meestal als minderwaardig voorgestelde mensen
worden hier volledig onderworpen aan de absolute en willekeurige
despotie van een heer. Deze verslavingsmacht kan echter ook positief
uitpakken en leiden tot een merkwaardige verstrengeling van
onderworpenheid, overgave en zich vrij werken. Juist bij slavernij zijn
verzet en bevrijding het meest ondubbelzinnig aan het werk als ‘tegen
de macht in werkende handelingen’.
In de wereld van nu is slavernij verboden en zijn alle mensen tot
vrij geboren, gelijke en gelijkwaardige leden van de mensenfamilie
‘verklaard’. Betekent dit dat macht en slavernij verdwenen zijn? Of
tenminste, dat zij veranderd zijn in een vrij en ongedwongen omgaan,
samenleven en samenwerken met elkaar? Of is er geen spat veranderd?
Machiel Karskens is emeritus hoogleraar in de sociale en politieke wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn publicaties gaan over vreemdelingen, de civil society, macht en waarheidspreken bij Michel Foucault.
Macht en slavernij. En verzet,bevrijding en vrijheid (Cahiers Campus Gelbergen Nr.7)
De meest uitgesproken vorm van negatief, vaak gewelddadige dwang
en bevel, is slavernij. Meestal als minderwaardig voorgestelde mensen
worden hier volledig onderworpen aan de absolute en willekeurige
despotie van een heer. Deze verslavingsmacht kan echter ook positief
uitpakken en leiden tot een merkwaardige verstrengeling van
onderworpenheid, overgave en zich vrij werken. Juist bij slavernij zijn
verzet en bevrijding het meest ondubbelzinnig aan het werk als ‘tegen
de macht in werkende handelingen’.
In de wereld van nu is slavernij verboden en zijn alle mensen tot
vrij geboren, gelijke en gelijkwaardige leden van de mensenfamilie
‘verklaard’. Betekent dit dat macht en slavernij verdwenen zijn? Of
tenminste, dat zij veranderd zijn in een vrij en ongedwongen omgaan,
samenleven en samenwerken met elkaar? Of is er geen spat veranderd?
Machiel Karskens is emeritus hoogleraar in de sociale en politieke wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn publicaties gaan over vreemdelingen, de civil society, macht en waarheidspreken bij Michel Foucault.
Sociaal Werk. De studie en het beroep
Het sociaal werk is een dynamische, ondernemende sector. Dat is ook nodig in een
samenleving die snel verandert, waar sociale problemen een weerbarstig karakter
hebben en nieuwe uitdagingen voortdurend opduiken. Tegelijk staat het sociaal werk
onder druk. Vermarkting, vermaatschappelijking, globalisering, individualisering enz. zijn
evoluties die vragen naar een stevige positionering van het sociaal werk. Het streven
naar een rechtvaardige samenleving, naar duurzame oplossingen voor sociale kwesties
en het zoeken naar krachtige vormen van empowerment en emancipatie blijven ook in
deze turbulente context de ambities van sociaal werkers. Al deze vragen en uitdagingen
dagen de opleiding sociaal werk voortdurend uit om te zoeken naar sterk onderwijs om
de toekomstige sociaal werker optimaal aan de startlijn van de beroepsuitoefening te
krijgen.
In dit boek verhelderen lectoren en opleidingsverantwoordelijken hoe die opleiding een
bijdrage levert tot de positionering, profilering en professionalisering van het sociaal
werk en de sociaal werker.
Peter Wouters is sociaal werker en master in het sociaal werk en sociaal beleid. Tot 2017
was hij praktijklector en opleidingshoofd sociaal werk aan de Sociale School Heverlee
van de UC Leuven-Limburg. Sinds 2017 is hij algemeen voorzitter van beweging.net.
Gunter Gehre is sociaal pedagoog en doctor in de pedagogische wetenschappen. Hij
is lector en teamleider sociaal werk aan dezelfde opleiding en docent aan het CVO –
Centrum Voor Volwassenenonderwijs op dezelfde campus.
Sociaal Werk. De studie en het beroep
Het sociaal werk is een dynamische, ondernemende sector. Dat is ook nodig in een
samenleving die snel verandert, waar sociale problemen een weerbarstig karakter
hebben en nieuwe uitdagingen voortdurend opduiken. Tegelijk staat het sociaal werk
onder druk. Vermarkting, vermaatschappelijking, globalisering, individualisering enz. zijn
evoluties die vragen naar een stevige positionering van het sociaal werk. Het streven
naar een rechtvaardige samenleving, naar duurzame oplossingen voor sociale kwesties
en het zoeken naar krachtige vormen van empowerment en emancipatie blijven ook in
deze turbulente context de ambities van sociaal werkers. Al deze vragen en uitdagingen
dagen de opleiding sociaal werk voortdurend uit om te zoeken naar sterk onderwijs om
de toekomstige sociaal werker optimaal aan de startlijn van de beroepsuitoefening te
krijgen.
In dit boek verhelderen lectoren en opleidingsverantwoordelijken hoe die opleiding een
bijdrage levert tot de positionering, profilering en professionalisering van het sociaal
werk en de sociaal werker.
Peter Wouters is sociaal werker en master in het sociaal werk en sociaal beleid. Tot 2017
was hij praktijklector en opleidingshoofd sociaal werk aan de Sociale School Heverlee
van de UC Leuven-Limburg. Sinds 2017 is hij algemeen voorzitter van beweging.net.
Gunter Gehre is sociaal pedagoog en doctor in de pedagogische wetenschappen. Hij
is lector en teamleider sociaal werk aan dezelfde opleiding en docent aan het CVO –
Centrum Voor Volwassenenonderwijs op dezelfde campus.
Partnerstigma bij extrafamiliaal pedoseksueel misbruik. Een kwalitatief onderzoek (Gandaius Meesterlijk 7)
Onderzoek naar daders en slachtoffers van
extrafamiliaal pedoseksueel misbruik is, ook
in Vlaanderen, behoorlijk gevorderd. Reële
onderzoeksinteresse naar partners of expartners,
als dichtste naasten van daders, bleef
tot dusver evenwel uit, zelfs internationaal.
Nochtans zijn zij misschien de verborgen slachtoffers.
De omvang van de stigmatisering die zij ervaren, blijkt verrassend
groot, en de maatschappelijke assimilatie met de door hun (ex-)
partners gepleegde feiten vrijwel totaal. Ook zelfstigma blijkt
systematisch voorhanden. Partners en ex-partners voelen zich niet
gehoord en ervaren belangrijke drempels naar en in de hulpverlening.
“Dominique Scappini levert met haar kwalitatieve studie
naar stigmatisering van partners van extrafamiliale pedoseksuele
misdrijfplegers een belangrijke bijdrage aan het doorbreken van een
taboe dat vooralsnog zowel maatschappelijk als wetenschappelijk
onderbelicht bleef.” - Prof. Dr. Gert Vermeulen
Gandaius Meesterlijk:
- Seksueel partnergeweld in Vlaanderen. Een belevingsstudie
S. Vandecapelle - Straatkinderen (bashege) in Kinshasa. Structureel geweld versus agency
M. Hendriks - Private en commerciële veiligheidszorg in België. Een historisch-criminologisch onderzoek (1870-1934)
P. Leloup - Schadebeperkende maatregelen voor de stad Gent. Een onderzoek naar de lokale noden en prioriteiten
L. Favril, F. Vander Laenen & T. Decorte - Perceiving crime as alternative? A randomized scenario study
B. Van Damme & L. Pauwels - Socialisatie, morele emoties en morele normen. Een empirisch onderzoek vanuit een geïntegreerd perspectief
A. De Buck, L. Pauwels
Partnerstigma bij extrafamiliaal pedoseksueel misbruik. Een kwalitatief onderzoek (Gandaius Meesterlijk 7)
Onderzoek naar daders en slachtoffers van
extrafamiliaal pedoseksueel misbruik is, ook
in Vlaanderen, behoorlijk gevorderd. Reële
onderzoeksinteresse naar partners of expartners,
als dichtste naasten van daders, bleef
tot dusver evenwel uit, zelfs internationaal.
Nochtans zijn zij misschien de verborgen slachtoffers.
De omvang van de stigmatisering die zij ervaren, blijkt verrassend
groot, en de maatschappelijke assimilatie met de door hun (ex-)
partners gepleegde feiten vrijwel totaal. Ook zelfstigma blijkt
systematisch voorhanden. Partners en ex-partners voelen zich niet
gehoord en ervaren belangrijke drempels naar en in de hulpverlening.
“Dominique Scappini levert met haar kwalitatieve studie
naar stigmatisering van partners van extrafamiliale pedoseksuele
misdrijfplegers een belangrijke bijdrage aan het doorbreken van een
taboe dat vooralsnog zowel maatschappelijk als wetenschappelijk
onderbelicht bleef.” - Prof. Dr. Gert Vermeulen
Gandaius Meesterlijk:
- Seksueel partnergeweld in Vlaanderen. Een belevingsstudie
S. Vandecapelle - Straatkinderen (bashege) in Kinshasa. Structureel geweld versus agency
M. Hendriks - Private en commerciële veiligheidszorg in België. Een historisch-criminologisch onderzoek (1870-1934)
P. Leloup - Schadebeperkende maatregelen voor de stad Gent. Een onderzoek naar de lokale noden en prioriteiten
L. Favril, F. Vander Laenen & T. Decorte - Perceiving crime as alternative? A randomized scenario study
B. Van Damme & L. Pauwels - Socialisatie, morele emoties en morele normen. Een empirisch onderzoek vanuit een geïntegreerd perspectief
A. De Buck, L. Pauwels

