Van De Stijl en Het Overzicht tot De Driehoek. Belgisch-Nederlandse netwerken in het modernistische interbellum.
Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden er interessante Belgisch- Nederlandse netwerken van modernistische kunstenaars, onder wie Theo van Doesburg, J.J.P. Oud, Jozef Peeters en Michel Seuphor. Zij werkten samen in gemeenschappelijke projecten, bespraken elkaars werk in de ter beschikking staande media en construeerden zo hun reputaties. Uiteraard ook door te intrigeren, door werk te antedateren, door te roddelen en elkaar vliegen af te vangen.
Theo van Doesburg was in al deze strategieën zeer gehaaid en verschool zich zelfs bij gelegenheid achter een destijds niet bekende alter ego als I.K. Bonset. Maar ook de Antwerpenaren Peeters en Seuphor, redacteuren van het tijdschrift Het Overzicht, lieten zich niet onbetuigd om de steun te winnen van onder anderen Paul van Ostaijen, Carel Willink, E. du Perron, Wobbe Alkema en diens collega’s bij de Groninger Kunstkring De Ploeg. De oprichting van de tijdschriften De Driehoek en later Avontuur zijn het resultaat van deze coöperatie. Ook andere samenwerkingsverbanden komen aan de orde, zoals de relatie tussen Charley Toorop en de Brusselse kunsthandel Sélection.
Door de vele citaten uit brieven en essays brengt van dit boek de bijzondere en dynamische
wereld van het modernistische interbellum tot leven.
Sjoerd van Faassen is werkzaam bij het Letterkundig Museum
in Den Haag en is ook redacteur van het literair-historische
tijdschrift Zacht Lawijd.
August Hans den Boef was tot voor kort werkzaam aan de
Hogeschool van Amsterdam. In Nederlandse en Vlaamse
tijdschriften verschijnen geregeld bijdragen van zijn hand
over moderne literatuur en geschiedenis, politiek en religie,
en popmuziek.
Van De Stijl en Het Overzicht tot De Driehoek. Belgisch-Nederlandse netwerken in het modernistische interbellum.
Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden er interessante Belgisch- Nederlandse netwerken van modernistische kunstenaars, onder wie Theo van Doesburg, J.J.P. Oud, Jozef Peeters en Michel Seuphor. Zij werkten samen in gemeenschappelijke projecten, bespraken elkaars werk in de ter beschikking staande media en construeerden zo hun reputaties. Uiteraard ook door te intrigeren, door werk te antedateren, door te roddelen en elkaar vliegen af te vangen.
Theo van Doesburg was in al deze strategieën zeer gehaaid en verschool zich zelfs bij gelegenheid achter een destijds niet bekende alter ego als I.K. Bonset. Maar ook de Antwerpenaren Peeters en Seuphor, redacteuren van het tijdschrift Het Overzicht, lieten zich niet onbetuigd om de steun te winnen van onder anderen Paul van Ostaijen, Carel Willink, E. du Perron, Wobbe Alkema en diens collega’s bij de Groninger Kunstkring De Ploeg. De oprichting van de tijdschriften De Driehoek en later Avontuur zijn het resultaat van deze coöperatie. Ook andere samenwerkingsverbanden komen aan de orde, zoals de relatie tussen Charley Toorop en de Brusselse kunsthandel Sélection.
Door de vele citaten uit brieven en essays brengt van dit boek de bijzondere en dynamische
wereld van het modernistische interbellum tot leven.
Sjoerd van Faassen is werkzaam bij het Letterkundig Museum
in Den Haag en is ook redacteur van het literair-historische
tijdschrift Zacht Lawijd.
August Hans den Boef was tot voor kort werkzaam aan de
Hogeschool van Amsterdam. In Nederlandse en Vlaamse
tijdschriften verschijnen geregeld bijdragen van zijn hand
over moderne literatuur en geschiedenis, politiek en religie,
en popmuziek.
De ‘grootste herinnering’ aan Laren: Brieven van Floris Jespers aan Roosje van Lelyveld – Themanummer Zacht Lawijd, jg. 10 nr. 4
Tijdens het bombardement op Antwerpen vlucht Jespers, wiens schilderscarrière net aardig op dreef begint te raken, naar Nederland. Hij logeert bij de schilder Evert Pieters, een studievriend van zijn vader. Nadat de situatie in België enigszins gestabiliseerd lijkt, keert Jespers eind oktober 1914 terug naar Antwerpen. Jespers probeert met brieven het contact met Roosje voort te zetten. Niets, zelfs niet haar eigen dagboek, brengt ons zo dicht bij de jonge Roosje als de brieven die Jespers haar in het najaar van 1914 en het begin van 1915 heeft gestuurd.
Jespers’ correspondentie met haar is doortrokken van gruwelijke oorlogsverhalen, maar telkens komt hij als contrast terug op ‘die mooie, korte, maar zoo schoone tijd bij Mr. Pieters doorgebracht’ en ‘de gulle ontvangsten’ bij Roosje thuis. Dan herinnert hij zich ook Roosje: ‘op de groote lange ateliersofa uzelf, met donker kleed, en geribd velouren, vaal garancekleurig lijfje, de handen zaamgevouwen op de overeengelegde knieën en de haren als groote juff er opgedaan, in druk gesprek over schilders. Dien avond was voor mij heerlijk, veel te gauw voorbij.’
Het is duidelijk, Floris is tijdens zijn verblijf als een blok gevallen voor Roosje. En hoewel hij Roosje na zijn terugkeer naar Antwerpen nog een enkele keer gezien heeft, is er geen reactie bekend van Roosje op Jespers’ verwoede pogingen hun contact te continueren.
In zijn laatste brief schrijft hij bijna smekend: ‘Denkt je soms wel eens op ons. Voor mij blijven dat eeuwige herinneringen. Mag ik je vragen soms eens te schrijven, wat mij verschrikkelijk veel genoegen zou doen. Wil je?’ Jespers zal een van de bekendste Vlaamse avant-gardekunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw worden, maar in 1914 staat hij nog aan het begin van zijn carrière. Zijn stormachtige ontwikkeling als schilder heeft Roosje niet van nabij kunnen meemaken. Maar zij is tijdens een cruciale periode in Jespers’ leven wel degelijk een soort muze voor hem geweest.
De ‘grootste herinnering’ aan Laren: Brieven van Floris Jespers aan Roosje van Lelyveld – Themanummer Zacht Lawijd, jg. 10 nr. 4
Tijdens het bombardement op Antwerpen vlucht Jespers, wiens schilderscarrière net aardig op dreef begint te raken, naar Nederland. Hij logeert bij de schilder Evert Pieters, een studievriend van zijn vader. Nadat de situatie in België enigszins gestabiliseerd lijkt, keert Jespers eind oktober 1914 terug naar Antwerpen. Jespers probeert met brieven het contact met Roosje voort te zetten. Niets, zelfs niet haar eigen dagboek, brengt ons zo dicht bij de jonge Roosje als de brieven die Jespers haar in het najaar van 1914 en het begin van 1915 heeft gestuurd.
Jespers’ correspondentie met haar is doortrokken van gruwelijke oorlogsverhalen, maar telkens komt hij als contrast terug op ‘die mooie, korte, maar zoo schoone tijd bij Mr. Pieters doorgebracht’ en ‘de gulle ontvangsten’ bij Roosje thuis. Dan herinnert hij zich ook Roosje: ‘op de groote lange ateliersofa uzelf, met donker kleed, en geribd velouren, vaal garancekleurig lijfje, de handen zaamgevouwen op de overeengelegde knieën en de haren als groote juff er opgedaan, in druk gesprek over schilders. Dien avond was voor mij heerlijk, veel te gauw voorbij.’
Het is duidelijk, Floris is tijdens zijn verblijf als een blok gevallen voor Roosje. En hoewel hij Roosje na zijn terugkeer naar Antwerpen nog een enkele keer gezien heeft, is er geen reactie bekend van Roosje op Jespers’ verwoede pogingen hun contact te continueren.
In zijn laatste brief schrijft hij bijna smekend: ‘Denkt je soms wel eens op ons. Voor mij blijven dat eeuwige herinneringen. Mag ik je vragen soms eens te schrijven, wat mij verschrikkelijk veel genoegen zou doen. Wil je?’ Jespers zal een van de bekendste Vlaamse avant-gardekunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw worden, maar in 1914 staat hij nog aan het begin van zijn carrière. Zijn stormachtige ontwikkeling als schilder heeft Roosje niet van nabij kunnen meemaken. Maar zij is tijdens een cruciale periode in Jespers’ leven wel degelijk een soort muze voor hem geweest.




