Filter
Quick View
Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen

Jeugd- en gezinsbeleid – Deel 1 – Theorie en achtergronden

 12,40
In Jeugd- en gezinsbeleid vanuit pedagogisch perspectief wordt gezinsbeleid benaderd vanuit een (ortho)pedagogische invalshoek en vanuit de pedagogische opdracht van de samenleving. De auteurs pleiten ervoor om in beleidsafwegingen de totale persoon-in-wording van het kind en de jeugdige centraal te stellen.

In Deel 1: Theorie en achtergronden worden een viertal beleidsbenaderingen behandeld vanuit een pedagogisch perspectief. Het gaat concreet om de repressieve benadering, de restauratieve benadering, de risicofactorenbenadering en de ontwikkelingspedagogische benadering, die telkens vanuit theorie en praktijk worden toegelicht. Er wordt ook gereflecteerd over een definitie van het gezin in zijn diversiteit. Een afbakening van het begrip gezin is noodzakelijk voor een systematisch en constructief jeugd- en gezinsbeleid.

Dit boek kadert in een drieluik. In Deel 2: Uitgewerkte beleidsthema’s worden concrete beleidsthema’s op het snijvlak van jeugd-, gezins- en onderwijsbeleid verder uitgediept met behulp van onderzoeksresultaten, beleidsnota’s en praktijksituaties in de jeugdzorg. Deel 3: Verwerkingsopdrachten is een boek met werk- en studieopdrachten met bijbehorende literatuursuggesties. Deze themaopdrachten zijn geschikt voor individuele verwerking en uitdieping, maar ook voor verwerking in beleidswerkgroepen of -workshops. Deze publicaties maken jeugd- en gezinsbeleidsvraagstukken toegankelijk voor een breed publiek, en bieden handvatten voor professionals werkzaam bij gemeentelijke, provinciale en landelijke beleidsorganen. Ze zijn ook een onmisbaar handboek voor de professional in opleiding op universiteit en hogeschool.

Jan R.M. Gerris is hoogleraar Gezinspedagogiek aan de afdeling Orthopedagogiek: Gezin en gedrag van de Radboud Universiteit in Nijmegen en was mede-oprichter en eerste president van de European Society on Family Relations (ESFR).
Jan Willem Veerman is bijzonder hoogleraar Speciale Kinder- en Jeugdzorg aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en directeur van Praktikon, een organisatie voor onderzoek en ontwikkeling in de jeugdzorg.
Dr. Agnes Tellings is universitair docent en onderzoeker aan de afdeling Orthopedagogiek: Leren & Ontwikkeling van de Radboud Universiteit Nijmegen, en aan het aldaar gevestigde onderzoeksinstituut Behavioural Science Institute (BSI).

Quick View

Jeugd- en gezinsbeleid – Deel 1 – Theorie en achtergronden

 12,40
In Jeugd- en gezinsbeleid vanuit pedagogisch perspectief wordt gezinsbeleid benaderd vanuit een (ortho)pedagogische invalshoek en vanuit de pedagogische opdracht van de samenleving. De auteurs pleiten ervoor om in beleidsafwegingen de totale persoon-in-wording van het kind en de jeugdige centraal te stellen.

In Deel 1: Theorie en achtergronden worden een viertal beleidsbenaderingen behandeld vanuit een pedagogisch perspectief. Het gaat concreet om de repressieve benadering, de restauratieve benadering, de risicofactorenbenadering en de ontwikkelingspedagogische benadering, die telkens vanuit theorie en praktijk worden toegelicht. Er wordt ook gereflecteerd over een definitie van het gezin in zijn diversiteit. Een afbakening van het begrip gezin is noodzakelijk voor een systematisch en constructief jeugd- en gezinsbeleid.

Dit boek kadert in een drieluik. In Deel 2: Uitgewerkte beleidsthema’s worden concrete beleidsthema’s op het snijvlak van jeugd-, gezins- en onderwijsbeleid verder uitgediept met behulp van onderzoeksresultaten, beleidsnota’s en praktijksituaties in de jeugdzorg. Deel 3: Verwerkingsopdrachten is een boek met werk- en studieopdrachten met bijbehorende literatuursuggesties. Deze themaopdrachten zijn geschikt voor individuele verwerking en uitdieping, maar ook voor verwerking in beleidswerkgroepen of -workshops. Deze publicaties maken jeugd- en gezinsbeleidsvraagstukken toegankelijk voor een breed publiek, en bieden handvatten voor professionals werkzaam bij gemeentelijke, provinciale en landelijke beleidsorganen. Ze zijn ook een onmisbaar handboek voor de professional in opleiding op universiteit en hogeschool.

Jan R.M. Gerris is hoogleraar Gezinspedagogiek aan de afdeling Orthopedagogiek: Gezin en gedrag van de Radboud Universiteit in Nijmegen en was mede-oprichter en eerste president van de European Society on Family Relations (ESFR).
Jan Willem Veerman is bijzonder hoogleraar Speciale Kinder- en Jeugdzorg aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en directeur van Praktikon, een organisatie voor onderzoek en ontwikkeling in de jeugdzorg.
Dr. Agnes Tellings is universitair docent en onderzoeker aan de afdeling Orthopedagogiek: Leren & Ontwikkeling van de Radboud Universiteit Nijmegen, en aan het aldaar gevestigde onderzoeksinstituut Behavioural Science Institute (BSI).

Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen
Quick View
Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen

Het morele brein. Een geschiedenis over de plaats van de moraal in onze hersenen

 36,00
Vanaf het einde van de achttiende eeuw speculeren medische wetenschappers over het bestaan van een `moreel orgaan'' of een `ethisch centrum'' in het brein. Aangemoedigd door medische ontdekkingen, opmerkelijke klinische casussen of mentale aandoeningen en nieuwe technologieën hadden zelfs vooraanstaande neurowetenschappers, waaronder Paul Flechsig, Arthur Van Gehuchten en Oskar Vogt, de ambitie om moraliteit in het menselijk brein te lokaliseren. In hun publicaties leest men allerlei ernstige voorstellen. Niettemin was die hele onderneming ook onderwerp van spot. Critici vonden dit een frenologische droom die tot mislukken was gedoemd. Zij noemden die pogingen belachelijk, grotesk of tijdverlies. Het ganse project getuigde van wetenschappelijke onbekwaamheid.

Vandaag is het onderzoek naar het morele brein terug. Op dit ogenblik brengen specialisten wereldwijd met behulp van nieuwe beeldtechnieken hersenprocessen in kaart die ze verantwoordelijk achten voor het opwekken van morele gevoelens, het verwerven van sociale kennis of het totstandkomen van antisociaal gedrag. Momenteel weet niemand welke richting dit onderzoek uitgaat. Volgt er opnieuw een ontgoocheling of volgt er een echte doorbraak waardoor menselijke moraliteit in de toekomst een medisch manipuleerbaar verschijnsel wordt?

Dit boek brengt de geschiedenis van de zoektocht naar de plaats van de moraal tussen 1800 en 1930. Deze studie vertelt over hoe het oude geweten een moreel zintuig werd en plaatst de vaak verrassende lokalisaties van onze moraal in hun historische context. Dit boek handelt over de soms nauwe grens tussen wetenschap en sciencefiction in een project dat lang vergeten onderzoekers deed en eigentijdse nog steeds doet dromen.



Jan Verplaetse, moraalfilosoof en doctor-assistent bij de vakgroep Grondslagen en Geschiedenis van het Recht (Universiteit Gent). Hij leidt er de onderzoeksgroep The Moral Brain.

Quick View

Het morele brein. Een geschiedenis over de plaats van de moraal in onze hersenen

 36,00
Vanaf het einde van de achttiende eeuw speculeren medische wetenschappers over het bestaan van een `moreel orgaan'' of een `ethisch centrum'' in het brein. Aangemoedigd door medische ontdekkingen, opmerkelijke klinische casussen of mentale aandoeningen en nieuwe technologieën hadden zelfs vooraanstaande neurowetenschappers, waaronder Paul Flechsig, Arthur Van Gehuchten en Oskar Vogt, de ambitie om moraliteit in het menselijk brein te lokaliseren. In hun publicaties leest men allerlei ernstige voorstellen. Niettemin was die hele onderneming ook onderwerp van spot. Critici vonden dit een frenologische droom die tot mislukken was gedoemd. Zij noemden die pogingen belachelijk, grotesk of tijdverlies. Het ganse project getuigde van wetenschappelijke onbekwaamheid.

Vandaag is het onderzoek naar het morele brein terug. Op dit ogenblik brengen specialisten wereldwijd met behulp van nieuwe beeldtechnieken hersenprocessen in kaart die ze verantwoordelijk achten voor het opwekken van morele gevoelens, het verwerven van sociale kennis of het totstandkomen van antisociaal gedrag. Momenteel weet niemand welke richting dit onderzoek uitgaat. Volgt er opnieuw een ontgoocheling of volgt er een echte doorbraak waardoor menselijke moraliteit in de toekomst een medisch manipuleerbaar verschijnsel wordt?

Dit boek brengt de geschiedenis van de zoektocht naar de plaats van de moraal tussen 1800 en 1930. Deze studie vertelt over hoe het oude geweten een moreel zintuig werd en plaatst de vaak verrassende lokalisaties van onze moraal in hun historische context. Dit boek handelt over de soms nauwe grens tussen wetenschap en sciencefiction in een project dat lang vergeten onderzoekers deed en eigentijdse nog steeds doet dromen.



Jan Verplaetse, moraalfilosoof en doctor-assistent bij de vakgroep Grondslagen en Geschiedenis van het Recht (Universiteit Gent). Hij leidt er de onderzoeksgroep The Moral Brain.

Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen
Quick View
Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen

Iedereen is anders. Kwaliteitscriteria van inclusief onderwijs

 19,00
Wat is goed onderwijs? Leraren, politici, beleidsmakers en ouders hebben ieder hun eigen mening over de criteria die de kwaliteit van een school bepalen. Voor het eerst is nu ook de groep om wie het gaat om hun mening gevraagd. Tienduizend leerlingen van 4 tot 18 jaar uit alle vormen van onderwijs hebben zich in open interviews uitgesproken over inclusief onderwijs. Bureau WESP heeft daar kwaliteitscriteria uit gedestilleerd, die scholen als meetlat kunnen benutten naast bestaande toetsingsinstrumenten.

Ze bieden nieuwe en verrassende invalshoeken. Waar ouders en professionals bovenal hechten aan een school waar leerlingen met een handicap of beperking ‘welkom’ zijn en ‘erbij’ mogen horen, maken leerlingen helemaal geen onderscheid in groepen. Ze hechten minder aan veiligheid, faciliteiten en voorzieningen, maar des te meer aan schoolcultuur en diversiteit van onderwijs.

Wie met de criteria aan de slag gaat, is op weg naar een antwoord op passend onderwijs pur sang en op actuele knelpunten als demotivatie, uitval, onderpresteren en onvoldoende aansluiting op vervolgonderwijs.

‘Dit boek is verplichte kost voor iedereen die bezig is met passend onderwijs, inclusief onderwijs of die met een nieuwe blik naar de kwaliteit van onderwijs wil kijken’ (CG-raad).

Quick View

Iedereen is anders. Kwaliteitscriteria van inclusief onderwijs

 19,00
Wat is goed onderwijs? Leraren, politici, beleidsmakers en ouders hebben ieder hun eigen mening over de criteria die de kwaliteit van een school bepalen. Voor het eerst is nu ook de groep om wie het gaat om hun mening gevraagd. Tienduizend leerlingen van 4 tot 18 jaar uit alle vormen van onderwijs hebben zich in open interviews uitgesproken over inclusief onderwijs. Bureau WESP heeft daar kwaliteitscriteria uit gedestilleerd, die scholen als meetlat kunnen benutten naast bestaande toetsingsinstrumenten.

Ze bieden nieuwe en verrassende invalshoeken. Waar ouders en professionals bovenal hechten aan een school waar leerlingen met een handicap of beperking ‘welkom’ zijn en ‘erbij’ mogen horen, maken leerlingen helemaal geen onderscheid in groepen. Ze hechten minder aan veiligheid, faciliteiten en voorzieningen, maar des te meer aan schoolcultuur en diversiteit van onderwijs.

Wie met de criteria aan de slag gaat, is op weg naar een antwoord op passend onderwijs pur sang en op actuele knelpunten als demotivatie, uitval, onderpresteren en onvoldoende aansluiting op vervolgonderwijs.

‘Dit boek is verplichte kost voor iedereen die bezig is met passend onderwijs, inclusief onderwijs of die met een nieuwe blik naar de kwaliteit van onderwijs wil kijken’ (CG-raad).

Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen
Quick View
Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen

Met een dubbele lus. Prikkelend nadenken over Sociaal Werk

 27,90
Elk vak hee zijn eigen trends, zijn eigenheden, zijn onwrikbare principes. Dat is in de sector van het Sociaal Werk niet anders. Maar zijn die trends en principes wel juist of betrouwbaar? Werken ze optimaal? Blijven ze up-to-date in een steeds weer veranderende maatschappij?
Dit boek legt deze en andere vragen voor aan sociaal werkers en anderen, om hen te prikkelen tot nadenken en doordenken. Docenten, praktijkwerkers en academici maken in dit boek kanttekeningen bij trends in het Sociaal Werk en verruimen inzichten en perspectieven op professioneel handelen. Het biedt naast blikopeners ook concrete handvatten. De rode draad van de bijdragen is de kracht van verbinding. Theorievorming in het Sociaal Werk, ‘evidence based practice’: de ziel van de stiel, actief burgerschap, vraaggericht werken, bindkracht en sociale leerprocessen zijn slechts enkele van de thema’s die aan bod komen. De auteurs en de redactie nemen doordachte en uitdagende standpunten in, maar laten het laatste woord aan de lezer. Een waardevolle inspiratiebron voor professionals, beleidsmakers en studenten die buiten de dagelijkse lijntjes willen en durven denken en kleuren.

Jan Brodala, Aleidis Devillé en Gie Van den Eeckhaut doceren aan het Departement Sociaal Werk van de Katholieke Hogeschool Kempen in Geel. Guido Cuyvers is er departementshoofd.

Quick View

Met een dubbele lus. Prikkelend nadenken over Sociaal Werk

 27,90
Elk vak hee zijn eigen trends, zijn eigenheden, zijn onwrikbare principes. Dat is in de sector van het Sociaal Werk niet anders. Maar zijn die trends en principes wel juist of betrouwbaar? Werken ze optimaal? Blijven ze up-to-date in een steeds weer veranderende maatschappij?
Dit boek legt deze en andere vragen voor aan sociaal werkers en anderen, om hen te prikkelen tot nadenken en doordenken. Docenten, praktijkwerkers en academici maken in dit boek kanttekeningen bij trends in het Sociaal Werk en verruimen inzichten en perspectieven op professioneel handelen. Het biedt naast blikopeners ook concrete handvatten. De rode draad van de bijdragen is de kracht van verbinding. Theorievorming in het Sociaal Werk, ‘evidence based practice’: de ziel van de stiel, actief burgerschap, vraaggericht werken, bindkracht en sociale leerprocessen zijn slechts enkele van de thema’s die aan bod komen. De auteurs en de redactie nemen doordachte en uitdagende standpunten in, maar laten het laatste woord aan de lezer. Een waardevolle inspiratiebron voor professionals, beleidsmakers en studenten die buiten de dagelijkse lijntjes willen en durven denken en kleuren.

Jan Brodala, Aleidis Devillé en Gie Van den Eeckhaut doceren aan het Departement Sociaal Werk van de Katholieke Hogeschool Kempen in Geel. Guido Cuyvers is er departementshoofd.

Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen
Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)
Quick View
Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen

Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)

 21,50
Luisteren en kijken zijn essentiële bouwstenen van het psychoanalytisch werk rondom baby’s en hun vroegste interacties. Psychoanalytisch werk met volwassenen is sterk gecentreerd rondom het woord en rond de bewuste en onbewuste inhouden en dynamieken die in woorden tot uitdrukking komen. In psychoanalytische therapie met baby’s zijn kijken naar de non-verbale communicaties en luisteren naar de verbale communicaties als basis voor de betekenisverlening van even groot belang. ‘Horen, zien en spreken’ is dan ook een statement dat een essentieel aspect vat van het werk van de psychoanalytisch kindertherapeut met jonge kinderen en hun ouders en vormt de rode draad door de diverse bijdragen.

Het heeft enige tijd geduurd vooraleer het werkveld van de psychoanalytische therapie zich heeft geopend voor baby’s en jonge kinderen. Bij de grondleggers van de psychoanalyse was de babytijd wel prominent aanwezig in het denken, maar paradoxaal genoeg evenzeer onzichtbaar in de klinische praktijk. Tot 1920 was het psychoanalytische kind om zo te zeggen een abstract, conceptueel kind.

Eerst werd er vooral over baby’s gesproken, pas later kon er met of in aanwezigheid van baby’s en kleine kinderen gesproken worden. Niettegenstaande het feit dat ze al eerder het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek uitmaakten, hoorden baby’s schijnbaar niet echt thuis in de therapiekamer. Ze werden weinig gezien of gehoord. Daar is ondertussen verandering in gekomen.

Dit boek gaat over hoe baby’s anno 2008 in de therapiekamer van de psychoanalytisch therapeut gehoord en gezien worden.

Nicole Vliegen is doctor in de klinische psychologie, seksuoloog, psychoanalytisch kindertherapeut en psychoanalyticus. Ze is ook voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie en lid van de Belgische School voor Psychoanalyse.

Christine Leroy is klinisch psycholoog en psychoanalytisch kindertherapeut. Ze is voormalig bestuurslid van de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie en delegate voor de sectie kind en adolescent van de European Federation for Psychoanalytic Psychotherapy.

Met bijdragen van Kirsten Bland, Kris Breesch, René de Weerd, Carla Fasting, Marijs Lenaerts, Christine Leroy, Marja Rexwinkel, Michelle Sleed, Flora van Grinsven, Nicole Vliegen en Annette Watillon- Naveau.

Zie ook www.psychoanalytischactueel.eu.

Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)
Quick View

Horen, zien en spreken. Psychoanalytisch werken met baby’s en ouders (Reeks Psychoanalytisch Actueel, nr. 9)

 21,50
Luisteren en kijken zijn essentiële bouwstenen van het psychoanalytisch werk rondom baby’s en hun vroegste interacties. Psychoanalytisch werk met volwassenen is sterk gecentreerd rondom het woord en rond de bewuste en onbewuste inhouden en dynamieken die in woorden tot uitdrukking komen. In psychoanalytische therapie met baby’s zijn kijken naar de non-verbale communicaties en luisteren naar de verbale communicaties als basis voor de betekenisverlening van even groot belang. ‘Horen, zien en spreken’ is dan ook een statement dat een essentieel aspect vat van het werk van de psychoanalytisch kindertherapeut met jonge kinderen en hun ouders en vormt de rode draad door de diverse bijdragen.

Het heeft enige tijd geduurd vooraleer het werkveld van de psychoanalytische therapie zich heeft geopend voor baby’s en jonge kinderen. Bij de grondleggers van de psychoanalyse was de babytijd wel prominent aanwezig in het denken, maar paradoxaal genoeg evenzeer onzichtbaar in de klinische praktijk. Tot 1920 was het psychoanalytische kind om zo te zeggen een abstract, conceptueel kind.

Eerst werd er vooral over baby’s gesproken, pas later kon er met of in aanwezigheid van baby’s en kleine kinderen gesproken worden. Niettegenstaande het feit dat ze al eerder het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek uitmaakten, hoorden baby’s schijnbaar niet echt thuis in de therapiekamer. Ze werden weinig gezien of gehoord. Daar is ondertussen verandering in gekomen.

Dit boek gaat over hoe baby’s anno 2008 in de therapiekamer van de psychoanalytisch therapeut gehoord en gezien worden.

Nicole Vliegen is doctor in de klinische psychologie, seksuoloog, psychoanalytisch kindertherapeut en psychoanalyticus. Ze is ook voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie en lid van de Belgische School voor Psychoanalyse.

Christine Leroy is klinisch psycholoog en psychoanalytisch kindertherapeut. Ze is voormalig bestuurslid van de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie en delegate voor de sectie kind en adolescent van de European Federation for Psychoanalytic Psychotherapy.

Met bijdragen van Kirsten Bland, Kris Breesch, René de Weerd, Carla Fasting, Marijs Lenaerts, Christine Leroy, Marja Rexwinkel, Michelle Sleed, Flora van Grinsven, Nicole Vliegen en Annette Watillon- Naveau.

Zie ook www.psychoanalytischactueel.eu.

Toevoegen aan winkelwagenBekijk winkelwagen
    0
    Uw winkelwagen
    Uw winkelwagen is leegVerder winkelen