Begrensde vrijheid in het IPR (IPR Thema Reeks, nr. 3)
Dit boek bevat bijdragen over partijautonomie en haar begrenzingen in het internationaal privaatrecht.
De auteurs bespreken deze beperkingen voor verschillende rechtsgebieden. Zo wordt aandacht besteed aan de vraag of een rechtskeuze en een forumkeuze in het IPR-personen- en familierecht door cultureel-maatschappelijke waarden worden beperkt. Bestaat er partijautonomie in het internationaal alimentatierecht?
Verder wordt besproken of de Crisisinterventiewet de rechtskeuze van partijen bij een overeenkomst beperkt en of de keuzevrijheid van contractspartijen voor het Gemeenschappelijk Europees Kooprecht wordt beperkt.
Wat betreft het IPR-vennootschapsrecht staan de belemmeringen van de mobiliteit van vennootschappen door het Europese recht en de Wet Flex-BV centraal.
In het kader van het internationale procesrecht wordt besproken of partijen – in afwijking van een forumkeuze – een procedure kunnen beginnen voor de rechter van een andere lidstaat van de Europese Unie.
Met bijdragen van Th.M. De Boer, E.N. Frohn, F. Ibili, G. van Solinge, M. Zilinsky, A.J. Berends, J.W. Rutgers, J.F. Vlek en P. Vlas.
Met een abonnement op de reeks krijgt u elke nieuwe bij Maklu verschenen uitgave automatisch toegestuurd met een korting van 15% op de normale verkoopprijs.
Overzicht IPR Thema Reeks
Begrensde vrijheid in het IPR (IPR Thema Reeks, nr. 3)
Dit boek bevat bijdragen over partijautonomie en haar begrenzingen in het internationaal privaatrecht.
De auteurs bespreken deze beperkingen voor verschillende rechtsgebieden. Zo wordt aandacht besteed aan de vraag of een rechtskeuze en een forumkeuze in het IPR-personen- en familierecht door cultureel-maatschappelijke waarden worden beperkt. Bestaat er partijautonomie in het internationaal alimentatierecht?
Verder wordt besproken of de Crisisinterventiewet de rechtskeuze van partijen bij een overeenkomst beperkt en of de keuzevrijheid van contractspartijen voor het Gemeenschappelijk Europees Kooprecht wordt beperkt.
Wat betreft het IPR-vennootschapsrecht staan de belemmeringen van de mobiliteit van vennootschappen door het Europese recht en de Wet Flex-BV centraal.
In het kader van het internationale procesrecht wordt besproken of partijen – in afwijking van een forumkeuze – een procedure kunnen beginnen voor de rechter van een andere lidstaat van de Europese Unie.
Met bijdragen van Th.M. De Boer, E.N. Frohn, F. Ibili, G. van Solinge, M. Zilinsky, A.J. Berends, J.W. Rutgers, J.F. Vlek en P. Vlas.
Met een abonnement op de reeks krijgt u elke nieuwe bij Maklu verschenen uitgave automatisch toegestuurd met een korting van 15% op de normale verkoopprijs.
Overzicht IPR Thema Reeks
Discretionaire ruimte bij de Belgische lokale politie. Een explorerend, kwalitatief onderzoek naar uitvoeringswerk in de frontlijn (Reeks Politiestudies, nr. 8)
De vraag wordt gesteld in welke mate politiemensen in de frontlijn een zekere keuzevrijheid hebben bij het uitvoeren van hun dagelijkse opdrachten. Anders gesteld: tot op welke hoogte heeft het beleid (m.n. de aansturing) greep op wat er zich op het terrein afspeelt (m.n. de uitvoering)?
Het onderzoek gaat na hoe de beleidsmatige sturing binnen de drie belangrijkste basisfunctionaliteiten (wijkwerking, interventiewerking en lokale recherche) eruitziet en hoe deze doorwerkt in besluitvormingsprocessen op de werkvloer.
Een eerste, verkennend luik op basis van observaties in twee grootstedelijke politiekorpsen werpt licht op de verschillende elementen die interfereren met keuzemomenten in de frontlijn. Aan de hand van fijnmazige beschrijvingen, afkomstig van maandenlang veldwerk, illustreert de auteur op welke manier situationele, organisatorische maar ook persoonsgebonden elementen een beslissende invloed kunnen uitoefenen bij keuzes die zich op het niveau van de ‘streetcop’ stellen.
In een tweede deel gaat de auteur na of de appreciatieruimte ook bestaat binnen de praktijk van gerechtelijke vrijheidsberovingen, meer bepaald of de toepassing van een verstrekkende dwangmaatregel binnen eenzelfde korpsdivisie kan uitmonden in een diversiteit aan uitkomsten. Onderzoek naar uitvoeringswerk binnen de politie is in België tot dusver erg schaars. Met deze studie wordt een groot deel van het onzichtbare straatwerk zichtbaar gemaakt en wordt de doorwerking van gehanteerde logica’s op de werkvloer duidelijk.
Deze publicatie betekent een concrete meerwaarde voor iedereen die, zowel
vanuit een theoretische als vanuit een pragmatische interesse, betrokken is bij
beleidssturing en -uitvoering binnen de Belgische politie. Voor de lezer die dagelijks
in de politiepraktijk staat, staan er tal van herkenbare situaties in beschreven
waarbij morele dilemma’s de onverkorte implementatie van de letter van de wet
bemoeilijken. Daarnaast biedt dit boek ook een schat aan informatie voor leidinggevenden
binnen de politie, beleidsmakers, criminologen, magistraten en academici
die werkzaam zijn binnen het brede domein van politie en justitie en interesse
tonen in het sturingsvraagstuk met betrekking tot politioneel uitvoeringwerk.
Fien Gilleir maakte tot en met 2012 deel uit van het onderzoeksteam Governing
and Policing Security (GaPS), waarbinnen zij gedurende zes jaar onderzoek verrichtte
naar bestuurlijke veiligheidsvraagstukken. Na het behalen van haar proefschrift
ging ze aan de slag als docente en onderzoeker binnen het expertisecentrum
Krachtgericht Sociaal Werk op de Karel de Grote-Hogeschool Antwerpen.
Discretionaire ruimte bij de Belgische lokale politie. Een explorerend, kwalitatief onderzoek naar uitvoeringswerk in de frontlijn (Reeks Politiestudies, nr. 8)
De vraag wordt gesteld in welke mate politiemensen in de frontlijn een zekere keuzevrijheid hebben bij het uitvoeren van hun dagelijkse opdrachten. Anders gesteld: tot op welke hoogte heeft het beleid (m.n. de aansturing) greep op wat er zich op het terrein afspeelt (m.n. de uitvoering)?
Het onderzoek gaat na hoe de beleidsmatige sturing binnen de drie belangrijkste basisfunctionaliteiten (wijkwerking, interventiewerking en lokale recherche) eruitziet en hoe deze doorwerkt in besluitvormingsprocessen op de werkvloer.
Een eerste, verkennend luik op basis van observaties in twee grootstedelijke politiekorpsen werpt licht op de verschillende elementen die interfereren met keuzemomenten in de frontlijn. Aan de hand van fijnmazige beschrijvingen, afkomstig van maandenlang veldwerk, illustreert de auteur op welke manier situationele, organisatorische maar ook persoonsgebonden elementen een beslissende invloed kunnen uitoefenen bij keuzes die zich op het niveau van de ‘streetcop’ stellen.
In een tweede deel gaat de auteur na of de appreciatieruimte ook bestaat binnen de praktijk van gerechtelijke vrijheidsberovingen, meer bepaald of de toepassing van een verstrekkende dwangmaatregel binnen eenzelfde korpsdivisie kan uitmonden in een diversiteit aan uitkomsten. Onderzoek naar uitvoeringswerk binnen de politie is in België tot dusver erg schaars. Met deze studie wordt een groot deel van het onzichtbare straatwerk zichtbaar gemaakt en wordt de doorwerking van gehanteerde logica’s op de werkvloer duidelijk.
Deze publicatie betekent een concrete meerwaarde voor iedereen die, zowel
vanuit een theoretische als vanuit een pragmatische interesse, betrokken is bij
beleidssturing en -uitvoering binnen de Belgische politie. Voor de lezer die dagelijks
in de politiepraktijk staat, staan er tal van herkenbare situaties in beschreven
waarbij morele dilemma’s de onverkorte implementatie van de letter van de wet
bemoeilijken. Daarnaast biedt dit boek ook een schat aan informatie voor leidinggevenden
binnen de politie, beleidsmakers, criminologen, magistraten en academici
die werkzaam zijn binnen het brede domein van politie en justitie en interesse
tonen in het sturingsvraagstuk met betrekking tot politioneel uitvoeringwerk.
Fien Gilleir maakte tot en met 2012 deel uit van het onderzoeksteam Governing
and Policing Security (GaPS), waarbinnen zij gedurende zes jaar onderzoek verrichtte
naar bestuurlijke veiligheidsvraagstukken. Na het behalen van haar proefschrift
ging ze aan de slag als docente en onderzoeker binnen het expertisecentrum
Krachtgericht Sociaal Werk op de Karel de Grote-Hogeschool Antwerpen.

De wijk achter de botsing. Een onderzoek naar wijken in Nederland en België met ernstige ordeverstoringen (Reeks Politiestudies, nr. 7)
De afgelopen tien jaar hebben zich in veel Europese steden met enige regelmaat ernstige sociale ordeverstoringen en botsingen voorgedaan. Veel van deze botsingen hangen, direct of indirect, samen met maatschappelijke achterstand en problematische interetnische verhoudingen.
Het is dan ook geen toeval dat deze ordeverstoringen en botsingen zich vooral voordoen in stedelijke wijken en buurten met een cumulatie van economische en sociale achterstandsproblemen en een multi-etnische samenstelling van de bevolking. Veel van deze ordeverstoringen zijn daarnaast gerelateerd aan jeugdproblemen die zich in deze stedelijke wijken voordoen, zoals overlast, criminaliteit, maatschappelijke uitsluiting, verveling, gebrekkige integratie, een moeizame relatie met dominante instituties en beperkte perspectieven. Andere botsingen en rellen vinden een aanleiding in interetnische conflicten, maar vinden hun voedingsbodem in wijken met sociale achterstandsproblemen om te escaleren.
De wijk is dus een plaats waar conflicten zowel genereren als escaleren. De politie krijgt op verschillende manieren met deze ordeverstoringen te maken. In sommige gevallen heeft zij tot taak de orde in de betreffende wijken en buurten te herstellen, te helpen om conflicten te de-escaleren of de achterliggende problemen van de spanningen (zoals jeugdoverlast, criminaliteit of drugshandel) aan te pakken. In andere gevallen wordt de politie, direct of na verloop van tijd, zelf partij in het conflict, soms omdat bepaalde groepen zich tegen de politie als vertegenwoordiger van overheid en gezag verzetten.
In dit boek wordt verslag gedaan van een onderzoek naar ernstige ordeverstoringen in België en Nederland. De conflicten in de bestudeerde wijken situeren zich op een continuüm van botsingen, kleine ordeverstoringen en rellen. Centraal in dit onderzoek staat de vraag welke omstandigheden en factoren in de betreffende wijken en buurten bijdragen aan deze spanningen en ordeverstoringen. Op welke wijze dragen de verhoudingen in de wijk bij aan het ontstaan van spanningen, botsingen en ordeverstoringen? Bovendien komt in dit onderzoek het politieoptreden aan bod met de vraag hoe de politie omgaat met deze ordeverstoringen en de daaraan ten grondslag liggende wijkgebonden omstandigheden en achtergronden.
Het onderzoek ‘Wijk achter de botsing’ werd uitgevoerd door een team van
onderzoekers uit Nederland en België. Het onderzoek in de twee Nederlandse
wijken werd verricht door medewerkers van het Criminologisch Instituut van de
Radboud Universiteit te Nijmegen. Het Belgische deel van het onderzoek werd
uitgevoerd door de onderzoeksgroep ‘Governing & Policing Security’ (GaPS), in
samenwerking met de onderzoeksgroep ‘Sociale Veiligheidsanalyse’ (SVA), beide
verbonden van de Universiteit Gent.

De wijk achter de botsing. Een onderzoek naar wijken in Nederland en België met ernstige ordeverstoringen (Reeks Politiestudies, nr. 7)
De afgelopen tien jaar hebben zich in veel Europese steden met enige regelmaat ernstige sociale ordeverstoringen en botsingen voorgedaan. Veel van deze botsingen hangen, direct of indirect, samen met maatschappelijke achterstand en problematische interetnische verhoudingen.
Het is dan ook geen toeval dat deze ordeverstoringen en botsingen zich vooral voordoen in stedelijke wijken en buurten met een cumulatie van economische en sociale achterstandsproblemen en een multi-etnische samenstelling van de bevolking. Veel van deze ordeverstoringen zijn daarnaast gerelateerd aan jeugdproblemen die zich in deze stedelijke wijken voordoen, zoals overlast, criminaliteit, maatschappelijke uitsluiting, verveling, gebrekkige integratie, een moeizame relatie met dominante instituties en beperkte perspectieven. Andere botsingen en rellen vinden een aanleiding in interetnische conflicten, maar vinden hun voedingsbodem in wijken met sociale achterstandsproblemen om te escaleren.
De wijk is dus een plaats waar conflicten zowel genereren als escaleren. De politie krijgt op verschillende manieren met deze ordeverstoringen te maken. In sommige gevallen heeft zij tot taak de orde in de betreffende wijken en buurten te herstellen, te helpen om conflicten te de-escaleren of de achterliggende problemen van de spanningen (zoals jeugdoverlast, criminaliteit of drugshandel) aan te pakken. In andere gevallen wordt de politie, direct of na verloop van tijd, zelf partij in het conflict, soms omdat bepaalde groepen zich tegen de politie als vertegenwoordiger van overheid en gezag verzetten.
In dit boek wordt verslag gedaan van een onderzoek naar ernstige ordeverstoringen in België en Nederland. De conflicten in de bestudeerde wijken situeren zich op een continuüm van botsingen, kleine ordeverstoringen en rellen. Centraal in dit onderzoek staat de vraag welke omstandigheden en factoren in de betreffende wijken en buurten bijdragen aan deze spanningen en ordeverstoringen. Op welke wijze dragen de verhoudingen in de wijk bij aan het ontstaan van spanningen, botsingen en ordeverstoringen? Bovendien komt in dit onderzoek het politieoptreden aan bod met de vraag hoe de politie omgaat met deze ordeverstoringen en de daaraan ten grondslag liggende wijkgebonden omstandigheden en achtergronden.
Het onderzoek ‘Wijk achter de botsing’ werd uitgevoerd door een team van
onderzoekers uit Nederland en België. Het onderzoek in de twee Nederlandse
wijken werd verricht door medewerkers van het Criminologisch Instituut van de
Radboud Universiteit te Nijmegen. Het Belgische deel van het onderzoek werd
uitgevoerd door de onderzoeksgroep ‘Governing & Policing Security’ (GaPS), in
samenwerking met de onderzoeksgroep ‘Sociale Veiligheidsanalyse’ (SVA), beide
verbonden van de Universiteit Gent.
Functiehuizen. De architectuur, inrichting en bewoning vanuit HRM-, organisatiekundig en juridisch perspectief
Een functiehuis, ook wel functiegebouw genoemd, is een verzameling functies die in onderling verband staan en gerangschikt zijn naar inhoud en zwaarte. De laatste jaren maken steeds meer organisaties gebruik van dit instrument. Dit boek maakt de architectuur, inrichting en bewoning van functiehuizen inzichtelijk. Het gaat in op de constructie van functiehuizen en functies, de relatie met HRM- en beloningsbeleid, de juridische aspecten bij de realisatie en implementatie en de rol en afstemming van medezeggenschap.
Deze publicatie is vooral bestemd voor HRM’ers, juristen
en leden van ondernemingsraden, maar ook managers
kunnen er bij de besluitvorming rond functiehuizen of
het werken binnen de context van een functiehuis hun
voordeel mee doen. Het boek werd praktisch gehouden,
zonder voorbij te gaan aan de kennis die nodig is om de
achterliggende concepten goed te kunnen begrijpen en
verbanden te kunnen leggen.
Drs. Wouter van der Loon MMC is werkzaam als zelfstandig organisatieadviseur en richt zich vooral op HRM-vraagstukken.
Drs. Paul van der Heijden is Coördinator Juridische Zaken bij de Nationale Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant.
René Paulssen is werkzaam als Senior Organisatie- en Formatieadviseur bij de Nationale Politie.
Dr. mr. Steven Jellinghaus is advocaat gespecialiseerd in arbeidsvraagstukken, bij Advocatenkantoor De Voort.
Drs. Bob Vermaak is als adviseur/trainer van ondernemingsraden werkzaam bij het CAOP.
Functiehuizen. De architectuur, inrichting en bewoning vanuit HRM-, organisatiekundig en juridisch perspectief
Een functiehuis, ook wel functiegebouw genoemd, is een verzameling functies die in onderling verband staan en gerangschikt zijn naar inhoud en zwaarte. De laatste jaren maken steeds meer organisaties gebruik van dit instrument. Dit boek maakt de architectuur, inrichting en bewoning van functiehuizen inzichtelijk. Het gaat in op de constructie van functiehuizen en functies, de relatie met HRM- en beloningsbeleid, de juridische aspecten bij de realisatie en implementatie en de rol en afstemming van medezeggenschap.
Deze publicatie is vooral bestemd voor HRM’ers, juristen
en leden van ondernemingsraden, maar ook managers
kunnen er bij de besluitvorming rond functiehuizen of
het werken binnen de context van een functiehuis hun
voordeel mee doen. Het boek werd praktisch gehouden,
zonder voorbij te gaan aan de kennis die nodig is om de
achterliggende concepten goed te kunnen begrijpen en
verbanden te kunnen leggen.
Drs. Wouter van der Loon MMC is werkzaam als zelfstandig organisatieadviseur en richt zich vooral op HRM-vraagstukken.
Drs. Paul van der Heijden is Coördinator Juridische Zaken bij de Nationale Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant.
René Paulssen is werkzaam als Senior Organisatie- en Formatieadviseur bij de Nationale Politie.
Dr. mr. Steven Jellinghaus is advocaat gespecialiseerd in arbeidsvraagstukken, bij Advocatenkantoor De Voort.
Drs. Bob Vermaak is als adviseur/trainer van ondernemingsraden werkzaam bij het CAOP.

Wat denkt politie over personen met een psychiatrische stoornis? (CPS-scriptieprijs 2013)
In 2010 werden in Vlaanderen 52.730 personen ambulant behandeld voor hun psychische problemen. Deze mensen lopen vijf keer meer de kans om een geweldsdelict te plegen, en minstens zeven keer meer kans om het slachtoffer te worden van een misdrijf dan personen zonder psychiatrische pathologie. Zo’n zeven procent van de contacten van de politie is bovendien met mensen die lijden aan een psychiatrische stoornis. Niet in het minst na de zaak Jonathan Jacobs, dringt zich daarom de vraag op: hoe staan politieambtenaren tegenover mensen met een psychiatrische stoornis ?
Veerle Van Gampelaere (criminologie, Universiteit Gent) onderzocht deze vraag bij 151 Gentse politieambtenaren. Het resultaat van dat onderzoek werd onlangs in de Mechelse Dossinkazerne bekroond met de jaarlijkse prijs van het Centrum voor Politiestudies.

Wat denkt politie over personen met een psychiatrische stoornis? (CPS-scriptieprijs 2013)
In 2010 werden in Vlaanderen 52.730 personen ambulant behandeld voor hun psychische problemen. Deze mensen lopen vijf keer meer de kans om een geweldsdelict te plegen, en minstens zeven keer meer kans om het slachtoffer te worden van een misdrijf dan personen zonder psychiatrische pathologie. Zo’n zeven procent van de contacten van de politie is bovendien met mensen die lijden aan een psychiatrische stoornis. Niet in het minst na de zaak Jonathan Jacobs, dringt zich daarom de vraag op: hoe staan politieambtenaren tegenover mensen met een psychiatrische stoornis ?
Veerle Van Gampelaere (criminologie, Universiteit Gent) onderzocht deze vraag bij 151 Gentse politieambtenaren. Het resultaat van dat onderzoek werd onlangs in de Mechelse Dossinkazerne bekroond met de jaarlijkse prijs van het Centrum voor Politiestudies.

Integrale veiligheid in de haven van Antwerpen (Reeks Cahiers Integrale Veiligheid, nr. 3)
De haven van Antwerpen is een van de grootste logistieke toegangspoorten tot het Europese vasteland en draagt enorm bij tot de economische en sociale welvaart van België.Veiligheid en beveiliging zijn dan ook belangrijke prioriteiten in het havengebied.
Dit boek presenteert de resultaten van een diepgaand
onderzoek naar de manier waarop de veiligheidszorg in de Antwerpse
haven wordt georganiseerd. Het geeft een grondig overzicht van de rol
en de bevoegdheden van de verschillende betrokken actoren,
identificeert zowel goede praktijken als knelpunten in hun (samen)
werking en stelt een aantal ‘out of the box’ verbeterpistes voor. Een
integrale en geïntegreerde aanpak van veiligheidsfenomenen staat
daarbij centraal.
Marc Cools is hoofddocent criminologie aan de Universiteit Gent en de
Vrije Universiteit Brussel.
Genserik Reniers is burgerlijk scheikundig ingenieur en doctor in
de Toegepaste Economische Wetenschappen. Hij is docent aan de
Universiteit Antwerpen en de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB).
Marleen Easton is hoofddocent aan de geassocieerde faculteit
Handelswetenschappen en Bestuurskunde van de Hogeschool Gent.
Evelien Van den Herrewegen is sociologe en doctor in de
criminologische wetenschappen. Zij is verbonden aan de vakgroep
strafrecht en criminologie van de Universiteit Gent.
Arne De Boeck is criminoloog en behaalde het bijkomend diploma van
master of quantitative analysis in the social sciences. Hij is verbonden
aan de vakgroep strafrecht en criminologie van de Universiteit Gent.

Integrale veiligheid in de haven van Antwerpen (Reeks Cahiers Integrale Veiligheid, nr. 3)
De haven van Antwerpen is een van de grootste logistieke toegangspoorten tot het Europese vasteland en draagt enorm bij tot de economische en sociale welvaart van België.Veiligheid en beveiliging zijn dan ook belangrijke prioriteiten in het havengebied.
Dit boek presenteert de resultaten van een diepgaand
onderzoek naar de manier waarop de veiligheidszorg in de Antwerpse
haven wordt georganiseerd. Het geeft een grondig overzicht van de rol
en de bevoegdheden van de verschillende betrokken actoren,
identificeert zowel goede praktijken als knelpunten in hun (samen)
werking en stelt een aantal ‘out of the box’ verbeterpistes voor. Een
integrale en geïntegreerde aanpak van veiligheidsfenomenen staat
daarbij centraal.
Marc Cools is hoofddocent criminologie aan de Universiteit Gent en de
Vrije Universiteit Brussel.
Genserik Reniers is burgerlijk scheikundig ingenieur en doctor in
de Toegepaste Economische Wetenschappen. Hij is docent aan de
Universiteit Antwerpen en de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB).
Marleen Easton is hoofddocent aan de geassocieerde faculteit
Handelswetenschappen en Bestuurskunde van de Hogeschool Gent.
Evelien Van den Herrewegen is sociologe en doctor in de
criminologische wetenschappen. Zij is verbonden aan de vakgroep
strafrecht en criminologie van de Universiteit Gent.
Arne De Boeck is criminoloog en behaalde het bijkomend diploma van
master of quantitative analysis in the social sciences. Hij is verbonden
aan de vakgroep strafrecht en criminologie van de Universiteit Gent.
Onvoorziene omstandigheden, verstoring en herstel van contractueel evenwicht
In deze tijd van economisch zwaar weer rust op rechters en arbiters grotere druk om een contract door wijziging of ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden te corrigeren.
De mogelijkheid dat een onvoorziene omstandigheid de uitvoering van de overeenkomst verstoort en dat een wijziging zich opdringt, is reëel. Flexibiliteit, samenwerking en aanpassing behoren tot de essentie van de overeenkomst. Een dergelijke visie gedijt goed in een steeds meer aan redelijkheid en billijkheid onderworpen contractenrecht.
Toch geldt economisch zwaar weer in het algemeen niet als een onvoorziene omstandigheid die correctie van het contract rechtvaardigt. De realiteit gebiedt te zeggen dat de wijziging of ontbinding van overeenkomsten wegens onvoorziene omstandigheden uitzondering blijft en ongewijzigde instandhouding de regel. Dat is maar goed ook. Het adagium pacta sunt servanda refereert niet alleen aan de partijautonomie en de verbindende kracht, maar ook aan de notie van solidariteit en aan het vertrouwensbeginsel. Men laat zijn contractspartner niet vallen, ook niet als het moeilijk wordt. Omgekeerd mag men in redelijkheid vertrouwen op het gegeven woord. Maar er zijn grenzen.
Het zijn deze grenzen die in deze bundel, geschreven naar
aanleiding van de traditionele stafuitwisseling van Leidse en
Gentse privatisten die laatst in Leiden plaatsvond, worden
opgezocht.
Prof. mr. H.J. Snijders is hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht aan de Universiteit Leiden. Hij is raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof te Arnhem en in de Rechtbank te Den Haag, en vertegenwoordiger van Nederland in de United Nations Commission on International Trade Law (Working Group II on Arbitration and Conciliation).
Dr. P.C.J. De Tavernier is universitair docent aan de Universiteit Leiden, afdeling Burgerlijk- en Burgerlijk Procesrecht (departement Civiel Recht). Zijn publicaties situeren zich voornamelijk in het domein van het aansprakelijkheidsrecht.
Onvoorziene omstandigheden, verstoring en herstel van contractueel evenwicht
In deze tijd van economisch zwaar weer rust op rechters en arbiters grotere druk om een contract door wijziging of ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden te corrigeren.
De mogelijkheid dat een onvoorziene omstandigheid de uitvoering van de overeenkomst verstoort en dat een wijziging zich opdringt, is reëel. Flexibiliteit, samenwerking en aanpassing behoren tot de essentie van de overeenkomst. Een dergelijke visie gedijt goed in een steeds meer aan redelijkheid en billijkheid onderworpen contractenrecht.
Toch geldt economisch zwaar weer in het algemeen niet als een onvoorziene omstandigheid die correctie van het contract rechtvaardigt. De realiteit gebiedt te zeggen dat de wijziging of ontbinding van overeenkomsten wegens onvoorziene omstandigheden uitzondering blijft en ongewijzigde instandhouding de regel. Dat is maar goed ook. Het adagium pacta sunt servanda refereert niet alleen aan de partijautonomie en de verbindende kracht, maar ook aan de notie van solidariteit en aan het vertrouwensbeginsel. Men laat zijn contractspartner niet vallen, ook niet als het moeilijk wordt. Omgekeerd mag men in redelijkheid vertrouwen op het gegeven woord. Maar er zijn grenzen.
Het zijn deze grenzen die in deze bundel, geschreven naar
aanleiding van de traditionele stafuitwisseling van Leidse en
Gentse privatisten die laatst in Leiden plaatsvond, worden
opgezocht.
Prof. mr. H.J. Snijders is hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht aan de Universiteit Leiden. Hij is raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof te Arnhem en in de Rechtbank te Den Haag, en vertegenwoordiger van Nederland in de United Nations Commission on International Trade Law (Working Group II on Arbitration and Conciliation).
Dr. P.C.J. De Tavernier is universitair docent aan de Universiteit Leiden, afdeling Burgerlijk- en Burgerlijk Procesrecht (departement Civiel Recht). Zijn publicaties situeren zich voornamelijk in het domein van het aansprakelijkheidsrecht.
Mensenrechten en politie (CPS 2013 – 2, nr. 27)
De politie heeft hierdoor een ambivalente rol. Enerzijds moet zij optreden als facilitator en beschermer van mensenrechten, ook ten aanzien van minderheden en zwakkere groepen in de samenleving. Anderzijds zal zij soms intrusief handelingen moeten stellen vanuit haar gelegitimeerde machtspositie die (uitzonderlijk) deze rechten en vrijheden beperken.
Deze grens is allerminst eenvoudig te trekken en de vraag dringt zich op in
welke mate de politie in onze samenleving hiermee om kan gaan. Dit Cahier behandelt
beide aspecten.
Mensenrechten en politie (CPS 2013 – 2, nr. 27)
De politie heeft hierdoor een ambivalente rol. Enerzijds moet zij optreden als facilitator en beschermer van mensenrechten, ook ten aanzien van minderheden en zwakkere groepen in de samenleving. Anderzijds zal zij soms intrusief handelingen moeten stellen vanuit haar gelegitimeerde machtspositie die (uitzonderlijk) deze rechten en vrijheden beperken.
Deze grens is allerminst eenvoudig te trekken en de vraag dringt zich op in
welke mate de politie in onze samenleving hiermee om kan gaan. Dit Cahier behandelt
beide aspecten.
Choosing for juries. Application and development of juries in old and new jury trial countries
Why do governments try to limit the application of jury trials, both in countries where jury trials are native and in countries that have more recently instituted them?
This is a critical question today as government authorities are trying to limit the role of juries, especially when it comes to complex fraud cases, national security and terrorism cases, and cases where juries seem to have a propensity for high acquittal rates. Therefore, understanding how governments are promoting and constraining jury trials is important.
This book analyzes the reasons that motivate governments to introduce jury trial practices and the factors that condition the role these types of trials play in the administration of criminal justice systems as a whole. The research derives its finding from the comparative analysis of criminal justice systems of the United Kingdom, the Russian Federation and the Republic of Azerbaijan. It also assesses prospects of the application of jury trials in the Republic of Azerbaijan based on analysis of the criminal justice systems of countries where these practices already exist.
GPRC – Guaranteed Peer Reviewed Content
Nazim Ziyadov is doctor of law (Ghent University, Belgium). He is currently Head of Legal Department at Azerbaijan Investment Company (AIC) in Baku, Azerbaijan.
Choosing for juries. Application and development of juries in old and new jury trial countries
Why do governments try to limit the application of jury trials, both in countries where jury trials are native and in countries that have more recently instituted them?
This is a critical question today as government authorities are trying to limit the role of juries, especially when it comes to complex fraud cases, national security and terrorism cases, and cases where juries seem to have a propensity for high acquittal rates. Therefore, understanding how governments are promoting and constraining jury trials is important.
This book analyzes the reasons that motivate governments to introduce jury trial practices and the factors that condition the role these types of trials play in the administration of criminal justice systems as a whole. The research derives its finding from the comparative analysis of criminal justice systems of the United Kingdom, the Russian Federation and the Republic of Azerbaijan. It also assesses prospects of the application of jury trials in the Republic of Azerbaijan based on analysis of the criminal justice systems of countries where these practices already exist.
GPRC – Guaranteed Peer Reviewed Content
Nazim Ziyadov is doctor of law (Ghent University, Belgium). He is currently Head of Legal Department at Azerbaijan Investment Company (AIC) in Baku, Azerbaijan.

Cameratoezicht in de openbare ruimte. Ook wie weg is, is gezien? (Reeks Politiestudies, nr. 6)
Deze publicatie brengt verslag uit van het onderzoek ‘Cameratoezicht in de openbare ruimte, een kwantitatieve analyse’, uitgevoerd door het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken.
Op basis van 7 casestudies in België wordt de effectiviteit van cameratoezicht in beeld gebracht. Daarnaast wordt aandacht geschonken aan de invloed van cameratoezicht op de veiligheidsbeleving van burgers.
Het boek schetst in eerste instantie de algemene context en licht de methodologie
van het onderzoek toe. Ten tweede wordt dieper ingegaan op de impact die
cameratoezicht in openbare ruimtes heeft op het veiligheidsbeleid. Vervolgens
worden de effecten van cameratoezicht op bepaalde specifieke criminaliteitsvormen
(zoals overlast, geweld, diefstal en fraude) belicht. Ten slotte worden een reeks
aanbevelingen geformuleerd die kunnen helpen bij de keuze om cameratoezicht al
dan niet te implementeren binnen de openbare ruimte.
Jill Mortelé is master in de sociologie en junior onderzoekster in het Expertisecentrum
Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives), Departement
Ipsoc.
Hans Vermeersch is doctor in de sociologie en als senior onderzoeker en docent
verbonden aan respectievelijk het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid
en de opleiding Bachelor Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk
(Vives), Departement Ipsoc. Daarnaast is hij vrijwillig wetenschappelijk medewerker
binnen de UGent, faculteit Sociologie.
Evelien De Pauw is master in de criminologie en coördinator van het Expertisecentrum
Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives), departement
Ipsoc. Tevens is zij docent binnen de opleiding Bachelor Maatschappelijke
Veiligheid. Verder maakt zij deel uit van de Raad van Bestuur van het CPS, de
stuurgroep van de VVC en de redactie van Cahiers Integrale
Veiligheid (Maklu) en is zij
correspondent van de Cahiers Politiestudies (Maklu).
Wim Hardyns is doctor in de criminologie, docent binnen de vakgroep
Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel en gastdocent binnen de Master in
de Veiligheidswetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Verder werkt hij
als postdoctoraal onderzoeker binnen de vakgroepen Strafrecht-Criminologie en
Huisartsgeneeskunde-Eerstelijnsgezondheidszorg van de Universiteit Gent.
Famke Deprins is master in de criminologie en verbonden als onderzoekster en
docent aan respectievelijk het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid en de
opleiding Bachelor Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives),
Departement Ipsoc.
In de pers:
Camera's schrikken vooral overlastplegers af (Bron: Gazet van Antwerpen)

Cameratoezicht in de openbare ruimte. Ook wie weg is, is gezien? (Reeks Politiestudies, nr. 6)
Deze publicatie brengt verslag uit van het onderzoek ‘Cameratoezicht in de openbare ruimte, een kwantitatieve analyse’, uitgevoerd door het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken.
Op basis van 7 casestudies in België wordt de effectiviteit van cameratoezicht in beeld gebracht. Daarnaast wordt aandacht geschonken aan de invloed van cameratoezicht op de veiligheidsbeleving van burgers.
Het boek schetst in eerste instantie de algemene context en licht de methodologie
van het onderzoek toe. Ten tweede wordt dieper ingegaan op de impact die
cameratoezicht in openbare ruimtes heeft op het veiligheidsbeleid. Vervolgens
worden de effecten van cameratoezicht op bepaalde specifieke criminaliteitsvormen
(zoals overlast, geweld, diefstal en fraude) belicht. Ten slotte worden een reeks
aanbevelingen geformuleerd die kunnen helpen bij de keuze om cameratoezicht al
dan niet te implementeren binnen de openbare ruimte.
Jill Mortelé is master in de sociologie en junior onderzoekster in het Expertisecentrum
Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives), Departement
Ipsoc.
Hans Vermeersch is doctor in de sociologie en als senior onderzoeker en docent
verbonden aan respectievelijk het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid
en de opleiding Bachelor Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk
(Vives), Departement Ipsoc. Daarnaast is hij vrijwillig wetenschappelijk medewerker
binnen de UGent, faculteit Sociologie.
Evelien De Pauw is master in de criminologie en coördinator van het Expertisecentrum
Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives), departement
Ipsoc. Tevens is zij docent binnen de opleiding Bachelor Maatschappelijke
Veiligheid. Verder maakt zij deel uit van de Raad van Bestuur van het CPS, de
stuurgroep van de VVC en de redactie van Cahiers Integrale
Veiligheid (Maklu) en is zij
correspondent van de Cahiers Politiestudies (Maklu).
Wim Hardyns is doctor in de criminologie, docent binnen de vakgroep
Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel en gastdocent binnen de Master in
de Veiligheidswetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Verder werkt hij
als postdoctoraal onderzoeker binnen de vakgroepen Strafrecht-Criminologie en
Huisartsgeneeskunde-Eerstelijnsgezondheidszorg van de Universiteit Gent.
Famke Deprins is master in de criminologie en verbonden als onderzoekster en
docent aan respectievelijk het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid en de
opleiding Bachelor Maatschappelijke Veiligheid, Katho Hogeschool Kortrijk (Vives),
Departement Ipsoc.
In de pers:
Camera's schrikken vooral overlastplegers af (Bron: Gazet van Antwerpen)

Rechtspreken en lekenparticipatie. Noodzaak of traditie?
Het fenomeen van lekenrechters is echter ruimer dan juryrechtspraak. In de arbeidsrechtbanken, -hoven en rechtbanken van koophandel zetelen, naast een voorzitter-magistraat, rechters uit het bedrijfsleven of vertegenwoordigende organisaties. Is hun deelname aan rechtspraak louter symbolisch of is ze noodzakelijk voor de kwaliteit van de rechtspraak? Zijn de lekenrechters in die rechtbanken en hoven brugfiguren tussen de wereld van het recht en de wereld van de werkvloer en de onderneming?
In dit boek staan rechtshistorici, strafrechtsspecialisten en rechtssociologen uitgebreid stil bij al deze vragen.
Guaranteed Peer Reviewed Content
Prof. dr. Dave De ruysscher is lid van de vakgroep Interdisciplinaire studies van het recht (JURI-DILS) aan de Faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel. Daarnaast is hij deeltijds postdoctoraal onderzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen aan de Universiteit Antwerpen.

Rechtspreken en lekenparticipatie. Noodzaak of traditie?
Het fenomeen van lekenrechters is echter ruimer dan juryrechtspraak. In de arbeidsrechtbanken, -hoven en rechtbanken van koophandel zetelen, naast een voorzitter-magistraat, rechters uit het bedrijfsleven of vertegenwoordigende organisaties. Is hun deelname aan rechtspraak louter symbolisch of is ze noodzakelijk voor de kwaliteit van de rechtspraak? Zijn de lekenrechters in die rechtbanken en hoven brugfiguren tussen de wereld van het recht en de wereld van de werkvloer en de onderneming?
In dit boek staan rechtshistorici, strafrechtsspecialisten en rechtssociologen uitgebreid stil bij al deze vragen.
Guaranteed Peer Reviewed Content
Prof. dr. Dave De ruysscher is lid van de vakgroep Interdisciplinaire studies van het recht (JURI-DILS) aan de Faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel. Daarnaast is hij deeltijds postdoctoraal onderzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen aan de Universiteit Antwerpen.

Het verband tussen audithonoraria en auditkwaliteit (Reeks ICCI 2013-1)
NEDERLANDS
De hoofddoelstelling van deze studie is te onderzoeken of er een verband bestaat tussen de audithonoraria en de auditkwaliteit op de Belgische auditmarkt. De studie wordt opgevat in twee delen.
In het eerste deel wordt via een literatuurstudie vooreerst ‘auditkwaliteit’ gedefinieerd en
worden de meest gebruikte maatstaven voor auditkwaliteit, met name resultaatmanagement
en de auditverklaring, bepaald.
Vervolgens worden de empirische studies die (internationaal)
het verband behandelen tussen audithonoraria (zowel in ‘absolute’ als ‘abnormale’ termen) en
auditkwaliteit besproken.
Uiteindelijk wordt voor de Belgische auditmarkt over de periode 2008-2010 de evolutie van
de prijszetting bestudeerd en nagegaan via een audit fee-model in welke mate er sprake is van
abnormale audithonoraria of onder- en overprijzing.
In het tweede deel wordt nagegaan of er daadwerkelijk een verband bestaat tussen de audithonoraria en de auditkwaliteit op de Belgische auditmarkt. De resultaten bieden voorzichtig te interpreteren empirisch bewijs dat er, ceteris paribus, een verband bestaat tussen het niveau van de audithonoraria en de auditkwaliteit.
Johan Vande Lanotte, Vice-eerste minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee over dit boek: “Het is de eerste keer dat hierover een empirische studie wordt gemaakt in ons land. Zowel de gebruikers van de diensten van bedrijfsrevisoren als de aanbieders ervan kunnen heel wat nuttige informatie halen uit deze studie.”
Inhoudstafel
Woord vooraf
Met een abonnement op de reeks krijgt u een korting van 15% op de normale verkoopprijs.
Meer informatie: ICCI Reeks
FRANCAIS
L’objectif principal de cette étude est de déterminer s’il existe un lien entre les honoraires d’audit et la qualité d’audit sur le marché belge de l’audit. L’étude se compose de deux parties.
Dans la première partie, par le biais d’une étude de littérature, la ‘qualité d’audit’ est définie
et ensuite les critères de mesure les plus courants pour la qualité d’audit sont déterminés,
notamment la gestion du résultat et l’opinion d’audit.
Ensuite, les études empiriques qui traitent
(au niveau international) du lien entre les honoraires d’audit (tant ‘absolus’ qu’ ‘anormaux’) et
la qualité d’audit sont abordées.
Enfin, l’évolution de la fixation des prix sur le marché belge de l’audit pour la période 2008-
2010 est étudiée et à l’aide d’un modèle d’honoraires d’audit il est analysé dans quelle mesure
il existe des honoraires d’audit anormaux ou une sous-évaluation et surévaluation des prix.
Dans la deuxième partie, il est examiné s’il existe véritablement un lien entre les honoraires d’audit et la qualité d’audit sur le marché belge de l’audit. Les résultats offrent des preuves empiriques dont l’interprétation requiert une grande prudence et selon lesquelles il existe, ceteris paribus, un lien entre le niveau des honoraires d’audit et la qualité d’audit.
Table des matières
Avant-propos
Plus d''information sur la série ICCI (abonnement = 15% de réduction sur le prix normal).
Prof. dr. Diane Breesch, prof. dr. Joël Branson en drs. Jan De Muylder zijn verbonden aan de faculteit Economische, Sociale en Politieke Wetenschappen & Solvay Business School van de Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Business resp. Accountancy, Auditing en Corporate finance.
Dr. Kris Hardies is verbonden aan het departement Accounting and Financing van de Universiteit Antwerpen.
De Stichting ‘Informatiecentrum voor het Bedrijfsrevisoraat’ of ‘ICCI’ is opgericht door het Instituut van Bedrijfsrevisoren en heeft tot doel objectieve en wetenschappelijke informatie te verstrekken over vraagstukken die het bedrijfsrevisoraat aanbelangen.

Het verband tussen audithonoraria en auditkwaliteit (Reeks ICCI 2013-1)
NEDERLANDS
De hoofddoelstelling van deze studie is te onderzoeken of er een verband bestaat tussen de audithonoraria en de auditkwaliteit op de Belgische auditmarkt. De studie wordt opgevat in twee delen.
In het eerste deel wordt via een literatuurstudie vooreerst ‘auditkwaliteit’ gedefinieerd en
worden de meest gebruikte maatstaven voor auditkwaliteit, met name resultaatmanagement
en de auditverklaring, bepaald.
Vervolgens worden de empirische studies die (internationaal)
het verband behandelen tussen audithonoraria (zowel in ‘absolute’ als ‘abnormale’ termen) en
auditkwaliteit besproken.
Uiteindelijk wordt voor de Belgische auditmarkt over de periode 2008-2010 de evolutie van
de prijszetting bestudeerd en nagegaan via een audit fee-model in welke mate er sprake is van
abnormale audithonoraria of onder- en overprijzing.
In het tweede deel wordt nagegaan of er daadwerkelijk een verband bestaat tussen de audithonoraria en de auditkwaliteit op de Belgische auditmarkt. De resultaten bieden voorzichtig te interpreteren empirisch bewijs dat er, ceteris paribus, een verband bestaat tussen het niveau van de audithonoraria en de auditkwaliteit.
Johan Vande Lanotte, Vice-eerste minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee over dit boek: “Het is de eerste keer dat hierover een empirische studie wordt gemaakt in ons land. Zowel de gebruikers van de diensten van bedrijfsrevisoren als de aanbieders ervan kunnen heel wat nuttige informatie halen uit deze studie.”
Inhoudstafel
Woord vooraf
Met een abonnement op de reeks krijgt u een korting van 15% op de normale verkoopprijs.
Meer informatie: ICCI Reeks
FRANCAIS
L’objectif principal de cette étude est de déterminer s’il existe un lien entre les honoraires d’audit et la qualité d’audit sur le marché belge de l’audit. L’étude se compose de deux parties.
Dans la première partie, par le biais d’une étude de littérature, la ‘qualité d’audit’ est définie
et ensuite les critères de mesure les plus courants pour la qualité d’audit sont déterminés,
notamment la gestion du résultat et l’opinion d’audit.
Ensuite, les études empiriques qui traitent
(au niveau international) du lien entre les honoraires d’audit (tant ‘absolus’ qu’ ‘anormaux’) et
la qualité d’audit sont abordées.
Enfin, l’évolution de la fixation des prix sur le marché belge de l’audit pour la période 2008-
2010 est étudiée et à l’aide d’un modèle d’honoraires d’audit il est analysé dans quelle mesure
il existe des honoraires d’audit anormaux ou une sous-évaluation et surévaluation des prix.
Dans la deuxième partie, il est examiné s’il existe véritablement un lien entre les honoraires d’audit et la qualité d’audit sur le marché belge de l’audit. Les résultats offrent des preuves empiriques dont l’interprétation requiert une grande prudence et selon lesquelles il existe, ceteris paribus, un lien entre le niveau des honoraires d’audit et la qualité d’audit.
Table des matières
Avant-propos
Plus d''information sur la série ICCI (abonnement = 15% de réduction sur le prix normal).
Prof. dr. Diane Breesch, prof. dr. Joël Branson en drs. Jan De Muylder zijn verbonden aan de faculteit Economische, Sociale en Politieke Wetenschappen & Solvay Business School van de Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Business resp. Accountancy, Auditing en Corporate finance.
Dr. Kris Hardies is verbonden aan het departement Accounting and Financing van de Universiteit Antwerpen.
De Stichting ‘Informatiecentrum voor het Bedrijfsrevisoraat’ of ‘ICCI’ is opgericht door het Instituut van Bedrijfsrevisoren en heeft tot doel objectieve en wetenschappelijke informatie te verstrekken over vraagstukken die het bedrijfsrevisoraat aanbelangen.



