
De Europese Gemeenschap en de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht
€ 105,00
In dit boek staat de verhouding van de Europese Gemeenschap tot de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht centraal. Het situeert zich aldus op het grensgebied van het Europees gemeenschapsrecht en het internationaal privaatrecht.
Het Verdrag van Amsterdam bracht met zich mee dat de Europese Gemeenschap communautaire normen van internationaal privaatrecht kon aannemen. Intussen werden een aantal nieuwe verordeningen van kracht, waaronder ook de verordening die de omzetting van het oorspronkelijke EEX-Verdrag inhield. Deze recente communautaire activiteit op het vlak van het internationaal privaatrecht, stelt evenwel de verhouding tot de universele eenmaking van het internationaal privaatrecht zoals die reeds sinds meer dan een eeuw plaats grijpt in de schoot van de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht, in een nieuw daglicht. Er rijzen immers prangende vragen, zoals onder meer betreffende de invloed van het subsidiariteitsbeginsel en de mate waarin de Gemeenschap de verdragsluitende bevoegdheid van de lidstaten in de schoot van de Haagse Conferentie heeft overgenomen. Ook rijst de vraag of de Europese Gemeenschap lid zou kunnen worden van de Haagse Conferentie.
Dit boek beoogt nu een algemene analyse te verrichten van de verhouding tussen deze twee internationale organisaties in het licht van de regionale en universele eenmaking van het internationaal privaatrecht. Daarbij vormen de verschillende bevoegdheidsgronden waarin het Verdrag van Rome voorziet om tot eenmaking van internationaal privaatrecht over te gaan het vertrekpunt. Er wordt niet alleen onderzocht op welke wijze deze bevoegdheidsgronden zich tot elkaar verhouden, doch tevens wordt nagegaan welke de gevolgen zijn van het communautaire optreden voor de werkzaamheden in de schoot van de Haagse Conferentie. Uiteraard komt daarbij ook de verdragsluitende bevoegdheid van de Europese Gemeenschap aan bod. Verder wordt nagegaan op welke wijze het algemeen gemeenschapsrecht – en in het bijzonder het verbod van discriminatie – een beperking kan zijn voor de toepassing van verdragen van de Conferentie van Den Haag. Het geheel wordt afgesloten met een blik op hetgeen de toekomst kan brengen voor de wijze waarop de beide organisaties zich tot elkaar zouden kunnen verhouden.
Het Verdrag van Amsterdam bracht met zich mee dat de Europese Gemeenschap communautaire normen van internationaal privaatrecht kon aannemen. Intussen werden een aantal nieuwe verordeningen van kracht, waaronder ook de verordening die de omzetting van het oorspronkelijke EEX-Verdrag inhield. Deze recente communautaire activiteit op het vlak van het internationaal privaatrecht, stelt evenwel de verhouding tot de universele eenmaking van het internationaal privaatrecht zoals die reeds sinds meer dan een eeuw plaats grijpt in de schoot van de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht, in een nieuw daglicht. Er rijzen immers prangende vragen, zoals onder meer betreffende de invloed van het subsidiariteitsbeginsel en de mate waarin de Gemeenschap de verdragsluitende bevoegdheid van de lidstaten in de schoot van de Haagse Conferentie heeft overgenomen. Ook rijst de vraag of de Europese Gemeenschap lid zou kunnen worden van de Haagse Conferentie.
Dit boek beoogt nu een algemene analyse te verrichten van de verhouding tussen deze twee internationale organisaties in het licht van de regionale en universele eenmaking van het internationaal privaatrecht. Daarbij vormen de verschillende bevoegdheidsgronden waarin het Verdrag van Rome voorziet om tot eenmaking van internationaal privaatrecht over te gaan het vertrekpunt. Er wordt niet alleen onderzocht op welke wijze deze bevoegdheidsgronden zich tot elkaar verhouden, doch tevens wordt nagegaan welke de gevolgen zijn van het communautaire optreden voor de werkzaamheden in de schoot van de Haagse Conferentie. Uiteraard komt daarbij ook de verdragsluitende bevoegdheid van de Europese Gemeenschap aan bod. Verder wordt nagegaan op welke wijze het algemeen gemeenschapsrecht – en in het bijzonder het verbod van discriminatie – een beperking kan zijn voor de toepassing van verdragen van de Conferentie van Den Haag. Het geheel wordt afgesloten met een blik op hetgeen de toekomst kan brengen voor de wijze waarop de beide organisaties zich tot elkaar zouden kunnen verhouden.

De Europese Gemeenschap en de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht
€ 105,00
In dit boek staat de verhouding van de Europese Gemeenschap tot de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht centraal. Het situeert zich aldus op het grensgebied van het Europees gemeenschapsrecht en het internationaal privaatrecht.
Het Verdrag van Amsterdam bracht met zich mee dat de Europese Gemeenschap communautaire normen van internationaal privaatrecht kon aannemen. Intussen werden een aantal nieuwe verordeningen van kracht, waaronder ook de verordening die de omzetting van het oorspronkelijke EEX-Verdrag inhield. Deze recente communautaire activiteit op het vlak van het internationaal privaatrecht, stelt evenwel de verhouding tot de universele eenmaking van het internationaal privaatrecht zoals die reeds sinds meer dan een eeuw plaats grijpt in de schoot van de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht, in een nieuw daglicht. Er rijzen immers prangende vragen, zoals onder meer betreffende de invloed van het subsidiariteitsbeginsel en de mate waarin de Gemeenschap de verdragsluitende bevoegdheid van de lidstaten in de schoot van de Haagse Conferentie heeft overgenomen. Ook rijst de vraag of de Europese Gemeenschap lid zou kunnen worden van de Haagse Conferentie.
Dit boek beoogt nu een algemene analyse te verrichten van de verhouding tussen deze twee internationale organisaties in het licht van de regionale en universele eenmaking van het internationaal privaatrecht. Daarbij vormen de verschillende bevoegdheidsgronden waarin het Verdrag van Rome voorziet om tot eenmaking van internationaal privaatrecht over te gaan het vertrekpunt. Er wordt niet alleen onderzocht op welke wijze deze bevoegdheidsgronden zich tot elkaar verhouden, doch tevens wordt nagegaan welke de gevolgen zijn van het communautaire optreden voor de werkzaamheden in de schoot van de Haagse Conferentie. Uiteraard komt daarbij ook de verdragsluitende bevoegdheid van de Europese Gemeenschap aan bod. Verder wordt nagegaan op welke wijze het algemeen gemeenschapsrecht – en in het bijzonder het verbod van discriminatie – een beperking kan zijn voor de toepassing van verdragen van de Conferentie van Den Haag. Het geheel wordt afgesloten met een blik op hetgeen de toekomst kan brengen voor de wijze waarop de beide organisaties zich tot elkaar zouden kunnen verhouden.
Het Verdrag van Amsterdam bracht met zich mee dat de Europese Gemeenschap communautaire normen van internationaal privaatrecht kon aannemen. Intussen werden een aantal nieuwe verordeningen van kracht, waaronder ook de verordening die de omzetting van het oorspronkelijke EEX-Verdrag inhield. Deze recente communautaire activiteit op het vlak van het internationaal privaatrecht, stelt evenwel de verhouding tot de universele eenmaking van het internationaal privaatrecht zoals die reeds sinds meer dan een eeuw plaats grijpt in de schoot van de Conferentie van Den Haag voor het Internationaal Privaatrecht, in een nieuw daglicht. Er rijzen immers prangende vragen, zoals onder meer betreffende de invloed van het subsidiariteitsbeginsel en de mate waarin de Gemeenschap de verdragsluitende bevoegdheid van de lidstaten in de schoot van de Haagse Conferentie heeft overgenomen. Ook rijst de vraag of de Europese Gemeenschap lid zou kunnen worden van de Haagse Conferentie.
Dit boek beoogt nu een algemene analyse te verrichten van de verhouding tussen deze twee internationale organisaties in het licht van de regionale en universele eenmaking van het internationaal privaatrecht. Daarbij vormen de verschillende bevoegdheidsgronden waarin het Verdrag van Rome voorziet om tot eenmaking van internationaal privaatrecht over te gaan het vertrekpunt. Er wordt niet alleen onderzocht op welke wijze deze bevoegdheidsgronden zich tot elkaar verhouden, doch tevens wordt nagegaan welke de gevolgen zijn van het communautaire optreden voor de werkzaamheden in de schoot van de Haagse Conferentie. Uiteraard komt daarbij ook de verdragsluitende bevoegdheid van de Europese Gemeenschap aan bod. Verder wordt nagegaan op welke wijze het algemeen gemeenschapsrecht – en in het bijzonder het verbod van discriminatie – een beperking kan zijn voor de toepassing van verdragen van de Conferentie van Den Haag. Het geheel wordt afgesloten met een blik op hetgeen de toekomst kan brengen voor de wijze waarop de beide organisaties zich tot elkaar zouden kunnen verhouden.
Trust en privaat vermogensbeheer
€ 30,99
In de Angelsaksische rechtscultuur biedt de trust een oplossing voor een zeer groot aantal vermogensrechtelijke problemen, waarvan het pecuniair belang sterk uiteen loopt. Zowel de bejaarde vrouw die na haar dood het onderhoud van haar graf wenst verzekerd te zien als de industrieel die wel het economisch voordeel maar niet het beheer van zijn bedrijf aan zijn bv. nog jongere afstammelingen wil nalaten, nemen er hun toevlucht toe. Naar Belgisch recht zijn er echter niet altijd rechtsfiguren voorhanden die een oplossing bieden op deze vragen van vermogensbeheer. Dit boek wil een antwoord formuleren op de vraag in welke mate wij in België de Angelsaksische trust kunnen aanwenden als instrument van vermogensbeheer, in het bijzonder privaat vermogensbeheer. Enerzijds wordt aangeduid in welke gevallen de trust naar internationaal privaatrecht gevolgen zal kunnen hebben in België. Anderzijds wordt nagegaan hoe de Belgische fiscale administratie zal reageren wanneer een dergelijke rechtsfiguur in een Belgische context wordt aangewend. In die zin biedt het boek waardevolle informatie wanneer men in België voor doeleinden van privaat vermogensbeheer tot de Angelsaksische trust zijn toevlucht wil nemen.
Trust en privaat vermogensbeheer
€ 30,99
In de Angelsaksische rechtscultuur biedt de trust een oplossing voor een zeer groot aantal vermogensrechtelijke problemen, waarvan het pecuniair belang sterk uiteen loopt. Zowel de bejaarde vrouw die na haar dood het onderhoud van haar graf wenst verzekerd te zien als de industrieel die wel het economisch voordeel maar niet het beheer van zijn bedrijf aan zijn bv. nog jongere afstammelingen wil nalaten, nemen er hun toevlucht toe. Naar Belgisch recht zijn er echter niet altijd rechtsfiguren voorhanden die een oplossing bieden op deze vragen van vermogensbeheer. Dit boek wil een antwoord formuleren op de vraag in welke mate wij in België de Angelsaksische trust kunnen aanwenden als instrument van vermogensbeheer, in het bijzonder privaat vermogensbeheer. Enerzijds wordt aangeduid in welke gevallen de trust naar internationaal privaatrecht gevolgen zal kunnen hebben in België. Anderzijds wordt nagegaan hoe de Belgische fiscale administratie zal reageren wanneer een dergelijke rechtsfiguur in een Belgische context wordt aangewend. In die zin biedt het boek waardevolle informatie wanneer men in België voor doeleinden van privaat vermogensbeheer tot de Angelsaksische trust zijn toevlucht wil nemen.