Indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. Rechtvaardigingsgronden in het diensten- en personenverkeer
Artikel 18, alinea 1 VWEU bevat een algemeen discriminatieverbod op grond van nationaliteit. Dit verbod omvat volgens het Hof van Justitie naast directe ook indirecte discriminatie, waarbij de discriminatie wordt veroorzaakt door een niet uitdrukkelijk verboden onderscheidingscriterium dat in de praktijk hoofdzakelijk in het nadeel werkt of kan werken van de EU-onderdanen die afkomstig zijn uit een andere lidstaat.
Dit boek onderzoekt wat de slaagkansen zijn van de rechtvaardigingsgronden die
de EU-lidstaten voor het Hof van Justitie inroepen om hun nationale maatregelen
te rechtvaardigen die de onderdanen afkomstig uit een andere lidstaat op indirecte
wijze discrimineren op grond van hun nationaliteit. En meer specifiek: in welke mate
slaagt het Hof erin om de belangen van de Unie, de EU-lidstaten en de EU-burgers
met elkaar te verzoenen wanneer het zich buigt over de rechtvaardigingsgronden
die EU-lidstaten inroepen om hun indirect discriminerende maatregelen in het kader
van het diensten- en personenverkeer te rechtvaardigen?
Wanneer is er volgens het Hof van Justitie in het diensten- en personenverkeer sprake
van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit en welke gronden kunnen
de EU-lidstaten inroepen om hun indirect discriminerende nationale maatregelen
die betrekking hebben op het diensten- en personenverkeer te rechtvaardigen?
Indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. Rechtvaardigingsgronden in het diensten- en personenverkeer
Artikel 18, alinea 1 VWEU bevat een algemeen discriminatieverbod op grond van nationaliteit. Dit verbod omvat volgens het Hof van Justitie naast directe ook indirecte discriminatie, waarbij de discriminatie wordt veroorzaakt door een niet uitdrukkelijk verboden onderscheidingscriterium dat in de praktijk hoofdzakelijk in het nadeel werkt of kan werken van de EU-onderdanen die afkomstig zijn uit een andere lidstaat.
Dit boek onderzoekt wat de slaagkansen zijn van de rechtvaardigingsgronden die
de EU-lidstaten voor het Hof van Justitie inroepen om hun nationale maatregelen
te rechtvaardigen die de onderdanen afkomstig uit een andere lidstaat op indirecte
wijze discrimineren op grond van hun nationaliteit. En meer specifiek: in welke mate
slaagt het Hof erin om de belangen van de Unie, de EU-lidstaten en de EU-burgers
met elkaar te verzoenen wanneer het zich buigt over de rechtvaardigingsgronden
die EU-lidstaten inroepen om hun indirect discriminerende maatregelen in het kader
van het diensten- en personenverkeer te rechtvaardigen?
Wanneer is er volgens het Hof van Justitie in het diensten- en personenverkeer sprake
van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit en welke gronden kunnen
de EU-lidstaten inroepen om hun indirect discriminerende nationale maatregelen
die betrekking hebben op het diensten- en personenverkeer te rechtvaardigen?