Gezondheid en gezondheidszorg in de stad Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog (Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en de Gezondheidszorg, nr. 21)
Bij de inval van de Duitse legers in België in augustus 1914 stonden in Antwerpen meerdere ziekenhuizen en een groot aantal veldhospitalen ter beschikking voor de opvang van gekwetste of zieke Belgische, geallieerde en nadien ook Duitse soldaten. Op 9 oktober 1914 capituleerde de vesting Antwerpen na zware beschietingen en bombardementen en installeerden de Duitse medische diensten zich in de stad. Het Militair Ziekenhuis werd tot Festungslazarett omgevormd en in de stad werden meerdere instellingen voor verzorging van de gekwetste en zieke Duitse soldaten opgericht. Samenwerking met de Antwerpse stedelijke en provinciale diensten was onvermijdelijk, maar werd zoveel als mogelijk vermeden.
Gedurende de vier jaar durende bezetting bedreigden vooral twee problemen de Antwerpse bevolking: hongersnood en een aantal infectieziekten. De hongersnood kon voor een deel opgevangen worden door de snelle tussenkomst van de lokale besturen en vooral van de internationale organisatie Nationaal Hulp en Voedingscomité (NHVC) die over het gehele land werkzaam was en ook in Antwerpen op verschillende niveaus werkte. In Antwerpen kwam deze organisatie vanaf 1916 ook tussen in de onkosten van de medische hulp bij sommige patiënten. In een later stadium subsidieerde het NHVC ook nog meerdere ziekenfondsen die het moeilijk hadden gekregen. Daardoor werd het betrokken bij een zwaar conflict tussen een van de grote ziekenfondsen en het verbond van Antwerpse artsen.
Gegevens over infectieziekten en gegevens zoals de sterfte in de Antwerpse bevolking tijdens de bezetting zijn bewaard gebleven en werden na de oorlog gepubliceerd: ze zijn een unieke bron gebleken en laten een statistisch onderzoek toe.
Tot slot wordt vermeld dat ook het met de bezetter collaborerende activisme tijdens de oorlog een, zij het beperkte, rol heeft gespeeld in de bescherming van de volksgezondheid in Antwerpen. Die hield op bij het beëindigen van de vijandigheden.
Prof. em. dr. Karel J. Van Acker, doctor in de genees-, heel- en verloskunde en geneesheer-specialist in de kindergeneeskunde, werkte als gewoon hoogleraar kindergeneeskunde aan de Universiteit Antwerpen. Hij was ook diensthoofd van de afdeling kindergeneeskunde aan het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen.
Gezondheid en gezondheidszorg in de stad Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog (Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en de Gezondheidszorg, nr. 21)
Bij de inval van de Duitse legers in België in augustus 1914 stonden in Antwerpen meerdere ziekenhuizen en een groot aantal veldhospitalen ter beschikking voor de opvang van gekwetste of zieke Belgische, geallieerde en nadien ook Duitse soldaten. Op 9 oktober 1914 capituleerde de vesting Antwerpen na zware beschietingen en bombardementen en installeerden de Duitse medische diensten zich in de stad. Het Militair Ziekenhuis werd tot Festungslazarett omgevormd en in de stad werden meerdere instellingen voor verzorging van de gekwetste en zieke Duitse soldaten opgericht. Samenwerking met de Antwerpse stedelijke en provinciale diensten was onvermijdelijk, maar werd zoveel als mogelijk vermeden.
Gedurende de vier jaar durende bezetting bedreigden vooral twee problemen de Antwerpse bevolking: hongersnood en een aantal infectieziekten. De hongersnood kon voor een deel opgevangen worden door de snelle tussenkomst van de lokale besturen en vooral van de internationale organisatie Nationaal Hulp en Voedingscomité (NHVC) die over het gehele land werkzaam was en ook in Antwerpen op verschillende niveaus werkte. In Antwerpen kwam deze organisatie vanaf 1916 ook tussen in de onkosten van de medische hulp bij sommige patiënten. In een later stadium subsidieerde het NHVC ook nog meerdere ziekenfondsen die het moeilijk hadden gekregen. Daardoor werd het betrokken bij een zwaar conflict tussen een van de grote ziekenfondsen en het verbond van Antwerpse artsen.
Gegevens over infectieziekten en gegevens zoals de sterfte in de Antwerpse bevolking tijdens de bezetting zijn bewaard gebleven en werden na de oorlog gepubliceerd: ze zijn een unieke bron gebleken en laten een statistisch onderzoek toe.
Tot slot wordt vermeld dat ook het met de bezetter collaborerende activisme tijdens de oorlog een, zij het beperkte, rol heeft gespeeld in de bescherming van de volksgezondheid in Antwerpen. Die hield op bij het beëindigen van de vijandigheden.
Prof. em. dr. Karel J. Van Acker, doctor in de genees-, heel- en verloskunde en geneesheer-specialist in de kindergeneeskunde, werkte als gewoon hoogleraar kindergeneeskunde aan de Universiteit Antwerpen. Hij was ook diensthoofd van de afdeling kindergeneeskunde aan het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen.
De Oorlogsorde der Geneesheren 1941-1944.Beslechting van een broederstrijd.(Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en Gezondheidszorg, nr. 9)
Na de inval van de Duitse legers in mei 1940 legde het militairbestuur aan de Belgische artsen een reorganisatie vanhun beroepsverenigingen op met vorming van één enkele organisatie.De bestaande twee grote verenigingen gingen hierop inmaar al spoedig kwamen de communautaire geschillen die hen tijdenshet interbellum hadden verdeeld, aan de oppervlakte. Dit leidde tot een felletweestrijd en de oprichting van de Oorlogsorde, waaraan vooral flamingantischeartsen meewerkten. Ze werden wel gesteund door een aantal Waalseartsen. De Oorlogsorde werd van nabij gecontroleerd door het Duitse militairebestuur en door het Belgische ministerie dat geleid werd door eensecretaris-generaal. Na haar oprichting poogde de Oorlogsorde de geneeskundeen de volksgezondheid onder haar controle te brengen en te reorganiseren.
Ze kwam daarbij niet alleen in conflict met een belangrijk deelvan de Belgische artsen maar werd ook betrokken bij maatregelen die vande bezetter uitgingen. Dit is haar leiders na de bezetting zwaar aangerekendgeweest. Het einde van de oorlog bracht niet alleen het verdwijnen van deOorlogsorde mee maar luidde tevens een nieuw tijdperk in de aanpak van devolksgezondheid in België in.
Dit boek beschrijft het verloop van de gebeurtenissen. Gevoelige en controversiëlethema’s, zoals de soms betwistbare houding van de tegenstandersvan de Oorlogsorde, de mogelijke collaboratie met de bezetter, de radicalehouding van sommige bestuurders of de verhouding met de joodse artsen,worden geenszins uit de weg gegaan. De auteur is er zich ten volle vanbewust hoe, meer dan 70 jaar na de feiten, deze aspecten nog bijzondergevoelig liggen.
>>Intekenen op de reeks (20% korting op dit en alle toekomstige delen)
De Oorlogsorde der Geneesheren 1941-1944.Beslechting van een broederstrijd.(Cahiers GGG – Geschiedenis van de Geneeskunde en Gezondheidszorg, nr. 9)
Na de inval van de Duitse legers in mei 1940 legde het militairbestuur aan de Belgische artsen een reorganisatie vanhun beroepsverenigingen op met vorming van één enkele organisatie.De bestaande twee grote verenigingen gingen hierop inmaar al spoedig kwamen de communautaire geschillen die hen tijdenshet interbellum hadden verdeeld, aan de oppervlakte. Dit leidde tot een felletweestrijd en de oprichting van de Oorlogsorde, waaraan vooral flamingantischeartsen meewerkten. Ze werden wel gesteund door een aantal Waalseartsen. De Oorlogsorde werd van nabij gecontroleerd door het Duitse militairebestuur en door het Belgische ministerie dat geleid werd door eensecretaris-generaal. Na haar oprichting poogde de Oorlogsorde de geneeskundeen de volksgezondheid onder haar controle te brengen en te reorganiseren.
Ze kwam daarbij niet alleen in conflict met een belangrijk deelvan de Belgische artsen maar werd ook betrokken bij maatregelen die vande bezetter uitgingen. Dit is haar leiders na de bezetting zwaar aangerekendgeweest. Het einde van de oorlog bracht niet alleen het verdwijnen van deOorlogsorde mee maar luidde tevens een nieuw tijdperk in de aanpak van devolksgezondheid in België in.
Dit boek beschrijft het verloop van de gebeurtenissen. Gevoelige en controversiëlethema’s, zoals de soms betwistbare houding van de tegenstandersvan de Oorlogsorde, de mogelijke collaboratie met de bezetter, de radicalehouding van sommige bestuurders of de verhouding met de joodse artsen,worden geenszins uit de weg gegaan. De auteur is er zich ten volle vanbewust hoe, meer dan 70 jaar na de feiten, deze aspecten nog bijzondergevoelig liggen.
>>Intekenen op de reeks (20% korting op dit en alle toekomstige delen)