Handboek Neurologische communicatiestoornissen
Dit handboek is bedoeld voor iedereen die interesse heeft voor neurogene communicatiestoornissen in de ruime zin van het woord. Naast de primaire neurologische spraak- en taalstoornissen (afasie, dysartrie en apraxie), gaat het boek ook in op communicatiestoornissen die samengaan met andere, meer algemene neurologische dysfuncties en condities (dementie, craniocerebrale traumata en rechterhemisfeerletsels).
De beschreven aandoeningen worden zoveel mogelijk gekaderd in het ICF- model – International Classification of Functioning, Disability and Health, dat ontwikkeld werd door de Wereldgezondheidsorganisatie. Neurologische spraak-, taal- en communicatiestoornissen leiden immers niet enkel tot gestoorde lichaamsstructuren en -functies, maar ook tot beperkingen op het vlak van het uitvoeren van activiteiten en tot restricties bij het participeren aan het sociaal en maatschappelijk leven. Elke ernstige neurologische aandoening geeft bovendien aanleiding tot een sterk verminderde levenskwaliteit, zeker wanneer de communicatie is aangetast. Ten slotte mag ook de invloed van contextuele factoren niet worden onderschat, zoals de belangrijke rol die personen uit de omgeving spelen.
Ook taalveranderingen die samengaan met de normale oude dag, komen aan bod. Hierbij gaat het weliswaar niet om taalstoornissen, zoals die voorkomen bij bijvoorbeeld afasie, of om taalproblemen die secundair zijn aan diffuse hersenschade, zoals bij dementering of een niet-aangeboren hersenletsel. Maar om een adequate differentiële diagnose te stellen, is het belangrijk om enige notie te hebben van de fenomenen die zich bij het normale verouderingsproces voordoen.
Eric Manders doceerde tot voor kort aan de Afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven, waar hij het opleidingsonderdeel Neurologische Spraak- en Taalstoornissen verzorgde. Hij doceerde ook lange tijd aan het Departement Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en was werkzaam in het UZ Leuven, waar hij onder meer betrokken was bij de diagnostiek en de behandeling van mensen met neurogene communicatiestoornissen en de groepstherapie voor mensen met afasie begeleidde.
Handboek Neurologische communicatiestoornissen
Dit handboek is bedoeld voor iedereen die interesse heeft voor neurogene communicatiestoornissen in de ruime zin van het woord. Naast de primaire neurologische spraak- en taalstoornissen (afasie, dysartrie en apraxie), gaat het boek ook in op communicatiestoornissen die samengaan met andere, meer algemene neurologische dysfuncties en condities (dementie, craniocerebrale traumata en rechterhemisfeerletsels).
De beschreven aandoeningen worden zoveel mogelijk gekaderd in het ICF- model – International Classification of Functioning, Disability and Health, dat ontwikkeld werd door de Wereldgezondheidsorganisatie. Neurologische spraak-, taal- en communicatiestoornissen leiden immers niet enkel tot gestoorde lichaamsstructuren en -functies, maar ook tot beperkingen op het vlak van het uitvoeren van activiteiten en tot restricties bij het participeren aan het sociaal en maatschappelijk leven. Elke ernstige neurologische aandoening geeft bovendien aanleiding tot een sterk verminderde levenskwaliteit, zeker wanneer de communicatie is aangetast. Ten slotte mag ook de invloed van contextuele factoren niet worden onderschat, zoals de belangrijke rol die personen uit de omgeving spelen.
Ook taalveranderingen die samengaan met de normale oude dag, komen aan bod. Hierbij gaat het weliswaar niet om taalstoornissen, zoals die voorkomen bij bijvoorbeeld afasie, of om taalproblemen die secundair zijn aan diffuse hersenschade, zoals bij dementering of een niet-aangeboren hersenletsel. Maar om een adequate differentiële diagnose te stellen, is het belangrijk om enige notie te hebben van de fenomenen die zich bij het normale verouderingsproces voordoen.
Eric Manders doceerde tot voor kort aan de Afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven, waar hij het opleidingsonderdeel Neurologische Spraak- en Taalstoornissen verzorgde. Hij doceerde ook lange tijd aan het Departement Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en was werkzaam in het UZ Leuven, waar hij onder meer betrokken was bij de diagnostiek en de behandeling van mensen met neurogene communicatiestoornissen en de groepstherapie voor mensen met afasie begeleidde.
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.
Articulatie- en fonologische stoornissen (Thomas More Logopedie).2de ongewijzigde druk.
Articulatiestoornissen zijn zeer verscheiden van aard en in graad en vormen een belangrijke groep binnen de aanmeldingen bij logopedisten. Vaak zijn de problemen, zeker bij kinderen, het gevolg van een onvoldoende, niet of foutief leren van de productie van de verschillende spraakklanken of van de betekenisdragende functie ervan.
Daarnaast kunnen articulatiestoornissen ook kaderen in een structureel anatomisch tekort en/of het gevolg zijn van of samengaan met een myofunctionele problematiek. Een derde groep wordt gevormd door articulatiestoornissen als onderdeel van een neurologisch ziektebeeld. Ten slotte dienen de articulatiestoornissen ten gevolge auditief perceptuele problemen vermeld te worden. In beide laatste gevallen gaat het vaak om meer dan enkel een articulatorische problematiek en zullen er ook problemen zijn op het vlak van taal, van stem, prosodie, …
In dit handboek behandelen we, na het schetsen van een aantal fundamentele basiselementen, de articulatiestoornissen van fonetische en fonologische aard. Vooreerst wordt de ontwikkeling van de articulatievaardigheid geschetst, zowel vanuit fonetisch als vanuit fonologisch standpunt. Dergelijke informatie vormt immers de basis om te komen tot een adequate diagnose. Een aantal procedures en instrumenten, zowel voor fonetisch als voor fonologisch georiënteerd onderzoek, wordt beschreven. Ook combinaties van beide en aanvullende onderzoeken krijgen aandacht. Er moet eveneens een onderscheid gemaakt worden tussen methoden die fonetisch gericht zijn, en andere die veeleer aansluiten bij een fonologische benadering. Vanuit therapeutisch standpunt stelt zich vaak het probleem van de generalisatie: hoe het in de therapie geleerde gedrag overdragen naar andere situaties en contexten buiten de therapie? Ook daarop wordt ingegaan.
Ten slotte komt nog een aantal bijzondere problemen aan bod. Voorbeelden hiervan
zijn: de specifieke articulatieproblematiek die het gevolg is van lip- en/of kaak- en/of
verhemeltespleet, en deze die het gevolg is van een neurogene problematiek, zoals de
ontwikkelingsdyspraxie van de spraak.
Rik Elen, Gegradueerde en Licentiaat in de Logopedie, is lector aan de opleiding
Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen.
Eric Manders, doctor in de Logopedie en Audiologie, is deeltijds docent aan de
opleiding Logopedie en Audiologie van Thomas More in Antwerpen en aan de
afdeling Logopedische en Audiologische Wetenschappen van de KU Leuven.